Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-26
ECLI:NL:RBNHO:2025:3714
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
5,654 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10648782 \ CV EXPL 23-5117
Uitspraakdatum: 26 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1]
2. [eiser 2]
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Egypt Airlines Company
gevestigd te Caïro (Egypte)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Warendorf Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de coronapandemie en de daarmee veroorzaakte capaciteitsreductie op Schiphol. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- de akte eisers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 3 december 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Caïro International Airport naar Kigali International Airport, met vluchtcombinatie MS758 en MS835.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht MS758 van Amsterdam naar Caïro (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de overstap op de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Ook verzoekt de passagier de kantonrechter om een certificaat af te geven als bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening 1215/2012 (hierna: de Brussel I bis-Verordening)
3.3.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.4.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.3.
Volgens de vervoerder had de vlucht in kwestie een vertrekvertraging van 55 minuten. Deze vertraging bestond uit: 27 minuten vertraging door de late aankomst van de voorgaande vlucht, 8 minuten vertraging door restricties van de luchtverkeersleiding, 15 minuten vertraging door congestie bij de security en 5 minuten vertraging door onvoldoende capaciteit op Schiphol. De vervoerder doet alleen ten aanzien van de laatste drie vertragingsoorzaken een beroep op buitengewone omstandigheden, omdat deze veroorzaakt zijn door de congestie op de luchthaven Schiphol. Indien de buitengewone omstandigheden zich niet hadden voorgedaan, was de vlucht 28 minuten eerder aangekomen in Caïro. De passagiers zouden dan om 21:09 uur (lokale tijd) aankomen en hadden de aansluitende vlucht van 21:50 uur (lokale tijd) gehaald. De buitengewone omstandigheden waren het gevolg van de restricties van de luchtverkeersleiding, waardoor de capaciteit van de luchthaven naar beneden moest worden bijgesteld. Deze buitengewone omstandigheden zijn niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de vervoerder. De vervoerder kon hier geen invloed op uitoefenen.
4.4.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren – samengevat – aan dat de vervoerder al ver voor de vluchtdatum bekend was met de problemen op Schiphol. Luchtvaartmaatschappijen hadden regelmatig overleg met Schiphol en waren zelf verantwoordelijk voor het verminderen van het aantal passagiers. Zij konden voor de 14 dagen termijn vluchten annuleren. Daarom had de vervoerder zelf invloed op de problematiek op Schiphol, aldus de passagiers. Daarnaast gaan de nieuwsberichten die de vervoerder heeft overgelegd over congestie op Schiphol vanaf de periode april 2022 tot en met september 2022 en dus voor de vlucht in kwestie. De vervoerder had ook onvoldoende buffertijd ingepland. De MCT (Minimum Connecting Time) op Caïro International Airport bedraagt 90 minuten en de passagiers hadden 70 minuten de tijd om de overstap te halen. De vervoerder is ook verplicht om 20 minuten bovenop de MCT in te plannen en dat heeft hij niet gedaan. Ten aanzien van de vertragingsoorzaken betwisten de passagiers dat er sprake was van buitengewone omstandigheden dan wel dat de vervoerder deze voldoende heeft onderbouwd met stukken.
4.5.
De vervoerder heeft hier tegenin gebracht dat de passagiers in strijd met artikel 85 lid 1 hebben gehandeld. Zij hebben 28 internetpublicaties in de voetnoten opgenomen, maar zij dienden deze aan de conclusie van repliek te hechten. Deze zijn niet behoorlijk in het geding gebracht. De verwijzing en hetgeen de passagiers hebben beoogd te stellen moet buiten beschouwing worden gelaten. Ten aanzien van de bekendheid van de Schipholproblematiek zegt de vervoerder dat hij de vluchtschema ruim een jaar voor de uitvoering van de vlucht opstelt en het niet redelijk is om van de vervoerder te verwachten dat hij eerder of later de vluchtschema opstelt. Daarnaast heeft de vervoerder een aantal vluchten geannuleerd en een aantal vluchten laten uitvoeren, waaronder de vlucht in kwestie. De MCT, zo stelt de vervoerder, was volgens het vluchtschema 80 minuten. De vervoerder brengt een nieuw productie in het geding, namelijk de vluchtgegevens van de aansluitende vlucht. De aansluitende vlucht naar Kigali is 1 uur en 14 minuten later vertrokken dan gepland. Dat betekent dat de passagiers een overstaptijd hadden van 1 uur en 50 minuten. De passagiers hadden de aansluitende vlucht kunnen halen.
