Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-03-19
ECLI:NL:RBNHO:2025:3717
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,752 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10860628 \ CV EXPL 24-20
Uitspraakdatum: 19 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de vennootschap naar het recht harer vestiging
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eiseres
hierna gezamenlijk te noemen: AirHelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof (Lof Legal Services)
tegen
de buitenlandse vennootschap
Egyptair Airlines Company
gevestigd te Caïro (Egypte)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Warendorf advocaten)
De zaak in het kort
AirHelp heeft van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk capaciteitsreductie als gevolg van de coronapandemie. De vervoerder heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen of te beperken. De vordering van AirHelp wordt toegewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: de passagiers) hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 23 september 2022 vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport, via Caïro International Airport (Egypte), naar Jomo Kenyatta International Airport, Nairobi (Kenia), met vluchtcombinatie MS758 en MS849.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht MS758 van Amsterdam naar Caïro vertraagd uitgevoerd. Hierdoor hebben de passagiers hun overstap gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht en zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben hun eventuele vorderingsrecht overgedragen aan AirHelp.
2.4.
AirHelp heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.5.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
AirHelp vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- en de proceskosten.
3.2.
AirHelp baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Ten eerste heeft de vervoerder aangevoerd dat hij rauwelijks is gedagvaard. In de aanmaning heeft AirHelp namens de passagiers compensatie gevorderd, terwijl AirHelp de eisende partij is. Daarmee heeft AirHelp de vervoerder de kans ontnomen om de zaak buiten procedure te regelen. Bij de conclusie van dupliek voert de vervoerder nog aan dat de aanmaning niet voldoet aan de bepaling in artikel 6:82 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Er is namelijk niet medegedeeld wat de consequenties zouden zijn bij het niet betalen van de gevorderde compensatie. AirHelp betwist dit. De vervoerder heeft de aanmaning ontvangen en zelf bij de conclusie van antwoord als productie overgelegd. De procespartijen zijn verplicht om alle voor de beslissing relevante informatie volledig en waarheidsgetrouw aan te voeren. De vervoerder heeft daarom in strijd met artikel 21 Rechtsvordering gehandeld, omdat hij heeft ontkent dat AirHelp de aanmaning heeft gestuurd. Daarnaast is de vervoerder door AirHelp aangesproken in de ‘letter before action’ die is verstuurd via haar emailadres. De kantonrechter overweegt als volgt. De e-mail luidt – voor zover relevant – als volgt: ‘On behalf of the following passenger, commissioned by AirHelp, I hereby would like to address the following’. Daarmee is voldoende aangetoond dat de aanmaning (mede) namens AirHelp is verstuurd en dus door de juiste partij aan de vervoerder is verzonden. De vervoerder heeft ook niet betwist dat de aanmaning hem heeft bereikt. Daarnaast staat in de ‘letter before action’ dat ze bij het niet uitbetalen over zullen gaan tot dagvaarden. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake.
4.3.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.4.
De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. De kantonrechter overweegt echter dat, ongeacht of de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, de vervoerder niet voldoende heeft aangetoond dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) volgt dat, indien de passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Als onbetwist staat vast dat de passagiers zijn omgeboekt naar een vlucht waarmee zij 24 uur later dan oorspronkelijk gepland in Nairobi zijn aangekomen. Het is aan de vervoerder om in een dergelijk geval aan te tonen dat er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de alternatief aangeboden vlucht.
4.5.
De vervoerder stelt dat hij de passagiers op de eerst beschikbare alternatieve vlucht heeft omgeboekt. Door de congestie en capaciteitsreductie hadden alle luchtvaartmaatschappijen te maken met het vinden van alternatieve vluchten met beschikbare plaatsen. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder zijn verweer op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft niet met stukken aangetoond dat er geen eerdere alternatieve vluchten van hemzelf of van andere luchtvaartmaatschappijen beschikbaar waren. Dit had wel op zijn weg gelegen. Daarom heeft de vervoerder onvoldoende onderbouwd dat de alternatieve vlucht een redelijke maatregel was. Daarnaast voert de vervoerder aan dat hij niet verplicht is om de passagiers de keuze te geven uit alle vluchten van de dag. De kantonrechter volgt de vervoerder hierin niet. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vervoerder naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk heeft gemaakt dat de alternatief aangeboden vlucht een redelijke maatregel vormt. Dit betekent dat ook als de vertraging het gevolg zou zijn geweest van buitengewone omstandigheden, de vervoerder AirHelp moet compenseren. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering zal worden toegewezen aan AirHelp.
