Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-04-01
ECLI:NL:RBNHO:2025:4114
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,054 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/362514 / JU RK 25-289
Datum uitspraak: 1 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. S.L. Prass, kantoorhoudende te Amsterdam,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. A. Krim, kantoorhoudende te Haarlem.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 februari 2025;
e-mailbericht van de moeder van 11 maart 2025;
de standpunt van de zijde van de vader, met als bijlagen producties 1 tot en met 16, ontvangen op 19 maart 2025;
de brief van de GI, met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2025;
het verweerschrift van de zijde van de moeder, met bijlagen A tot en met D, ontvangen op 27 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover, in bijzijn van haar vertrouwenspersoon [vertrouwenspersoon] , op 28 maart 2025 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 april 2022 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna telkens is verlengd en nu nog voortduurt tot 13 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De kern van de problematiek betreft de systemische dynamiek tussen de moeder en [de minderjarige] . Omdat systemische behandeling niet van de grond komt, wordt nu gestart met individuele ondersteuning voor [de minderjarige] . Op 19 december 2024 heeft Youz, na een vernieuwde hulpvraag, voorgesteld om proeftherapie EMDR voor [de minderjarige] op te starten. Daarnaast is eind februari 2025 een vertrouwenspersoon van JIJ en Co ingezet om [de minderjarige] te ondersteunen bij gesprekken met de GI, hulpverlening en de rechtbank. Op 5 maart 2025 stond een gezamenlijk online gesprek met beide ouders gepland om het contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader te bespreken. Hoewel aanvankelijk beide ouders instemden, heeft de moeder later haar toestemming ingetrokken. De moeder heeft aangegeven dat zij alleen deel wil nemen als de GI dit officieel eist. Dit bevestigt opnieuw het patroon van de moeder waarbij zij ‘ja’ zegt, maar ‘nee’ doet. Dit belemmert hulpverlening en stagneert contactherstel.
3.3.
De GI heeft nu besloten om zelfstandig de opbouw, frequentie en duur van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] te bepalen. Nu de traumabehandeling van [de minderjarige] bij Youz is gestart en een vertrouwenspersoon is ingezet, is het moment aangebroken om omgangsbegeleiding in gang te zetten. Hier is Bureau Mars inmiddels voor betrokken. Zij zullen de omgangsbegeleiding en begeleiding voor de vader in aanloop naar het eerste contactmoment met [de minderjarige] op zich nemen. De kindbehartiger zal in gesprek gaan met [de minderjarige] om in kaart te brengen wat haar belangen en wensen zijn in het contact en de omgang met de vader.
3.4.
Namens de GI is hier ter zitting aan toegevoegd dat de rechtbank een duidelijke opdracht heeft gegeven richting de GI en de ouders om te komen tot contactherstel. Tot op heden is het nog niet gelukt om dit te realiseren, maar er zijn wel stappen in gezet. De jeugdbeschermer is van mening dat het contactherstel op een veilige en goede manier voor [de minderjarige] moet verlopen. Daarom moet secuur gehandeld worden. De GI is nu aanbeland bij de stap om een plan op te stellen voor het contactherstel; dit plan zal opgesteld worden met de vertrouwenspersoon, de kindbehartiger, de ouders en [de minderjarige] zelf. De GI is van mening dat de hulpverlening voor [de minderjarige] wel in het vrijwillig kader plaats zou kunnen vinden, maar het contactherstel met de vader niet omdat de moeder een ambivalente houding laat zien. De GI verwacht geen heel jaar nodig te hebben voor het herstellen van het contact, maar wel zes maanden. Mocht een kortere periode dan verzocht nodig zijn, zal de GI verzoeken de ondertoezichtstelling voortijdig te beëindigen.
4De standpunten
4.1.
