Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:4209
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,915 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11148408 \ CV EXPL 24-1792 (SJ)
Vonnis van 22 januari 2025
in de zaak van
[naam 1] tevens h.o.d.n. “[naam 2]” en “[naam 3]”,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
verwerende partij tegen de tegenvordering,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.P.D. den Teuling,
tegen
[V.O.F.] tevens h.o.d.n. “[naam 4]”, “[naam 5]”en “[naam 6]”
te [plaats 2] , en haar vennoten[naam 7] en [naam 8],
beiden wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
eisende partijen met een tegenvordering,
hierna samen te noemen: [gedaagde] en afzonderlijk [naam 4] , [naam 7] en [naam 8]
gemachtigde: mr. R.A. Reijnen.
1De zaak in het kort
In deze zaak verschillen partijen van mening over de inhoud van de overeenkomst van opdracht. De kantonrechter geeft opdrachtnemer gelijk wat betreft de inhoud en de betalingsafspraken. Verder oordeelt de kantonrechter dat opdrachtgever in verzuim is geraakt omdat de factuur van opdrachtnemer niet is betaald en dat opdrachtnemer gerechtigd was om de werkzaamheden op te schorten. De primaire tegenvordering van opdrachtgever om de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden wijst de kantonrechter daarom af. De door opdrachtgever gevorderde verklaring voor recht wijst de kantonrechter wel toe, zij het dat opdrachtgever het redelijk loon, bestaande uit de kosten van de door opdrachtnemer ingeschakelde hulppersonen en drie maandtermijnen, moet betalen.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 augustus 2024- de conclusie van antwoord in de tegenvordering tevens vermindering van eis
- de brief van 2 december 2024 van [gedaagde] met productie 5
- de mondelinge behandeling van 12 december 2024.
Feiten
3.1.
[eiser] is een grafisch ontwerper en zij richt zich op het bijstaan van bedrijven bij het opbouwen en het versterken van hun merkidentiteit.
3.2.
[naam 4] is producent van metalen constructies, heeft twee vennoten en momenteel vier werknemers. [naam 4] wordt gerund door [naam 7] .
3.3.
[eiser] en [naam 7] kennen elkaar van een ondernemersnetwerk in Noord-Holland. Op of omstreeks 23 mei 2023 spreken [eiser] en [naam 7] elkaar over een mogelijke zakelijke samenwerking.
3.4.
In een e-mail van 24 mei 2023 schrijft [eiser] aan [naam 7] dat zij het ‘tof’ vindt dat [naam 7] kiest voor het Jaarprogramma Merkenopbouw, dat zij uitkijkt naar de samenwerking, dat [naam 7] wordt verzocht bijgaand inschrijf- en startformulier in te vullen, dat de investering voor het jaarprogramma in totaal € 22.000 excl. btw is, dat [naam 7] heeft aangegeven wat ruimte nodig hebben voor betaling en dat partijen daarover bij aanvang concrete afspraken zullen maken. Verder vraagt [eiser] of een betaling van € 8.000 in augustus mogelijk is; schrijft zij dat het mogelijk is om volgende week te starten, en stelt zij voor om dinsdag 30 mei een werksessie te houden.
3.5.
In een e-mail van 25 mei 2023 schrijft [naam 7] aan [eiser] in reactie: ‘Te gek [eiser] . Dinsdag is goed. Zin in!’
3.6.
In een e-mail van 15 juni 2023 schrijft [eiser] aan [naam 7] dat het tijd is voor een eerste meet-up omdat zij een stukje van het creatieve proces met hem wil delen. In een e-mail van 16 juni 2023 reageert [naam 7] bevestigend.
3.7.
Op 19 juni 2023 ondertekent [eiser] het inschrijfformulier, volgens haar namens [naam 7] .
3.8.
Op 18 augustus 2023 stuurt [eiser] aan [naam 7] een factuur van € 4.840,00 inclusief btw met als kenmerk ‘betaling 01’. De vervaldatum van deze factuur is 1 september 2023.
3.9.
In een whats-appbericht van 1 september 2023 schrijft [eiser] aan [naam 7] dat het ‘payday’ is. In reactie schrijft [naam 7] op 1 september 2023 dat hij op vakantie is en dat hij gespecificeerde facturen met de werkzaamheden tot nu toe wil omdat hij anders niks kan betalen.
3.10.
