Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-12
ECLI:NL:RBNHO:2025:4121
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,376 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10973020 \ CV EXPL 24-1611
Uitspraakdatum: 12 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. O.J. Boeder
tegen
de commanditaire vennootschap
Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. L. Kloot
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 2 juni 2023 vervoeren.
2.2.
Er heeft een schemawijziging van de vlucht plaatsgevonden.
2.3.
Op 16 mei 2023 heeft de passagier een claim tot schadevergoeding met betrekking tot een hotelovernachting bij de vervoerder ingediend (€ 929,00).
2.4.
Op 20 juni 2023 heeft de vervoerder om het rekeningnummer van de passagier verzocht, en aangegeven het geclaimde bedrag te zullen betalen. Diezelfde dag heeft de passagier haar rekeningnummer aan de vervoerder doorgegeven.
2.5.
Op 24 augustus 2023 en 20 oktober 2023 heeft de passagier betalingsherinneringen aan de vervoerder verstuurd. Bij de laatste betalingsherinnering heeft de passagier aangegeven een incassobureau te zullen gaan inschakelen.
2.6.
Op 16 november 2023 heeft Boeder namens de passagier om betaling van de hoofdsom verzocht, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten.
2.7.
Op 27 november 2023 heeft de vervoerder opnieuw om het rekeningnummer van de passagier verzocht. De passagier heeft hier als volgt op gereageerd:“I have already provided my bank details in June. I received a similar message then.I have already handed over the claim to a debt collection company: Boeder Incasso (…) I will forward this message to them”
2.8.
Op 28 november 2023 en 11 december 2023 heeft Boeder nogmaals om betaling van de vervoerder verzocht.
2.9.
Op 13 december 2023 heeft de vervoerder aan Boeder laten weten dat de hoofdsom van € 929,00 zal worden uitbetaald op het inmiddels bekende rekeningnummer van de passagier.
2.10.
Op 22 december 2023 heeft de vervoerder de hoofdsom (€ 929,00) rechtstreeks aan de passagier voldaan.
2.11.
Op 4 april 2024 heeft de vervoerder ook de wettelijke rente (€ 32,99) over de hoofdsom aan de passagier betaald.
Geschil
3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van het restant van de hoofdsom/schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
De passagier stelt dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt (€ 168,61). De betalingen van de vervoerder van 22 december 2023 en 4 april 2024 strekken, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW, eerst in mindering op die kosten, zodat (een gedeelte van) de hoofdsom nog openstaat.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door Boeder verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele herhaalde aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De passagier heeft daarom in dit geval geen recht op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De betaling(en) van de vervoerder strekken dan ook niet eerst in mindering op de kosten. De passagier heeft op dit moment dan ook geen (restant)vordering meer. De vordering van de passagier wordt daarom afgewezen.
4.3.
Omdat de vervoerder de wettelijke rente over de hoofdsom eerst na dagvaarding heeft voldaan, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten in deze zaak te compenseren.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter