Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-07
ECLI:NL:RBNHO:2025:382
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,391 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/358436 / JU RK 24-1611
Datum uitspraak: 7 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift (met bijlagen), ontvangen op 30 oktober 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] van de GI.
De moeder is – hoewel daartoe schriftelijk uitgenodigd – niet verschenen
[de minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 26 april 2023 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 26 juli 2023. Ook heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor [de minderjarige] voor de duur van vier weken, onder aanhouding van het meer verzochte.
2.3.
Bij beschikking van 4 mei 2023 heeft de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor [de minderjarige] tot 26 juli 2023.
2.4.
Bij beschikking van 24 juli 2023 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 26 juli 2024 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd tot 26 juli 2024.
2.5.
Bij beschikking van 26 januari 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 26 juli 2024.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 juli 2024 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 26 januari 2025.
2.7.
Bij beschikking van 15 oktober 2024 is een spoedmachtiging uithuisplaatsing afgegeven voor verblijf in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken, onder aanhouding van het meer verzochte.
2.8.
Bij beschikking van 28 oktober 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend voor [de minderjarige] tot 26 januari 2025.
2.9.
[de minderjarige] verblijft sinds november 2024 in een woning van [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt voor [de minderjarige] de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Al met al is er een positieve ontwikkeling bij [de minderjarige] zichtbaar. [de minderjarige] is in november 2024 vanuit een crisisplek van Embrace the Future doorgestroomd naar een jongerenwoning van [accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Voorts heeft [de minderjarige] zelf de stap gezet naar Family Supporters voor mentale ondersteuning. De gesprekken tussen [de minderjarige] en Family Supporters verlopen constructief. Hoewel de schoolgang van [de minderjarige] nog wisselend verloopt, is er wel een grote intrinsieke motivatie bij [de minderjarige] om haar diploma te behalen. Naast school heeft [de minderjarige] een bijbaantje als pizzabezorger. Er zijn echter ook nog zorgen, zoals de relatie van [de minderjarige] met een man van 40 jaar en de kwetsbare relatie tussen [de minderjarige] en haar moeder. Het toezicht vanuit de GI is nog steeds nodig om de situatie van [de minderjarige] te monitoren en het contact tussen de moeder en [de minderjarige] te herstellen. Een thuisplaatsing is niet meer aan de orde.
Beoordeling
4.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2.
Het is de kinderrechter duidelijk dat [de minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Hoewel [de minderjarige] positieve stappen zet in haar ontwikkeling, gemotiveerd is voor school, een bijbaantje heeft en zelf Family Supporters heeft benaderd om te praten over haar problemen, zijn er ook nog de nodige zorgen, zoals de relatie met een veel oudere man, de kwetsbare relatie tussen [de minderjarige] en haar moeder en haar schoolgang. De aanwezigheid van de GI is nodig om de situatie van [de minderjarige] te monitoren en er vooral op toe te zien dat [de minderjarige] verstandige keuzes leert maken op weg naar zelfstandigheid. Gezien de coöperatieve houding van [de minderjarige] en het inzicht dat zij de hulp en begeleiding nodig heeft om stappen te maken, heeft de kinderrechter er vertrouwen in dat zij daarin zal slagen.
4.3.
De concrete ontwikkelingsbedreigingen waaraan gewerkt moet worden zijn:
- de zorgen rondom de seksuele ontwikkeling van [de minderjarige] ;
- de kwetsbare relatie tussen [de minderjarige] en de moeder;
- de kwetsbare identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] , waardoor het haar niet altijd lukt
om de juiste keuzes te maken.
4.4.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur
van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW).
4.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] met een jaar noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
4.6.
Na de laatste thuisplaatsing van [de minderjarige] , die medio oktober 2024 met een spoeduithuisplaatsing is geëindigd, is duidelijk dat een thuisplaatsing niet meer haalbaar en ook niet meer wenselijk is. Hoewel [de minderjarige] en de moeder zelf inzien dat het beter is als [de minderjarige] niet meer thuis komt wonen, zal de kinderrechter het verzoek toch toewijzen omdat een machtiging tot uithuisplaatsing verplicht is als een minderjarige niet meer thuis woont en er sprake is van een ondertoezichtstelling (artikel 1:265a BW).
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot 26 januari 2026;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot 26 januari 2026;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2025 door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, in aanwezigheid van T.B.A. Verbeij als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.