In een e-mail van 8 september 2023 schrijft [naam 7] aan [eiser] : ‘Ik merk een beetje een rare sfeer in ene, ik denk omdat ik (nog) niet heb betaald € 8.000,-. Dat vind ik erg jammer, want ik ben zeker bereid te betalen, maar niet onder grote druk, dat vind ik vervelend. […] Ik heb nog steeds behoorlijke financiële druk op m’n nek. […]. Ik heb geen gevoel bij de 8k in verhouding van wat ik nu heb […] Uiteraard heb ik dingen met je afgesproken, en dat wil ik graag nakomen. […]’
3.11.
In een e-mail van 11 september 2023 schrijft [eiser] aan [naam 7] : ‘Fijn je gesproken te hebben. En fijn te horen dat je de betaling zoals afgesproken kunt doen. […]. Zoals zojuist besproken: Hierbij ontvang je de factuur van 1 september. Betaaltermijn vanaf nu (11 sept.) 14 dagen. 1 oktober volgt een nieuwe factuur van € 4.000. Daarna het restant in 9 termijnen a € 1.556.’
3.12.
In een e-mail van 25 september 2023 verzoekt de incassogemachtigde van [eiser] aan [naam 7] om betaling van € 4.680,12 incl. btw, rente en buitengerechtelijke kosten. In zijn reactie van 27 september 2023 schrijft [naam 7] : ‘[…] ik zal zeker betalen, als we het resultaat wat we hebben afgesproken bereikt hebben…meer omzet, groot bereik hoog segment van Nederland […].’
3.13.
In een whats-appbericht van 27 september 2023 schrijft [naam 7] aan [eiser] dat hij bij deze geen gebruik meer zal maken van haar diensten, dat hij een overzicht wil van de gemaakte uren en dat hij zich niet kan voorstellen dat er zoveel geld betaald moet worden voor de diensten die [eiser] tot nu toe heeft verricht.
3.14.
In een e-mail van 28 september 2023 stuurt [eiser] aan [naam 7] de factuur voor deelbetaling 02. In zijn reactie schrijft [naam 7] : ‘kan ik op moment geeneens de eerste termijn naar je overmaken.’ In haar reactie schrijft [eiser] dat zij [naam 7] moet houden aan de afspraak en de verplichting die zij samen in mei zijn aangegaan.
3.15.
In de e-mails van 5 en 13 oktober 2023 verzoekt de incassogemachtigde van [eiser] aan [naam 7] nogmaals om betaling. In zijn reactie van 13 oktober 2023 schrijft [naam 7] dat hij bereid is uiteindelijk te gaan betalen, maar dat hij niet tevreden is met wat hij heeft gekregen ten opzichte van het bedrag.
3.16.
In een e-mail van 18 oktober 2023 verzoekt de incassogemachtigde van [eiser] aan [naam 7] nogmaals om betaling. In zijn reactie van 20 oktober 2023 schrijft [naam 7] dat hij ‘verre van tevreden’ is over het product wat tot nu toe is geleverd en dat hij graag om de tafel met [eiser] wil en dat hij meer wil dan wat hij tot nu toe heeft gehad.
3.17.
In een e-mail van 23 oktober 2023 stuurt [eiser] aan [naam 7] de factuur voor deelbetaling 03. In zijn reactie schrijft [naam 7] dat hij helemaal niks gaat betalen, dat hij niet tevreden is over alles wat zij heeft gedaan en dat zij op dit moment ook helemaal niets doet.
3.18.
Op 11 november 2023 hebben [eiser] en [naam 7] een gesprek in bijzijn van twee andere leden ( [naam 9] en [naam 10] ) van het netwerk waarvan zij beiden zijn aangesloten.
3.19.
In een e-mail van 8 december 2023 bericht [naam 9] namens [naam 7] dat hij voorstelt om € 4.250 in termijnen te betalen voor de door [eiser] geleverde diensten.
3.20.
In een e-mail van 29 januari 2024 stelt de gemachtigde van [eiser] aan [naam 7] een minnelijke regeling voor, inhoudende betaling van € 11.000 met finale kwijting over en weer.
3.21.
In een e-mail van 12 februari 2024 stuurt [eiser] aan [naam 7] de deelbetalingen voor de maanden december, januari en februari van in totaal € 5.648,28 incl. btw.
3.22.
In een e-mail van 13 mei 2024 stuurt [eiser] aan [naam 7] de deelbetalingen voor de maanden maart, april, mei en juni van in totaal € 7.531,04 incl. btw. In zijn reactie schrijft [naam 7] dat hij alleen maar zal betalen wat hij heeft aangeboden.
3.23.