De vader heeft zowel schriftelijk als ter zitting aangegeven dat hij het eens is met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader heeft zich vanaf het begin ingezet om contact met zijn dochter te hebben. In plaats van dat er toenadering is ontstaan, zijn de vader en [de minderjarige] alleen maar meer van elkaar verwijderd geraakt. Iedere keer als er omgang dreigt te komen, wordt er iets opgeworpen waardoor het proces wordt vertraagd. Nu is dat de brief die [de minderjarige] heeft opgesteld. De vader vindt het vreselijk dat [de minderjarige] met gedachten rondloopt zoals zij heeft omschreven in haar brief. Hij ontkent de gebeurtenissen zoals die door haar zijn beschreven. Het valt op dat [de minderjarige] specifiek benoemt dat zij bij [naam] voor de vader heeft moeten liegen, terwijl zij destijds ook op school heeft verklaard dat wat zij eerder vertelde niet waar was. Inmiddels is er vijf jaar verstreken en heeft er nog geen omgang plaatsgevonden. Het heeft jaren geduurd voordat het gefaciliteerd kon worden, maar nu is er pas beweging gekomen en hulpverlening ingezet voor [de minderjarige] . De vader stelt zich op het standpunt dat als de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, het niet tot contactherstel zal komen. In het vrijwillig kader is het niet mogelijk om met de moeder afspraken te maken omdat zij ‘ja’ zegt, maar ‘nee’ doet. Daarbij komt dat de vader van mening is dat [de minderjarige] nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] lijdt eigenlijk al die jaren al onder de strijd die over de omgang wordt gestreden. Dit had voorkomen kunnen worden als er contact was geweest. [de minderjarige] zit klem tussen de vader en de moeder. De hulp en regie van de GI is op dit moment nog nodig.
4.2.
De moeder heeft zowel schriftelijk als mondeling ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder en [de minderjarige] ervaren veel stress door de ondertoezichtstelling, zij voelen zich niet gehoord en gezien en zien niet de toegevoegde waarde; de ondertoezichtstelling treft geen doel. De GI is een vertragende factor, zowel in de behandeling van [de minderjarige] als in de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. De traumabehandeling van [de minderjarige] is inmiddels in volle gang nadat de moeder dit zelf heeft geregeld bij Youz. Het feit dat er nog geen begeleid contact heeft plaatsgevonden is enkel en alleen te wijten aan de GI. Uit het dossier blijkt dat er eigenlijk niets is gebeurd. Een half jaar geleden heeft de rechtbank een duidelijke opdracht gegeven, waar de GI te laat of niets mee doet. En dat is al jaren zo. De moeder herkent zich niet in het beeld dat zij de omgang niet wil faciliteren. [de minderjarige] krijgt nu hulp van Youz en iedereen is het erover eens dat die hulpverlening moet worden doorgezet. De moeder stelt dat Youz in het vrijwillig kader ook zou kunnen adviseren over de omgang tussen de vader en [de minderjarige] . Wat de moeder betreft zou de omgang dan ook in het vrijwillig kader opgestart kunnen worden, mits [de minderjarige] daaraan toe is. Gelet hierop verzoekt de moeder dan ook de ondertoezichtstelling niet te verlengen en de aangehouden omgangszaak naar voren te halen zodat in die zaak gekeken kan worden naar een opbouwende omgangsregeling.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan eruit dat [de minderjarige] psychische klachten ervaart in de vorm van angst- en spanningsklachten. [de minderjarige] is bang voor de vader en zijn familie en zij heeft daarom al sinds haar vijfde jaar geen structureel contact met hem. Het is tot op heden onduidelijk in hoeverre de moeder [de minderjarige] belast met haar eigen angst voor de vader of dat bij [de minderjarige] sprake is van kindeigen angst. Systemische hulpverlening om dit in kaart te brengen is tot op heden niet van de grond gekomen. Daarnaast lukt het de ouders niet om op een constructieve, niet verwijtende, manier met elkaar te communiceren over [de minderjarige] ; er is sprake van een ernstig wantrouwen tussen hen. Door de onderlinge strijd tussen de ouders kan [de minderjarige] geen onbelast contact hebben met haar vader. Zij zit klem tussen de ouders, waarbij haar loyaliteit uit gaat naar de moeder. Contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] is tot op heden nog niet van de grond gekomen. Het is duidelijk dat [de minderjarige] wordt belast met ouderproblematiek en op de hoogte is van zaken die zij niet zou moeten weten.
5.2.