4.6.
Er is geen reden geen acht te slaan op de verwijzingen in de voetnoten in de conclusie van repliek en hetgeen de passagiers in dit verband betogen buiten beschouwing te laten. De passagiers doen immers geen beroep op stukken, maar op informatie die in verband met de vermelding URL’s van de websites waarvan deze informatie afkomstig is ook voor de vervoerder eenvoudig terug te vinden is.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder zijn verweer met betrekking tot buitengewone omstandigheden voldoende heeft onderbouwd. Uit het vluchtrapport blijkt dat er restricties waren opgelegd door de luchtverkeersleiding en de vervoerder dient zich hier aan te houden. Echter heeft de vervoerder niet voldoende reservetijd ingepland in het vluchtschema van de passagiers. De vervoerder dient bij de planning van een vlucht redelijkerwijs rekening te houden met het risico op vertraging. In dit kader is een reservetijd van ten minste 20 minuten bovenop de minimale overstaptijd noodzakelijk. Dit is niet ingepland in de vluchtschema van de passagiers. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. Dit betekent dat de vordering van de passagier wordt toegewezen.
4.8.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.9.
De gevorderde afgifte van het certificaat als bedoeld in artikel 53 van de Brussel I bis-Verordening wordt bij gebrek aan belang afgewezen. Een dergelijk certificaat is bedoeld voor de tenuitvoerlegging van beslissingen in een EU-lidstaat en de vervoerder is niet in een lidstaat gevestigd.
4.10.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2022, tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 129,14;griffierecht € 214,00;salaris gemachtigde € 337,50;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10648782 \ CV EXPL 23-5117
Uitspraakdatum: 26 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1]
2. [eiser 2]
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Egypt Airlines Company
gevestigd te Caïro (Egypte)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Warendorf Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de coronapandemie en de daarmee veroorzaakte capaciteitsreductie op Schiphol. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- de akte eisers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 3 december 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Caïro International Airport naar Kigali International Airport, met vluchtcombinatie MS758 en MS835.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht MS758 van Amsterdam naar Caïro (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de overstap op de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
Ook verzoekt de passagier de kantonrechter om een certificaat af te geven als bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening 1215/2012 (hierna: de Brussel I bis-Verordening)
3.3.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.4.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.3.
Volgens de vervoerder had de vlucht in kwestie een vertrekvertraging van 55 minuten. Deze vertraging bestond uit: 27 minuten vertraging door de late aankomst van de voorgaande vlucht, 8 minuten vertraging door restricties van de luchtverkeersleiding, 15 minuten vertraging door congestie bij de security en 5 minuten vertraging door onvoldoende capaciteit op Schiphol. De vervoerder doet alleen ten aanzien van de laatste drie vertragingsoorzaken een beroep op buitengewone omstandigheden, omdat deze veroorzaakt zijn door de congestie op de luchthaven Schiphol. Indien de buitengewone omstandigheden zich niet hadden voorgedaan, was de vlucht 28 minuten eerder aangekomen in Caïro. De passagiers zouden dan om 21:09 uur (lokale tijd) aankomen en hadden de aansluitende vlucht van 21:50 uur (lokale tijd) gehaald. De buitengewone omstandigheden waren het gevolg van de restricties van de luchtverkeersleiding, waardoor de capaciteit van de luchthaven naar beneden moest worden bijgesteld. Deze buitengewone omstandigheden zijn niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de vervoerder. De vervoerder kon hier geen invloed op uitoefenen.