Op 3 augustus 2024 maakt [naam 7] € 4.250 aan [eiser] over.
Geschil
de vordering en de tegenvordering
4.1.
[eiser] vordert, na vermindering van eis, dat de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 22.872,61 aan [eiser] op grond van nakoming van de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen gesloten overeenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling en tot betaling van de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voeren verweer.
4.3.
Als voorwaardelijke tegenvordering, voor zover wordt geoordeeld dat het jaarprogramma is overeengekomen, vorderen [gedaagde] primair de kantonrechter om de overeenkomst van partieel te ontbinden voor wat betreft de werkzaamheden die nog door [eiser] moeten worden verricht op basis van de overeenkomst van opdracht en subsidiair om voor recht te verklaren dat [gedaagde] de overeenkomst heeft opgezegd, dan wel de opzegging van de overeenkomst van opdracht uit te spreken.
4.4.
[eiser] voert verweer tegen de tegenvordering.
4.5.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Omdat hierna zal worden geoordeeld dat het standpunt van [gedaagde] dat het jaarprogamma niet is overeengekomen faalt, is aan de voorwaarde waaronder de tegenvordering is ingesteld voldaan. Dit betekent dat op de tegenvordering zal worden beslist. De kantonrechter ziet aanleiding om de vordering en de tegenvordering gelijktijdig te behandelen omdat hetgeen in de tegenvordering wordt geoordeeld volledige toewijzing van de vordering in de weg staat.
5.2.
De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat er een overeenkomst van opdracht tussen partijen tot stand is gekomen. Partijen zijn het echter niet eens over de inhoud van de overeenkomst die tot stand is gekomen. Volgens [eiser] staat de inhoud van de overeenkomst in de e-mail van 24 mei 2023 waarin zij het jaarprogramma en de prijs daarvan heeft uiteengezet en heeft [naam 7] namens [naam 4] hiermee ingestemd. [gedaagde] voeren aan dat [naam 7] niet heeft ingestemd met het jaarprogramma en de prijs. Volgens [gedaagde] hebben partijen afgesproken dat [eiser] de werkzaamheden zou gaan verrichten waartoe [naam 7] haar opdracht gaf en dat [naam 7] telkens kon bepalen of en welke werkzaamheden [eiser] zou gaan verrichten (op basis van regie).
5.3.
Vooropgesteld wordt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Het rechtsgeldig tot stand komen van een overeenkomst geschiedt vormvrij. Als aanbod en aanvaarding overeenstemmen, is sprake van wilsovereenstemming.
5.4.
De kantonrechter volgt [eiser] en overweegt als volgt. In de e-mail van 24 mei 2023 heeft [eiser] geschreven dat zij het ‘tof’ vindt dat [naam 7] kiest voor het Jaarprogramma Merkenopbouw en dat zij uitkijkt naar de samenwerking. Verder heeft zij in de e-mail het jaarprogramma en de prijs hiervan uiteengezet, heeft zij [naam 7] gevraagd om het inschrijfformulier te tekenen, voorgesteld om dinsdag 30 mei een werksessie te houden en voorgesteld dat [naam 7] een eerste deelbetaling van € 8.000,00 in augustus 2023 doet. In reactie heeft [naam 7] geschreven: ‘Te gek [eiser] . Dinsdag is goed. Zin in!’ Deze reactie is het oordeel van de kantonrechter niet anders te kwalificeren dan aanvaarding van het aanbod van [eiser] . [naam 7] reageert positief op de inhoud van de e-mail en hij betwist de keuze voor het jaarprogramma en de prijs niet. Weliswaar heeft [naam 7] op de zitting verklaard dat hij tijdens de eerste werksessie op 30 mei 2023 duidelijk heeft gemaakt dat hij het jaarprogramma niet wil doen. Maar dit standpunt heeft hij niet eerder naar voren gebracht en is overigens niet onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat.
5.5.
