Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-10
ECLI:NL:RBNHO:2025:353
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,222 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/360079 / JU RK 24-1873
Datum uitspraak: 10 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
advocaat mr. S.B.J. Hiemstra te Haarlem.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 december 2024;
de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 12 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [de minderjarige] met zijn advocaat;
- de moeder;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
De moeder is tijdens de zitting telefonisch bijgestaan door een tolk in de [taal] taal.
1.4.
Onderhavig verzoek is gelijktijdig met het verzoek om een verlenging van de ondertoezichtstelling behandeld (zaaknummer: C/15/360319 / JU RK 24-1918). Voorafgaand aan de behandeling van deze verzoeken is de vordering opheffing schorsing voorlopige hechtenis behandeld door de raadkamer gevangenhouding. Die vordering is toegewezen waardoor [de minderjarige] direct in hechtenis is genomen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 1 maart 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 1 maart 2025. Heden is de ondertoezichtstelling verlengd tot de meerderjarigheid van [de minderjarige] , te weten tot 5 september 2025.
2.3.
De kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) heeft bij beschikking van 11 juli 2024 een machtiging verleend om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 11 januari 2025.
2.4.
[de minderjarige] verblijft op basis van voornoemde machtiging op een gesloten afdeling van een accommodatie van [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] in [plaats] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier maanden.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek schrijft de GI in het verzoekschrift het volgende. De eerste maanden nadat de machtiging gesloten jeugdhulp was verleend, verbleef [de minderjarige] nog binnen de JJI. Nadat in september 2024 een plek vrij is gekomen op de gesloten groep is [de minderjarige] per 19 september 2024 geschorst van de voorlopige hechtenis en geplaatst bij ‘ [gesloten groep] ’, de gesloten groep van [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] . Vanaf de plaatsing bij ‘ [gesloten groep] ’ laat [de minderjarige] positief gedrag en een positieve ontwikkeling zien. Hij accepteert het als grenzen worden gesteld en doet het goed op de groep. [de minderjarige] wil niet meer in de JJI terechtkomen en laat zien dat hij zich positief kan gedragen. [de minderjarige] gaat inmiddels ook met onbegeleide verloven. Verder gaat [de minderjarige] op het terrein van [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] naar school. De school ziet dat hij een positieve werkhouding heeft. [de minderjarige] haalt goede cijfers, kan zelfstandig werken en maakt goed contact. Daarnaast heeft [de minderjarige] wekelijks individuele therapie en zal de systeemtherapeut samen met [de minderjarige] tweewekelijks naar [plaats] reizen om systeemtherapie te kunnen bieden aan het gezin (de moeder en [de minderjarige] ). Tot slot is het NIFP-onderzoek bijna afgerond. Zowel [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] als de GI vinden het belangrijk om de huidige plaatsing te continueren met vier maanden. De uitslag van het NIFP-onderzoek kan dan worden meegenomen bij het bepalen van de vervolgstappen. [de minderjarige] zit op zijn plek en het is nu niet in zijn belang om een wisseling van woonplek te hebben. Het kleinschalige gesloten karakter van de groep is nog nodig. Op de open groep is gebleken dat [de minderjarige] zich onttrekt op het moment dat het lastig voor hem wordt om terug te komen van verlof of wanneer de therapie ingewikkeld voor hem is. De komende maanden is het belangrijk om de duidelijke kaders van de geslotenheid in te kunnen zetten daar waar dat nodig is, om een nieuwe breuk in de ingezette therapie te voorkomen. Daarnaast zal ook geoefend worden met het bieden van meer vrijheden, wanneer [de minderjarige] dat aankan.
3.3.