Het is positief dat de hulpverlening voor [de minderjarige] inmiddels wel van de grond is gekomen, waarbij het niet van belang is wie dit uiteindelijk voor elkaar heeft gekregen. Voor ogen moet worden gehouden dat [de minderjarige] gebaat is bij de hulp om haar angsten en trauma’s te verwerken. De kinderrechter vindt nog steeds dat [de minderjarige] zelf de kans moet krijgen om zich een beeld te vormen van haar vader en te ervaren hoe zij de omgang zelf beleeft. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat nu een concreet plan opgesteld gaat worden om het contact tussen [de minderjarige] en de vader tot stand te laten komen. Het is daarom heel belangrijk dat dit traject wordt doorgezet. De kinderrechter is het niet eens met de moeder dat de GI een vertragende factor in de situatie is; uit de stukken blijkt immers dat de GI in het afgelopen half jaar heel sensitief is omgegaan met alles wat er naar voren is gebracht in deze zaak. Dit alles in het belang van [de minderjarige] , zodat zij zich veilig en gehoord voelt. De kinderrechter merkt overigens op dat uit de beschikking van de meervoudige kamer van 18 november 2024 niet blijkt dat er maar één omgangsmoment plaats zou hoeven vinden, maar dat een laatste poging moet worden ondernomen om een begeleide, opbouwende omgang tussen [de minderjarige] en de vader te organiseren. Gelet op de stukken en wat er ter zitting naar voren is gebracht is de kinderrechter van oordeel dat dit niet in het vrijwillig kader voortgezet kan worden. Hoewel de moeder ter zitting heeft aangegeven dat de omgang in het vrijwillig kader opgestart kan worden, heeft de kinderrechter hier geen vertrouwen in nu de moeder tot nu toe ambivalent is geweest in haar medewerking. Ook is nog niet gebleken dat de moeder [de minderjarige] daadwerkelijk emotionele toestemming geeft voor het contact met de vader. Uit het verweerschrift van de zijde van de moeder blijkt ook dat zij het niet eens is met de uitspraak van de meervoudige kamer; zij acht het schadelijk voor [de minderjarige] om het contact met vader te herstellen als zij zich dermate duidelijk uitspreekt hier niet voor open te staan. De kinderrechter acht het dan ook in het belang van [de minderjarige] dat het patroon doorbroken wordt en daarbij is de regie van de GI nodig, zodat [de minderjarige] op latere leeftijd haar beide ouders niets kan verwijten.
5.3.
De verwachting lijkt gerechtvaardigd dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aanwezige problematiek, de ingezette hulpverlening en de huidige stand van zaken in het traject om te komen tot contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] , zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen met zes maanden en het verzoek voor het overige afwijzen. De kinderrechter wijst de GI erop dat doorgepakt moet worden zodat de (opbouwende) omgang binnen een half jaar is gerealiseerd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot
13 oktober 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 15 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/362514 / JU RK 25-289
Datum uitspraak: 1 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. S.L. Prass, kantoorhoudende te Amsterdam,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. A. Krim, kantoorhoudende te Haarlem.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 februari 2025;
e-mailbericht van de moeder van 11 maart 2025;
de standpunt van de zijde van de vader, met als bijlagen producties 1 tot en met 16, ontvangen op 19 maart 2025;
de brief van de GI, met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2025;
het verweerschrift van de zijde van de moeder, met bijlagen A tot en met D, ontvangen op 27 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover, in bijzijn van haar vertrouwenspersoon [vertrouwenspersoon] , op 28 maart 2025 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 april 2022 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna telkens is verlengd en nu nog voortduurt tot 13 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De kern van de problematiek betreft de systemische dynamiek tussen de moeder en [de minderjarige] . Omdat systemische behandeling niet van de grond komt, wordt nu gestart met individuele ondersteuning voor [de minderjarige] . Op 19 december 2024 heeft Youz, na een vernieuwde hulpvraag, voorgesteld om proeftherapie EMDR voor [de minderjarige] op te starten. Daarnaast is eind februari 2025 een vertrouwenspersoon van JIJ en Co ingezet om [de minderjarige] te ondersteunen bij gesprekken met de GI, hulpverlening en de rechtbank. Op 5 maart 2025 stond een gezamenlijk online gesprek met beide ouders gepland om het contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader te bespreken. Hoewel aanvankelijk beide ouders instemden, heeft de moeder later haar toestemming ingetrokken. De moeder heeft aangegeven dat zij alleen deel wil nemen als de GI dit officieel eist. Dit bevestigt opnieuw het patroon van de moeder waarbij zij ‘ja’ zegt, maar ‘nee’ doet. Dit belemmert hulpverlening en stagneert contactherstel.
3.3.
De GI heeft nu besloten om zelfstandig de opbouw, frequentie en duur van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] te bepalen. Nu de traumabehandeling van [de minderjarige] bij Youz is gestart en een vertrouwenspersoon is ingezet, is het moment aangebroken om omgangsbegeleiding in gang te zetten. Hier is Bureau Mars inmiddels voor betrokken. Zij zullen de omgangsbegeleiding en begeleiding voor de vader in aanloop naar het eerste contactmoment met [de minderjarige] op zich nemen. De kindbehartiger zal in gesprek gaan met [de minderjarige] om in kaart te brengen wat haar belangen en wensen zijn in het contact en de omgang met de vader.