Het verweer van [gedaagde] dat het jaarprogramma vaag is omdat wordt voorgesteld ‘doe wat goed voelt voor jou hierin’ en ‘maken we voor de rest een plan waar we ons allebei goed bij voelen’ en dat daarom geen sprake kan zijn van wilsovereenstemming, volgt de kantonrechter niet. Uit de e-mail van 24 mei 2023 kan worden opgemaakt dat deze zinsneden niet zien op het jaarprogramma en de prijs als zodanig. Maar op verzorgen van ‘socials’ en op het maken van afspraken op 30 mei 2023 over een betalingsregeling voor het resterende bedrag na de eerste deelbetaling in augustus 2023. Ook overigens is de kantonrechter van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat het jaarprogramma dusdanig vaag is dat [naam 7] niet wist waarmee hij zou instemmen en dat daarom zou moeten worden geoordeeld dat van wilsovereenstemming geen sprake is. Hierbij weegt mee dat [gedaagde] onvoldoende hebben weersproken dat partijen op of omstreeks 23 mei 2023 over het jaarprogramma hebben gesproken. Verder is van belang dat [gedaagde] zich pas in de conclusie van antwoord op het standpunt stellen dat het jaarprogramma niet is overeengekomen. Indien [naam 7] een en ander niet duidelijk was, dan had het op zijn weg gelegen om toelichting te vragen bij [eiser] . Niet is gesteld of gebleken dat [naam 7] dat heeft gedaan.
5.6.
Daarnaast overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken dat partijen de prijs van € 22.000,00 exclusief btw hebben afgesproken. De kantonrechter wijst hierbij op de e-mail van 11 september 2023 waarin [eiser] aan [naam 7] de betalingsafspraak uiteenzet. Deze afspraak houdt in dat [gedaagde] in september en in oktober € 4.000,00 exclusief btw betalen en de rest in negen termijnen van € 1.556,00 exclusief btw. Dat is totaal € 22.000,00 exclusief btw. [gedaagde] betwisten niet dat [naam 7] de e-mail van 11 september 2023 heeft ontvangen. Uitgaande van het standpunt van [gedaagde] zou een onmiddellijke betwisting van de prijs (en de betaalafspraak) de enige logische reactie zijn geweest. Op deze e-mail heeft [naam 7] echter niet inhoudelijk gereageerd. De kantonrechter leidt (ook) hieruit af dat [gedaagde] met de prijs van € 22.000,00 exclusief btw hebben ingestemd.
5.7.
De omstandigheid dat [naam 7] het inschrijvingsformulier niet zelf heeft ondertekend, leidt, anders dan [gedaagde] kennelijk menen, niet tot een ander oordeel. [eiser] heeft hierover gesteld dat zij het inschrijvingsformulier op verzoek van [naam 7] op 19 juni 2023 heeft ondertekend. Volgens de verklaring van [eiser] op de zitting heeft [naam 7] haar meegedeeld dat het hem niet lukte om het formulier binnen drie dagen te ondertekenen. Verder heeft zij op de zitting verklaard dat zij tijdens de werksessie van 30 mei 2023 was vergeten om het formulier ter ondertekening aan [naam 7] voor te leggen, dat zij tijdens een Zoom-meeting op 19 juni 2023 het formulier aan [naam 7] heeft voorgelezen en hem heeft voorgesteld namens hem te ondertekenen en dat hij daarmee heeft ingestemd. [gedaagde] hebben heeft deze gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de verklaring van [eiser] . Bovendien onderschrijven productie 5 en productie 6 van [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter de door [eiser] gestelde gang van zaken. Uit productie 5 kan worden afgeleid dat partijen op 19 juni 2023 om 09.07 uur hun Zoom-meeting hebben gestart en uit productie 6 blijkt dat [eiser] het inschrijfformulier op 19 juni 2023 om 09.22 uur heeft ondertekend.
5.8.
Afgezien van het voorgaande merkt kantonrechter op dat voor het standpunt van [gedaagde] dat partijen hebben afgesproken op basis van regie te werken geen enkele ondersteuning in de stukken vindt. Ook op de zitting zijn [gedaagde] op dit punt vaag gebleven. De kantonrechter gaat hieraan dan ook voorbij.
5.9.
De kantonrechter concludeert dat partijen het jaarprogramma en de prijs van € 22.000,00 exclusief btw zijn overeengekomen.
5.10.
Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel gehouden zijn om deze prijs te betalen voor de door [eiser] te verrichten werkzaamheden. Niet in geschil is dat [eiser] vanaf 30 mei 2023 werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht, zodat zij ook recht heeft op betaling daarvan. [eiser] heeft dan ook terecht aan [gedaagde] op 18 augustus 2023 een factuur van € 4.840,00 inclusief btw met kenmerk ‘betaling 01’ en met 1 september 2023 als vervaldatum kunnen versturen. De kantonrechter stelt vast dat dit een wijziging is ten opzichte van de in de e-mail van 24 mei 2023 neergelegde afspraak. Op de zitting heeft [eiser] verklaard dat [gedaagde] deze wijziging hebben voorgesteld. Dit alles hebben [gedaagde] niet voldoende gemotiveerd weersproken. [gedaagde] hebben een en ander ook niet betwist toen [naam 7] door [eiser] op 1 september 2023 om betaling van de factuur is verzocht, terwijl dat wel op hun weg is gelegen indien [gedaagde] menen dat er geen betalingsafspraak is gemaakt. Het verweer van [gedaagde] dat geen betalingsafspraak is gemaakt, volgt de kantonrechter daarom niet. Van het zonder enige grond ‘rücksichtslos’ sturen van facturen, zoals [gedaagde] stellen, is dan ook geen sprake.