4.4.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren – samengevat – aan dat de vervoerder al ver voor de vluchtdatum bekend was met de problemen op Schiphol. Luchtvaartmaatschappijen hadden regelmatig overleg met Schiphol en waren zelf verantwoordelijk voor het verminderen van het aantal passagiers. Zij konden voor de 14 dagen termijn vluchten annuleren. Daarom had de vervoerder zelf invloed op de problematiek op Schiphol, aldus de passagiers. Daarnaast gaan de nieuwsberichten die de vervoerder heeft overgelegd over congestie op Schiphol vanaf de periode april 2022 tot en met september 2022 en dus voor de vlucht in kwestie. De vervoerder had ook onvoldoende buffertijd ingepland. De MCT (Minimum Connecting Time) op Caïro International Airport bedraagt 90 minuten en de passagiers hadden 70 minuten de tijd om de overstap te halen. De vervoerder is ook verplicht om 20 minuten bovenop de MCT in te plannen en dat heeft hij niet gedaan. Ten aanzien van de vertragingsoorzaken betwisten de passagiers dat er sprake was van buitengewone omstandigheden dan wel dat de vervoerder deze voldoende heeft onderbouwd met stukken.
4.5.
De vervoerder heeft hier tegenin gebracht dat de passagiers in strijd met artikel 85 lid 1 hebben gehandeld. Zij hebben 28 internetpublicaties in de voetnoten opgenomen, maar zij dienden deze aan de conclusie van repliek te hechten. Deze zijn niet behoorlijk in het geding gebracht. De verwijzing en hetgeen de passagiers hebben beoogd te stellen moet buiten beschouwing worden gelaten. Ten aanzien van de bekendheid van de Schipholproblematiek zegt de vervoerder dat hij de vluchtschema ruim een jaar voor de uitvoering van de vlucht opstelt en het niet redelijk is om van de vervoerder te verwachten dat hij eerder of later de vluchtschema opstelt. Daarnaast heeft de vervoerder een aantal vluchten geannuleerd en een aantal vluchten laten uitvoeren, waaronder de vlucht in kwestie. De MCT, zo stelt de vervoerder, was volgens het vluchtschema 80 minuten. De vervoerder brengt een nieuw productie in het geding, namelijk de vluchtgegevens van de aansluitende vlucht. De aansluitende vlucht naar Kigali is 1 uur en 14 minuten later vertrokken dan gepland. Dat betekent dat de passagiers een overstaptijd hadden van 1 uur en 50 minuten. De passagiers hadden de aansluitende vlucht kunnen halen.
4.6.
Er is geen reden geen acht te slaan op de verwijzingen in de voetnoten in de conclusie van repliek en hetgeen de passagiers in dit verband betogen buiten beschouwing te laten. De passagiers doen immers geen beroep op stukken, maar op informatie die in verband met de vermelding URL’s van de websites waarvan deze informatie afkomstig is ook voor de vervoerder eenvoudig terug te vinden is.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder zijn verweer met betrekking tot buitengewone omstandigheden voldoende heeft onderbouwd. Uit het vluchtrapport blijkt dat er restricties waren opgelegd door de luchtverkeersleiding en de vervoerder dient zich hier aan te houden. Echter heeft de vervoerder niet voldoende reservetijd ingepland in het vluchtschema van de passagiers. De vervoerder dient bij de planning van een vlucht redelijkerwijs rekening te houden met het risico op vertraging. In dit kader is een reservetijd van ten minste 20 minuten bovenop de minimale overstaptijd noodzakelijk. Dit is niet ingepland in de vluchtschema van de passagiers. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. Dit betekent dat de vordering van de passagier wordt toegewezen.
4.8.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.9.
De gevorderde afgifte van het certificaat als bedoeld in artikel 53 van de Brussel I bis-Verordening wordt bij gebrek aan belang afgewezen. Een dergelijk certificaat is bedoeld voor de tenuitvoerlegging van beslissingen in een EU-lidstaat en de vervoerder is niet in een lidstaat gevestigd.
4.10.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 december 2022, tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 129,14;griffierecht € 214,00;salaris gemachtigde € 337,50;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter