Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-08
ECLI:NL:RBNHO:2025:3938
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,008 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11021076 \ CV EXPL 24-2113
Uitspraakdatum: 8 januari 2025
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap Finish Box Selfstorage B.V. h.o.d.n. Finish Box
te Wormerveer
de eisende partij
gemachtigde: Swier cs gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
Procesverloop
1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
Beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 1.383,50 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De vordering is gebaseerd op (i) een huurovereenkomst voor een opslagruimte (hierna: de huurovereenkomst) en (ii) een huurovereenkomst voor een stallingsplaats (hierna: de stallingsovereenkomst). Deze overeenkomsten zijn gesloten tussen een handelaar en een consument anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.3.
De eisende partij heeft voldoende toegelicht en onderbouwd dat ten aanzien van beide overeenkomsten is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.4.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Incassobedingen
2.5.
De artikelen 10.2 en 10.3 van de huurovereenkomst en artikel 6.b. van de Stallingsvoorwaarden 2018 hebben onder meer betrekking op buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter heeft deze bedingen getoetst en ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten niet oneerlijk bevonden.
Rentebedingen
2.6.
Artikel 10.1 van de huurovereenkomst betreft een rentebeding. Dat beding luidt als volgt: ‘Indien geen (volledige) automatische incasso heeft kunnen plaatsvinden, is huurder aan verhuurder een vertragingsrente verschuldigd ter grootte van 2% per maand, cumulatief te berekenen over de hoofdsom. (…)’
2.7.
De bedongen rente bedraagt in dit geval 2% per maand. Dat is meer dan de wettelijke handelsrente op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Het rentebeding is daarom oneerlijk. Daarom is de kantonrechter voornemens om dit beding te vernietigen. Alvorens daartoe over te gaan, wordt de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte over dat voornemen en de eventuele gevolgen voor de vordering uit te laten.
2.8.
Ook artikel 6.b. van de Stallingsvoorwaarden betreft een rentebeding. Dat beding heeft de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Prijswijzigingsbedingen
2.9.
De artikelen 3.5 en 3.6 van de huurovereenkomst hebben betrekking op het verhogen van de huurprijs. Die artikelen luiden als volgt:
‘3.5. Verhuurder heeft het recht de huurprijs te verhogen. Een dergelijke huurprijsverhoging zal verhuurder altijd schriftelijk aan huurder kenbaar maken. De huurprijsverhoging gaat 30 dagen na voornoemde kennisgeving in.
3.6.
Indien huurder niet wenst in te stemmen met een aangekondigde huurprijsverhoging, heeft hij het recht de overeenkomst binnen 7 dagen na kennisgeving van de huurprijsverhoging schriftelijk op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van 14 dagen.’
2.10.
Dit beding valt onder artikel 3 lid 3 sub 1 onder ‘l’ van de blauwe lijst behorende bij Richtlijn 93/13/EEG. Op grond van dat artikel in samenhang met vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie is een prijswijzigingsbeding slechts aanvaardbaar wanneer de gronden voor de prijswijziging in de overeenkomst of algemene voorwaarden worden genoemd en deze een geldige reden voor wijziging vormen. De consument dient verder een reële mogelijkheid te hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging.
2.11.
Aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet het hiervoor geciteerde prijswijzigingsbeding niet. Het bevat namelijk geen gronden voor de prijswijziging. Dit beding is daarom oneerlijk. Om die reden is de kantonrechter voornemens om deze artikelen te vernietigen vanwege het oneerlijke karakter. Alvorens daartoe over te gaan, wordt de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte over dat voornemen en de eventuele gevolgen voor de vordering uit te laten.
2.12.
In artikel 2.f. van de Stallingsvoorwaarden 2018 staat ook een prijswijzigingsbeding. Uit de stukken blijkt echter dat de eisende partij de prijs gedurende de looptijd van de stallingsovereenkomst niet heeft gewijzigd, zodat dit beding geen verband houdt met de onderhavige vordering. Daarom zal de kantonrechter dit beding niet toetsen op (on)eerlijkheid.
Conclusie
2.13.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen.
2.14.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
2.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 5 februari 2025 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).
HvJ EU 26 april 2012, C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 en HvJ EU 21 maart 2013 (RWE Vertrieb), C-92/11, ECLI:C:EU:2013:180; zie ook het Rapport Ambtshalve Toetsing III pag. 35 en 36.