Ter zitting is naar voren gebracht dat [de minderjarige] sinds een paar weken een forse terugval heeft meegemaakt. Zo is hij weggelopen en weggebleven van de groep, heeft hij een groepsleider bedreigd en een groepsgenoot aangevallen, gaat hij niet goed meer naar school en valt zijn ex-vriendin lastig. Bij het stagnatiegesprek dat stond gepland om de zorgen te bespreken is hij niet verschenen. Het is nog onduidelijk of hij kan terugkeren naar de groep. Een complicerende factor hierbij is dat [de minderjarige] een nonchalante houding aanneemt en de problemen niet erkent. Bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] wordt nu bekeken/besproken of hij kan terugkeren naar de groep en zo ja, onder welke voorwaarden. De terugkeer wordt vooralsnog niet veilig geacht voor de groep en de groepsleiding. Omdat hij zich aan meerdere schorsingsvoorwaarden niet heeft gehouden, heeft de jeugdbeschermer zich genoodzaakt gezien om het reclasseringstoezicht in zijn strafzaak terug te melden. De GI houdt vast aan het verzoek om de machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen. Duidelijk moet worden waarom weer sprake is van een heftige terugval terwijl het al een paar maanden redelijk goed ging. Hopelijk kan de komende periode een goed plan worden gemaakt in het licht van het NIFP-rapport dat bijna gereed is. De jeugdbeschermer zal zich er hard voor maken dat [de minderjarige] met een goed plan weer geschorst wordt uit de voorlopige hechtenis en kan terugkeren naar [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] . Het heeft namelijk veel moeite gekost om deze plek te vinden en hier heeft hij al een therapie gehad. Het is in het belang van [de minderjarige] dat hij de therapie bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] kan afmaken. Aan de hand van het NIFP-rapport kunnen ook de verdere vervolgstappen worden bepaald.
4Het standpunt van de gedragswetenschapper
4.1.
De uitslag van het NIFP onderzoek is nog niet bekend, maar wel van belang met betrekking tot de vervolgstappen. Zoals in de rapportage staat heeft [de minderjarige] de afgelopen twee tot drie maanden een positieve ontwikkeling doorgemaakt, maar het is op dit moment nog onzeker in hoeverre deze ontwikkeling op de verschillende gebieden zich voortzet. De verlenging van de gesloten machtiging is noodzakelijk ten behoeve van de continuïteit van de ingezette hulpverlening en behandeling ter voorbereiding van een passende vervolgplek en dagbesteding voor [de minderjarige] .
5De standpunten
5.1.
De moeder is het eens met het verzoek en geeft aan dat [de minderjarige] niet naar haar terug kan keren.
5.2.
[de minderjarige] begrijpt het verzoek. Het liefst gaat hij begeleid wonen in [plaats] . Als dat nog niet kan wil hij graag doorstromen naar een open groep op hetzelfde terrein, zodat alles hetzelfde blijft, maar hij wel vaker zijn telefoon mag hebben.
Beoordeling
bevoegdheid
6.1.
Door de omstandigheid dat [de minderjarige] en de moeder staatloos zijn, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de GI. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek jo. artikel 7 Brussel II ter rechtsmacht toe ter zake van het verzoek. Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het verzoek van toepassing is. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht op het verzoek van toepassing.
Beoordeling
6.2.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie (nadat hij uit detentie is) noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen (artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet). Het is duidelijk dat [de minderjarige] vanwege zijn problematiek en de verstoorde relatie met de moeder, na zijn detentie, niet kan terugkeren naar huis en verdere behandeling nodig heeft. De komende periode zal dan ook gezocht worden naar een passende vervolgplek. Daarbij zal hij ook zijn individuele therapie moeten voortzetten en is het geïndiceerd om samen met de moeder systeemtherapie te volgen. Met de therapie wordt hij namelijk in staat gesteld de gebeurtenissen in het verleden te verwerken en toe te komen aan een gezonde ontwikkeling. Bij het vinden van een vervolgplek en andere vervolgstappen zal gelet op de complexe problematiek van [de minderjarige] in samenhang bezien met de hoge risicofactoren, maatwerk moeten worden geleverd op grond van het NIFP-rapport, dat op korte termijn wordt verwacht. De duidelijke kaders van de geslotenheid zijn na detentie derhalve noodzakelijk om de therapieën te continueren en te doen slagen, [de minderjarige] te laten oefenen met vrijheden en een passende vervolgplek en dagbesteding te vinden voor hem.
6.3.
De kinderrechter machtigt de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier maanden.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 10 januari 2025 tot 10 mei 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2025, in aanwezigheid van mr. N.S. van Lede-Terhaar sive Droste als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld en getekend op 14 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.