4.6.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door AirHelp worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan AirHelp van € 1200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2023, tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van AirHelp tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 129,14;griffierecht € 328,00;salaris gemachtigde € 408,00;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten, voor zover AirHelp daadwerkelijk nakosten zullen maken
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
5.5.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10860628 \ CV EXPL 24-20
Uitspraakdatum: 19 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de vennootschap naar het recht harer vestiging
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eiseres
hierna gezamenlijk te noemen: AirHelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof (Lof Legal Services)
tegen
de buitenlandse vennootschap
Egyptair Airlines Company
gevestigd te Caïro (Egypte)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Warendorf advocaten)
De zaak in het kort
AirHelp heeft van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk capaciteitsreductie als gevolg van de coronapandemie. De vervoerder heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen of te beperken. De vordering van AirHelp wordt toegewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: de passagiers) hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 23 september 2022 vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport, via Caïro International Airport (Egypte), naar Jomo Kenyatta International Airport, Nairobi (Kenia), met vluchtcombinatie MS758 en MS849.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht MS758 van Amsterdam naar Caïro vertraagd uitgevoerd. Hierdoor hebben de passagiers hun overstap gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht en zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben hun eventuele vorderingsrecht overgedragen aan AirHelp.
2.4.
AirHelp heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.5.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
AirHelp vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- en de proceskosten.
3.2.
AirHelp baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Ten eerste heeft de vervoerder aangevoerd dat hij rauwelijks is gedagvaard. In de aanmaning heeft AirHelp namens de passagiers compensatie gevorderd, terwijl AirHelp de eisende partij is. Daarmee heeft AirHelp de vervoerder de kans ontnomen om de zaak buiten procedure te regelen. Bij de conclusie van dupliek voert de vervoerder nog aan dat de aanmaning niet voldoet aan de bepaling in artikel 6:82 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Er is namelijk niet medegedeeld wat de consequenties zouden zijn bij het niet betalen van de gevorderde compensatie. AirHelp betwist dit. De vervoerder heeft de aanmaning ontvangen en zelf bij de conclusie van antwoord als productie overgelegd. De procespartijen zijn verplicht om alle voor de beslissing relevante informatie volledig en waarheidsgetrouw aan te voeren. De vervoerder heeft daarom in strijd met artikel 21 Rechtsvordering gehandeld, omdat hij heeft ontkent dat AirHelp de aanmaning heeft gestuurd. Daarnaast is de vervoerder door AirHelp aangesproken in de ‘letter before action’ die is verstuurd via haar emailadres. De kantonrechter overweegt als volgt. De e-mail luidt – voor zover relevant – als volgt: ‘On behalf of the following passenger, commissioned by AirHelp, I hereby would like to address the following’. Daarmee is voldoende aangetoond dat de aanmaning (mede) namens AirHelp is verstuurd en dus door de juiste partij aan de vervoerder is verzonden. De vervoerder heeft ook niet betwist dat de aanmaning hem heeft bereikt. Daarnaast staat in de ‘letter before action’ dat ze bij het niet uitbetalen over zullen gaan tot dagvaarden. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake.
4.3.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.4.
De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. De kantonrechter overweegt echter dat, ongeacht of de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, de vervoerder niet voldoende heeft aangetoond dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) volgt dat, indien de passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Als onbetwist staat vast dat de passagiers zijn omgeboekt naar een vlucht waarmee zij 24 uur later dan oorspronkelijk gepland in Nairobi zijn aangekomen. Het is aan de vervoerder om in een dergelijk geval aan te tonen dat er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de alternatief aangeboden vlucht.
4.5.
De vervoerder stelt dat hij de passagiers op de eerst beschikbare alternatieve vlucht heeft omgeboekt. Door de congestie en capaciteitsreductie hadden alle luchtvaartmaatschappijen te maken met het vinden van alternatieve vluchten met beschikbare plaatsen. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder zijn verweer op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft niet met stukken aangetoond dat er geen eerdere alternatieve vluchten van hemzelf of van andere luchtvaartmaatschappijen beschikbaar waren. Dit had wel op zijn weg gelegen. Daarom heeft de vervoerder onvoldoende onderbouwd dat de alternatieve vlucht een redelijke maatregel was. Daarnaast voert de vervoerder aan dat hij niet verplicht is om de passagiers de keuze te geven uit alle vluchten van de dag. De kantonrechter volgt de vervoerder hierin niet. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vervoerder naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk heeft gemaakt dat de alternatief aangeboden vlucht een redelijke maatregel vormt. Dit betekent dat ook als de vertraging het gevolg zou zijn geweest van buitengewone omstandigheden, de vervoerder AirHelp moet compenseren. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering zal worden toegewezen aan AirHelp.
4.6.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door AirHelp worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan AirHelp van € 1200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2023, tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van AirHelp tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 129,14;griffierecht € 328,00;salaris gemachtigde € 408,00;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten, voor zover AirHelp daadwerkelijk nakosten zullen maken
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
5.5.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter