Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-08
ECLI:NL:RBNHO:2025:3344
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,984 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 10981751 \ CV EXPL 24-693
Vonnis van 8 januari 2025
in de zaak van
WONINGSTICHTING DEN HELDER,
te Den Helder ,
eisende partij,
hierna te noemen: Woningstichting Den Helder ,
gemachtigde: mr. M.C. Dirks,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. J. de Haan,
gedaagde partijen,
verder te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
De zaak in het kort
Eiseres vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege achterstallige huurbetalingen. Verder vordert eiser hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van de achterstallige huurbetalingen. Gedaagde sub 1 is niet verschenen, tegen haar is verstek verleend. Gedaagde sub 2 voert geen verweer tegen de ontbinding en ontruiming. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen. Gedaagde sub 2 is het niet eens met de vordering tot hoofdelijke betaling van de achterstallige huur. Hij meent dat hij geen medehuurder meer is. De kantonrechter volgt dit niet en wijst ook dit deel van de vordering toe.
1Het procesverloop
1.1.
Woningstichting Den Helder heeft bij dagvaarding van 22 februari 2024 een vordering tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingesteld. [gedaagde 2] heeft schriftelijk geantwoord. [gedaagde 1] is niet verschenen daarom is tegen [gedaagde 1] verstek verleend.
1.2.
Op 21 november 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat [gedaagde 2] ter toelichting van zijn standpunt naar voren heeft gebracht. Woningstichting Den Helder heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.
Feiten
2.1.
Op 26 februari 2021 is een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen Woningstichting Den Helder en [gedaagde 1] als hoofdhuurder en [gedaagde 2] als medehuurder voor de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor een huurprijs van momenteel € 466,58 per maand. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden 2017 van toepassing.
2.2.
In een kortgedingvonnis van 17 april 2023 heeft de kantonrechter bij voorlopige voorziening geoordeeld dat [gedaagde 2] de woning moet verlaten en dat [gedaagde 1] met hun zoon in de woning mag verblijven. Woningstichting Den Helder was geen partij in deze procedure.
2.3.
In de periode van juli 2023 tot en met mei 2024 is de huur niet betaald ondanks meerdere aanmaningen.
Geschil
3.1.
Woningstichting Den Helder vordert - samengevat - dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ontbindt en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om de woning met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woningstichting Den Helder te stellen. Verder vordert zij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 3.732,64 aan huurachterstand en € 489,99 aan incassokosten, te vermeerderen met de huurpenningen vanaf 1 maart 2024 en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.732,64 vanaf 14 februari 2024.
3.2.
Woningstichting Den Helder legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich hoofdelijk hebben verbonden tot betaling van de huur. Het niet betalen van de huur is een toerekenbare tekortkoming, deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst.
3.3.
[gedaagde 2] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning
4.1.
Woningstichting Den Helder vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. [gedaagde 1] is niet verschenen in de procedure en [gedaagde 2] heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. De vordering wordt toegewezen omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
4.2.
Gelet op de ingrijpende gevolgen voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekenis van dit vonnis.
betaling van de huurachterstand
4.3.
Naast ontbinding van de huurovereenkomst vordert Woningstichting Den Helder betaling van de huurachterstand. Ten tijde van de dagvaarding was de hoogte van de huurachterstand € 3.732,64. Ter zitting heeft Woningstichting Den Helder gesteld dat de huurachterstand inmiddels is opgelopen tot € 5.115,59 omdat ook de huur van maart, april en mei 2024 niet is betaald. Woningstichting Den Helder heeft verder ter zitting verklaart dat de huur vanaf juni 2024 tot en met november 2024 wel is betaald. De hoogte van de huurachterstand wordt niet betwist. De kantonrechter gaat daar dan ook van uit.
4.4.
Vast staat dat partijen de huurovereenkomst zijn aangegaan met [gedaagde 1] als hoofdhuurder en [gedaagde 2] als medehuurder. [gedaagde 2] voert verweer tegen de hoofdelijke veroordeling tot betaling van de huurachterstand. [gedaagde 2] voert daartoe onder andere aan dat hij er – na het kort geding vonnis – op mocht vertrouwen dat de toenmalige advocaat van [gedaagde 1] een verzoek zou doen bij Woningstichting Den Helder om [gedaagde 1] als hoofdhuurder te registreren en om het medehuurderschap van [gedaagde 2] door te halen. [gedaagde 2] verwijst hierbij naar e-mailcorrespondentie tussen zijn toenmalige advocaat en de toenmalige advocaat van [gedaagde 1] , die dit lijkt toe te zeggen. Woningstichting Den Helder stelt terecht dat een eventueel bij [gedaagde 2] gewekt vertrouwen niet aan haar kan worden tegengeworpen. Zij heeft nooit een verzoek gehad om het medehuurderschap van [gedaagde 2] door te halen. Voor zover [gedaagde 2] dacht dat hij geen huurder meer was, is dit vertrouwen niet gewekt door Woningstichting Den Helder, en kan haar dan ook niet worden tegengeworpen.