3.4.
Namens de GI is hier ter zitting aan toegevoegd dat de rechtbank een duidelijke opdracht heeft gegeven richting de GI en de ouders om te komen tot contactherstel. Tot op heden is het nog niet gelukt om dit te realiseren, maar er zijn wel stappen in gezet. De jeugdbeschermer is van mening dat het contactherstel op een veilige en goede manier voor [de minderjarige] moet verlopen. Daarom moet secuur gehandeld worden. De GI is nu aanbeland bij de stap om een plan op te stellen voor het contactherstel; dit plan zal opgesteld worden met de vertrouwenspersoon, de kindbehartiger, de ouders en [de minderjarige] zelf. De GI is van mening dat de hulpverlening voor [de minderjarige] wel in het vrijwillig kader plaats zou kunnen vinden, maar het contactherstel met de vader niet omdat de moeder een ambivalente houding laat zien. De GI verwacht geen heel jaar nodig te hebben voor het herstellen van het contact, maar wel zes maanden. Mocht een kortere periode dan verzocht nodig zijn, zal de GI verzoeken de ondertoezichtstelling voortijdig te beëindigen.
4De standpunten
4.1.
De vader heeft zowel schriftelijk als ter zitting aangegeven dat hij het eens is met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader heeft zich vanaf het begin ingezet om contact met zijn dochter te hebben. In plaats van dat er toenadering is ontstaan, zijn de vader en [de minderjarige] alleen maar meer van elkaar verwijderd geraakt. Iedere keer als er omgang dreigt te komen, wordt er iets opgeworpen waardoor het proces wordt vertraagd. Nu is dat de brief die [de minderjarige] heeft opgesteld. De vader vindt het vreselijk dat [de minderjarige] met gedachten rondloopt zoals zij heeft omschreven in haar brief. Hij ontkent de gebeurtenissen zoals die door haar zijn beschreven. Het valt op dat [de minderjarige] specifiek benoemt dat zij bij [naam] voor de vader heeft moeten liegen, terwijl zij destijds ook op school heeft verklaard dat wat zij eerder vertelde niet waar was. Inmiddels is er vijf jaar verstreken en heeft er nog geen omgang plaatsgevonden. Het heeft jaren geduurd voordat het gefaciliteerd kon worden, maar nu is er pas beweging gekomen en hulpverlening ingezet voor [de minderjarige] . De vader stelt zich op het standpunt dat als de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, het niet tot contactherstel zal komen. In het vrijwillig kader is het niet mogelijk om met de moeder afspraken te maken omdat zij ‘ja’ zegt, maar ‘nee’ doet. Daarbij komt dat de vader van mening is dat [de minderjarige] nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] lijdt eigenlijk al die jaren al onder de strijd die over de omgang wordt gestreden. Dit had voorkomen kunnen worden als er contact was geweest. [de minderjarige] zit klem tussen de vader en de moeder. De hulp en regie van de GI is op dit moment nog nodig.
4.2.