Dictum
De kantonrechter
de vordering
6.1.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van € 11.478,50 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2024;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.332,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
de tegenvordering
6.6.
verklaart voor recht dat [gedaagde] de overeenkomst op 27 september 2023 heeft opgezegd;
6.7.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die worden vastgesteld op nihil;
6.8.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.
Beoordeling
Het verweer van [gedaagde] op dit punt faalt.
5.11.
Vast staat dat [gedaagde] de factuur van 18 augustus 2023 niet (vóór 1 september 2023) heeft betaald. Dit betekent dat [gedaagde] vanaf dat 1 september 2023 in verzuim zijn geraakt. De omstandigheid dat de factuur niet is gespecificeerd, leidt niet tot een ander oordeel. Partijen hebben, zoals uit het voorgaande ook al volgt, een vaste prijsafspraak gemaakt. Dan is specificatie van de verrichtte werkzaamheden en de daaraan bestede tijd niet verplicht. Dit is dan ook geen reden om niet te betalen. Het verweer van [gedaagde] op dit punt slaagt daarom niet.
5.12.
Daarnaast stelt de kantonrechter vast dat uit de whats-appberichten tussen partijen blijkt dat in ieder geval tot 16 september 2023 sprake is van werkzaamheden en begeleiding door [eiser] . Aldus heeft [eiser] haar werkzaamheden niet opgeschort voordat [gedaagde] in verzuim zijn geraakt wegens schending van hun betalingsverplichting. Er is dan ook geen sprake van schuldeisersverzuim, zodat [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter gerechtigd was om haar werkzaamheden op te schorten. Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] in verzuim is geraakt door het staken van haar werkzaamheden slaagt dus niet.
5.13.
Gelet op het voorgaande hoeft de vraag of de algemene voorwaarden van [eiser] al dan niet van toepassing zijn, geen bespreking. De vordering van [eiser] is hierop niet (uitsluitend) gebaseerd en uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [eiser] op grond van de wet bevoegd was om tot opschorting over te gaan.
5.14.
[gedaagde] vorderen vervolgens gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst. Zij menen dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst onder meer omdat de door haar gegarandeerde omzetstijging niet is gerealiseerd, en [eiser] [naam 7] niet in contact heeft gebracht met bekende Nederlanders. Op de zitting voeren [gedaagde] aan dat de werkzaamheden beperkt zijn en bovendien van slechte kwaliteit. Dit alles heeft [eiser] gemotiveerd betwist.
5.15.
De kantonrechter is van oordeel dat (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst, zoals door [gedaagde] gevorderd, niet mogelijk is. Daarvoor is immers verzuim vereist en wie zich terecht op opschorting beroept, kan niet in verzuim raken. Zoals hiervoor onder 5.11. en 5.12. is overwogen, was [eiser] gerechtigd om haar deel van de verplichtingen uit de overeenkomst op te schorten en zijn [gedaagde] in crediteursverzuim geraakt. [gedaagde] kunnen zich dus niet op ontbinding beroepen. De primaire tegenvordering zal daarom worden afgewezen.
5.16.
