Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-03-28
ECLI:NL:RBNHO:2025:3449
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,263 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/479 en HAA 25/496
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 maart 2025 in de zaken tussen
1HAA 25/479
de besloten vennootschap [verzoekster 1]
verzoekster 1,
hierna: [verzoekster 1] ,
gemachtigde: mr. R. van der Hulle, advocaat te Amsterdam,
en
de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (hierna: ANVS),
gemachtigde: mr. E. Koornwinder, advocaat de Den Haag,
en
2HAA 25/496
[verzoekster 2]
,
verzoekster 2,
hierna: [verzoekster 2] ,
gemachtigde: mr. J.C. van Oosten, advocaat te Amsterdam,
en
ANVS,
gemachtigde ook: mr. E. Koornwinder, advocaat te Den Haag.
Beide verzoeksters zijn gevestigd in Alkmaar.
Als derde-partij neemt aan beide zaken deel: [naam stichting] (hierna: [naam stichting] ) uit Amsterdam.
Inleiding
1.1.
[verzoekster 1] heeft samen met (de rechtsvoorganger van) [verzoekster 2] het “Preliminary Safety Analysis Report” (PSAR) opgesteld en aan ANVS verstrekt. Het PSAR heeft betrekking op een door [verzoekster 2] gebouwde nucleaire reactor voor de productie van medische isotopen en nucleair onderzoek, de [verzoekster 2] -reactor, in [plaats] . ANVS heeft het PSAR beoordeeld.
1.2.
Op 9 maart 2023 heeft [naam stichting] ANVS verzocht om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) van onder meer het PSAR en het document waarin de beoordeling van dat rapport door ANVS en het Duitse Geselschaft für Anlagen- und Reactorsicherheit (GRS) is vervat.
1.3.
In het primaire besluit van 26 februari 2024 heeft ANVS besloten tot openbaarmaking van de in het verzoek van [naam stichting] bedoelde documenten met uitzondering van (enige) gegevens die de persoonlijke levenssfeer van in de documenten voorkomende personen betreffen, gegevens die de veiligheid van de Staat kunnen schaden en gegevens die zien op vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens. Het gaat om 66 documenten. Tegen het besluit hebben verzoeksters afzonderlijk bezwaar gemaakt. Met zijn uitspraak van 16 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het primaire besluit geschorst waardoor de openbaarmaking van het PSAR en het beoordelingsrapport was opgeschort tot na de beslissing op bezwaar.
1.4.
Met afzonderlijke besluiten van 9 januari 2025 (hierna: de bestreden besluiten) heeft ANVS de bezwaren van verzoeksters gedeeltelijk gegrond verklaard en beslist minder informatie openbaar te maken onder verwijzing naar de weigeringsgronden vertrouwelijk gedeelde bedrijfs- en fabricagegegevens en de veiligheid van de Staat.
1.5.
Verzoeksters hebben afzonderlijk beroep ingesteld en verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Zij verzoeken de bestreden besluiten te schorsen zodat het openbaar maken van de documenten achterwege blijft tot onherroepelijk over de besluiten is geoordeeld, maar in ieder geval tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank op de beroepen. Zij voeren aan dat openbaarmaking van het PSAR geheel geweigerd moet worden.
1.6.
Op 5 maart 2025 heeft ANVS op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. Gelet op de betrokken belangen bij de hier aan de orde zijnde documenten en de onomkeerbaarheid van openbaarmaking, verzoekt ANVS de voorzieningenrechter in dit geval de verzoeken toe te wijzen.
1.7.
Op 12 maart 2025 heeft [naam stichting] desgevraagd op de verzoeken gereageerd en gemeld in te stemmen met het standpunt van ANVS en zich niet te verzetten tegen het toewijzen van het verzoek om voorlopige voorziening.
1.8.
Op 12 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter partijen bericht dat gelet op de standpunten van partijen de behandeling van de verzoeken ter zitting achterwege wordt gelaten en dat de voorzieningenrechter op de stukken zal beslissen.
Beoordeling
2.1.
De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2.
Openbaarmaking van het PSAR brengt mee dat de door verzoeksters bedoelde gegevens bij derden bekend worden. Hoewel het besluit tot openbaar maken nog wel kan worden teruggedraaid na de beoordeling in beroep, kan het feitelijk bekend worden van die gegevens bij derden dan niet meer ongedaan worden gemaakt. Verzoeksters hebben daarom (een voldoende) belang bij de verzochte voorziening.
2.3.
Nu de andere partijen zich voorts niet verzetten tegen toewijzing van het verzoek, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie
3.1.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken als volgt toe en treft de voorlopige voorziening dat de bestreden besluiten en het primaire besluit worden geschorst. Dat betekent dat de openbaarmaking voor zover ANVS daartoe heeft besloten, nog achterwege blijft.
3.2.
De voorzieningenrechter ziet geen grond om, zoals verzoeksters hebben gevraagd, de besluiten en daarmee de openbaarmaking op te schorten totdat de besluiten op het Woo-verzoek in rechte onaantastbaar zijn geworden, dan wel tot zes weken na de uitspraak in beroep. Zoals ANVS terecht heeft aangevoerd, vervalt een door de voorzieningenrechter getroffen voorziening immers op grond van artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, Awb zodra de rechtbank op het beroep heeft beslist. Indien verzoeksters menen dan aanspraak te hebben op en behoefte te hebben aan een voorlopige voorziening, zullen zij dat vòòr de uitspraak aan de rechtbank (ex artikel 8:72, vijfde lid, Awb) of daarna aan de voorzieningenrechter uit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kunnen verzoeken.
3.3.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat ANVS het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeksters ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten. De voorzieningenrechter ziet gelet op artikel 8:84, vijfde lid, in combinatie met artikel 8:75 Awb geen grond om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. Dat, zoals ANVS zelf ook erkend, nu eenmaal de systematiek van de Woo is dat alleen met toewijzing van een verzoek om een voorlopige voorziening de openbaarmaking van de informatie hangende beroep kan worden opgeschort en ANVS het besluit niet verder zelf kan opschorten, is onvoldoende reden om de proceskosten bij verzoeksters te laten. ANVS moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoeksters een vast bedrag per proceshandeling. Voor beide verzoeksters geldt dat hun gemachtigden elk een verzoekschrift hebben ingediend. Van samenhangende zaken is geen sprake omdat de gemachtigden niet deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan € 907,- per verzoekster.
Dictum
De voorzieningenrechter:
schorst de bestreden besluiten en het primaire besluit tot de uitspraak op de beroepen;
bepaalt dat ANVS het griffierecht van € 770,- aan verzoeksters moet vergoeden (€ 385,- per verzoekster);
veroordeelt de ANVS tot betaling van € 1814,- aan proceskosten (€ 907,- per verzoekster).
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Stichting Voorbereiding [verzoekster 2] -reactor.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, tweede lid, aanhef en onder e, en zesde lid, Woo.
ECLI:NL:RBAMS:2024:2147.
Geregistreerd onder de zaaknummers HAA 25/475 en HAA 25/497.
Artikel 4.4, vijfde lid, Woo.