De moeder heeft zowel schriftelijk als mondeling ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder en [de minderjarige] ervaren veel stress door de ondertoezichtstelling, zij voelen zich niet gehoord en gezien en zien niet de toegevoegde waarde; de ondertoezichtstelling treft geen doel. De GI is een vertragende factor, zowel in de behandeling van [de minderjarige] als in de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. De traumabehandeling van [de minderjarige] is inmiddels in volle gang nadat de moeder dit zelf heeft geregeld bij Youz. Het feit dat er nog geen begeleid contact heeft plaatsgevonden is enkel en alleen te wijten aan de GI. Uit het dossier blijkt dat er eigenlijk niets is gebeurd. Een half jaar geleden heeft de rechtbank een duidelijke opdracht gegeven, waar de GI te laat of niets mee doet. En dat is al jaren zo. De moeder herkent zich niet in het beeld dat zij de omgang niet wil faciliteren. [de minderjarige] krijgt nu hulp van Youz en iedereen is het erover eens dat die hulpverlening moet worden doorgezet. De moeder stelt dat Youz in het vrijwillig kader ook zou kunnen adviseren over de omgang tussen de vader en [de minderjarige] . Wat de moeder betreft zou de omgang dan ook in het vrijwillig kader opgestart kunnen worden, mits [de minderjarige] daaraan toe is. Gelet hierop verzoekt de moeder dan ook de ondertoezichtstelling niet te verlengen en de aangehouden omgangszaak naar voren te halen zodat in die zaak gekeken kan worden naar een opbouwende omgangsregeling.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan eruit dat [de minderjarige] psychische klachten ervaart in de vorm van angst- en spanningsklachten. [de minderjarige] is bang voor de vader en zijn familie en zij heeft daarom al sinds haar vijfde jaar geen structureel contact met hem. Het is tot op heden onduidelijk in hoeverre de moeder [de minderjarige] belast met haar eigen angst voor de vader of dat bij [de minderjarige] sprake is van kindeigen angst. Systemische hulpverlening om dit in kaart te brengen is tot op heden niet van de grond gekomen. Daarnaast lukt het de ouders niet om op een constructieve, niet verwijtende, manier met elkaar te communiceren over [de minderjarige] ; er is sprake van een ernstig wantrouwen tussen hen. Door de onderlinge strijd tussen de ouders kan [de minderjarige] geen onbelast contact hebben met haar vader. Zij zit klem tussen de ouders, waarbij haar loyaliteit uit gaat naar de moeder. Contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] is tot op heden nog niet van de grond gekomen. Het is duidelijk dat [de minderjarige] wordt belast met ouderproblematiek en op de hoogte is van zaken die zij niet zou moeten weten.
5.2.
Het is positief dat de hulpverlening voor [de minderjarige] inmiddels wel van de grond is gekomen, waarbij het niet van belang is wie dit uiteindelijk voor elkaar heeft gekregen. Voor ogen moet worden gehouden dat [de minderjarige] gebaat is bij de hulp om haar angsten en trauma’s te verwerken. De kinderrechter vindt nog steeds dat [de minderjarige] zelf de kans moet krijgen om zich een beeld te vormen van haar vader en te ervaren hoe zij de omgang zelf beleeft. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat nu een concreet plan opgesteld gaat worden om het contact tussen [de minderjarige] en de vader tot stand te laten komen. Het is daarom heel belangrijk dat dit traject wordt doorgezet. De kinderrechter is het niet eens met de moeder dat de GI een vertragende factor in de situatie is; uit de stukken blijkt immers dat de GI in het afgelopen half jaar heel sensitief is omgegaan met alles wat er naar voren is gebracht in deze zaak. Dit alles in het belang van [de minderjarige] , zodat zij zich veilig en gehoord voelt. De kinderrechter merkt overigens op dat uit de beschikking van de meervoudige kamer van 18 november 2024 niet blijkt dat er maar één omgangsmoment plaats zou hoeven vinden, maar dat een laatste poging moet worden ondernomen om een begeleide, opbouwende omgang tussen [de minderjarige] en de vader te organiseren. Gelet op de stukken en wat er ter zitting naar voren is gebracht is de kinderrechter van oordeel dat dit niet in het vrijwillig kader voortgezet kan worden. Hoewel de moeder ter zitting heeft aangegeven dat de omgang in het vrijwillig kader opgestart kan worden, heeft de kinderrechter hier geen vertrouwen in nu de moeder tot nu toe ambivalent is geweest in haar medewerking. Ook is nog niet gebleken dat de moeder [de minderjarige] daadwerkelijk emotionele toestemming geeft voor het contact met de vader. Uit het verweerschrift van de zijde van de moeder blijkt ook dat zij het niet eens is met de uitspraak van de meervoudige kamer; zij acht het schadelijk voor [de minderjarige] om het contact met vader te herstellen als zij zich dermate duidelijk uitspreekt hier niet voor open te staan. De kinderrechter acht het dan ook in het belang van [de minderjarige] dat het patroon doorbroken wordt en daarbij is de regie van de GI nodig, zodat [de minderjarige] op latere leeftijd haar beide ouders niets kan verwijten.
5.3.
De verwachting lijkt gerechtvaardigd dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aanwezige problematiek, de ingezette hulpverlening en de huidige stand van zaken in het traject om te komen tot contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] , zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen met zes maanden en het verzoek voor het overige afwijzen. De kinderrechter wijst de GI erop dat doorgepakt moet worden zodat de (opbouwende) omgang binnen een half jaar is gerealiseerd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot
13 oktober 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 15 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.