Bovendien acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat [eiser] een omzetstijging heeft gegarandeerd. De kantonrechter wil niet uitsluiten dat [naam 7] bij de bespreking op of omstreeks 23 mei 2023 heeft gezegd dat hij [eiser] alleen kan betalen als hij een significante omzetstijging kan realiseren. Het feit dat partijen vervolgens met elkaar in zee zijn gegaan, brengt echter niet met zich mee dat [eiser] heeft ingestaan voor deze omzetstijging. Een dergelijk onwaarschijnlijke gang van zaken had [gedaagde] van een steviger onderbouwing moeten voorzien om tot feitelijke bewijslevering daarvan te kunnen worden toegelaten. Ook blijkt niet van een concrete toezegging dat [eiser] [naam 7] in contact zou brengen met bekende Nederlanders. Verder is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] op geen enkele manier hebben onderbouwd waarom de werkzaamheden van slechte kwaliteit zijn. Dat de werkzaamheden – in de visie van [gedaagde] – beperkt zijn en dat [eiser] niet in staat is gebleken om [naam 4] tot een aansprekend merk uit te bouwen, is gelegen in de terechte opschorting van de werkzaamheden door [eiser] , waardoor (nog) niet alle werkzaamheden zijn verricht. Het standpunt van [gedaagde] dat [eiser] te kort is geschoten omdat zij de termijn van stap 2 van het jaarprogramma staat niet heeft gehaald, volgt de kantonrechter ook niet. Bij stap 2 staat een termijn van ‘circa 10 weken’ genoemd. Uit deze bewoordingen blijkt al dat er geen sprake is van een fatale termijn. De kantonrechter concludeert dan ook dat er geen sprake is van tekortkomingen aan de zijde van [eiser] . [gedaagde] heeft ook daarom geen reden om tot (gedeeltelijke) ontbinding over te gaan of om van (verdere) betaling af te zien. Tekenend in dit verband acht de kantonrechter dat uit de stukken naar voren komt dat [naam 7] pas op 13 oktober 2023, nadat hij diverse keren is gewezen op zijn betalingsverplichting, zegt niet tevreden te zijn. Overigens zonder specifiek te vermelden waarover hij niet tevreden is. Dit terwijl hij eerder niet heeft geklaagd over de kwaliteit en hij het materiaal van [eiser] , zoals bijvoorbeeld het door haar gemaakte logo, wel gebruikt.
5.17.
Anders overweegt de kantonrechter ten aanzien van de subsidiaire tegenvordering. [naam 7] heeft in het whats-appbericht van 27 september 2023 aan [eiser] geschreven dat hij geen gebruik meer zal maken van de diensten van [eiser] . Daarmee laten [gedaagde] geen onduidelijkheid erover bestaan dat zij op dat moment de overeenkomst met [eiser] wilden verbreken. Dit bericht moet dan ook als opzegging van de overeenkomst tot opdracht worden beschouwd.
5.18.
Op grond van artikel 7:408 BW kan een opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde opzeggen. De opzegging van 27 september 2023 is dus rechtsgeldig. Dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar, leidt, anders dan [eiser] kennelijk meent, niet tot een ander oordeel. De door [gedaagde] verzochte verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.
5.19.
Gelet op de rechtsgeldige opzegging heeft [eiser] op grond van artikel 7:411 lid 1 BW recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling wat redelijk is dient onder mee te worden gelet op de al verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft en de grond voor beëindiging van de overeenkomst. Op grond van lid 2 bestaat aanspraak op het volle loon als dat, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. [gedaagde] stellen dat het door hen betaalde bedrag van € 4.250,00 meer dan redelijk is voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet en overweegt het volgende.
5.20.
Als niet voldoende weersproken staat vast dat [eiser] in ieder geval vier maanden werkzaamheden heeft verricht en dat de werkzaamheden achter de schermen 85% van de werkzaamheden van het jaarprogramma omvatten. Verder heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat zij in verband met deze werkzaamheden kosten van in totaal € 11.060,55 heeft gemaakt ter zake door haar ingeschakelde hulppersonen. De kantonrechter acht het dan ook redelijk dat [eiser] deze kosten vergoed krijgt. Bij dit oordeel is ook betrokken dat [gedaagde] van meet af aan gebruik hebben gemaakt van de door [eiser] aangeleverde materialen, zoals de door haar ontworpen huisstijl voor de website van [naam 4] en het logo op social media en op hun bedrijfsauto en dat [gedaagde] dus voordeel hebben (gehad) van de werkzaamheden van [eiser] .
5.21.
Aan de opzegging heeft [naam 7] dezelfde gronden als aan gestelde tekortkoming ten grondslag heeft gelegd. Zoals hiervoor al is overwogen is geen sprake van een tekortkoming aan de zijde van [eiser] , zodat deze gronden geen geldige reden voor opzegging zijn. In aanvulling daarop hebben [gedaagde] nog gesteld dat [eiser] niet in staat is gebleken om op een prettige manier met [gedaagde] te communiceren en dat zij de relatie tussen partijen op scherp heeft gezet door niet in te gaan op voorstellen van [gedaagde] om de kwestie minnelijk op te lossen. Maar dit alles vindt geen steun in de stukken; er is eerder sprake van het tegendeel. Hierin is dan ook geen gegronde reden voor opzegging gelegen.