Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-04-10
ECLI:NL:RBNHO:2025:3954
Bestuursrecht
Wraking
1,130 tokens
Dictum
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: 364009 HA RK 25-52
Dictum
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekster] ,
[adres] ,
verzoekster,
Het verzoek is gericht tegen:
mr. J.C. Brouwer,
hierna te noemen: de rechter.
1
Procesverloop
1.1
Verzoekster heeft op 9 april 2025 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank team Belastingrecht aanhangige zaken met als zaaknummers HAA 24/3364 en 24/3365, hierna te noemen: de hoofdzaken.
1.2
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.3
Van behandeling van het verzoek ter zitting van de wrakingskamer is afgezien, omdat het verzoek zoals hierna wordt toegelicht kennelijk niet is gericht tegen de (behandelend) rechter en overigens kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, Wrakingsprotocol rechtbank Noord-Holland).
Beoordeling
2.1
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:16 van die wet moet het verzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.2
In de hoofdzaak is de inspecteur van ’s Rijks belastingen de wederpartij. In een beslissing van 28 november 2024 heeft de rechtbank in andere samenstelling, te weten mr. [naam rechter] , de beperking van de kennisneming tot de rechtbank gerechtvaardigd geacht van bepaalde (delen van) door de verweerder in de hoofdzaak overgelegde stukken. Die (delen van) stukken blijven daarmee voor verzoekster geheim. Die stukken betreffen een of meer mandaatsbesluiten. De beperking van de kennisneming ziet op de naam/namen van de belastingmedewerkers die in dat stuk worden genoemd.
2.3
Het wrakingsverzoek heeft verzoekster onder verwijzing naar de 8:29-beslissing van 28 november 2024 gebaseerd op de stelling dat de beslissing tot beperking van de kennisneming onjuist is en dat sprake is van een ongeldig en oncontroleerbaar mandaat.
2.4
De gronden in het wrakingsverzoek zien daarmee in de eerste plaats in wezen op mr. [naam rechter] , die op het geheimhoudingsverzoek heeft beslist, maar de zaak verder niet (meer) behandelt. Het tegen de thans behandelend rechter gerichte verzoek is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.
2.5
De wrakingskamer wijst er voorts op dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden reeds in november 2024 met de 8:29-beslissing aan verzoekster bekend zijn geworden, zodat het verzoek ook te laat is gedaan.
2.6
De 8:29-beslissing is bovendien een procesbeslissing waarvan de juistheid niet in een wrakingsincident aan de orde kan worden gesteld (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL: HR:2018:1413).
2.7
Voor zover verzoekster aanvoert dat het mandaat van de belastinginspecteur ongeldig zou zijn, betreft dat een beroepsgrond in de hoofdzaak, waarop de rechter moet beslissen. Een aldus geformuleerde beroepsgrond is geen feit of omstandigheid die van invloed kan zijn op de de rechterlijke onpartijdigheid.
2.8
Dictum
De rechtbank
3.1
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,
3.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
3.3
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. J.H.A.C. Everaerts en mr. L.M. Kos leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van B.R. van Tongeren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2025.[concipiënt_initialen]
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.