4.5.
[gedaagde 2] voert verder nog aan dat Woningstichting Den Helder op de hoogte was dat hij niet meer in de woning woonde, omdat zij haar brieven alleen richtte aan [gedaagde 1] en niet aan [gedaagde 2] . [gedaagde 2] zegt hieruit op te maken dat hij voor de Woningstichting Den Helder niet meer als medehuurder geregistreerd stond. Woningstichting Den Helder zegt hierover dat zij brieven alleen adresseren aan de hoofdhuurder, omdat hun automatisering dit zo doet. Wat daarvan zij, ook het feit dat Woningstichting Den Helder haar brieven richtte aan [gedaagde 1] heeft er naar het oordeel van de kantonrechter niet voor kunnen zorgen dat [gedaagde 2] gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat Woningstichting Den Helder wist dat [gedaagde 2] niet meer in de woning woonde en dat hij daardoor niet meer als medehuurder van de woning had te gelden. Dit verweer slaagt niet.
4.6.
Verder voert [gedaagde 2] aan dat het vonnis in kort geding in dit geval zou moeten werken als een declaratoire uitspraak. De uitspraak zou daardoor werking hebben tegenover Woningstichting Den Helder. Woningstichting Den Helder voert aan dat een declaratoire uitspraak in kort geding niet mogelijk is, hetgeen in dat vonnis ook expliciet wordt overwogen. In kort geding is slechts een voorlopige voorziening toegewezen waarin wordt bepaald dat [gedaagde 1] gedurende de bodemprocedure uitsluitend gerechtigd wordt tot het gebruik van de woning en van [gedaagde 2] de woning moet verlaten.
De kantonrechter oordeelt dat deze uitspraak in kort geding niet dezelfde werking heeft als een vonnis in een bodemprocedure en kan dus niet van rechtswege hebben gezorgd voor een einde aan het medehuurderschap van [gedaagde 2] . Het verweer van [gedaagde 2] slaagt dus niet. Verder stelt Woningstichting Den Helder nog dat [gedaagde 2] zelf geen verzoek heeft gedaan om zijn medehuurderschap te beëindigen, dit wordt door [gedaagde 2] niet betwist.
4.7.
De vordering tot hoofdelijke veroordeling tot betaling van de huurachterstand wordt toegewezen.
4.8.
[gedaagde 1] is niet verschenen waarna de kantonrechter verstek tegen haar heeft verleend. Ingevolge artikel 140 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt tussen partijen één vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
Ambtshalve toetsing van:
huurovereenkomst sociale huurwoning
(hierna: de huurovereenkomst) en
Algemene huurvoorwaarden 2017
(hierna: de algemene voorwaarden)
4.9.
Gelet op de huurprijs bij aanvang van de huur is sprake van sociale huur.
4.10.
Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en consument-huurders, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument (in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn)). Dit kan immers gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. Artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
4.11.
Bedingen waaraan de huurder gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk als deze in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de rechten en plichten die de huurder op grond van de overeenkomst heeft, aanzienlijk verstoort in het nadeel van de huurder. Het gaat om een beoordeling van de bedingen op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Of de verhuurder de huurder ook daadwerkelijk aan die bedingen houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is niet relevant. Als een beding wegens onredelijkheid wordt vernietigd, kan de verhuurder niet terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over het zelfde onderwerp.
Rente en buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
In de algemene voorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
Artikel 6.1: ‘(…) Vanaf de eerste dag van de maand is huurder voor de termijn voor die maand in verzuim en is hij wettelijke rente verschuldigd.
Artikel 13: “Indien huurder een uit hoofde van de overeenkomst of uit andere hoofde overeengekomen verschuldigd bedrag niet volledig en stipt op de vervaldag voldoet, dan verkeert deze partij direct vanaf de vervaldag in verzuim en is deze partij vanaf die dag de wettelijke rente verschuldigd.
Daarnaast is de huurder die in verzuim verkeert en die een natuurlijk persoon is, niet handelend in de uitvoering van beroep of bedrijf, een vergoeding verschuldigd voor de redelijke incassokosten, zulks met in achtneming van artikel 6:96 leden 2 tot en met 6 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de verschuldigde incassokosten wordt berekend conform artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, waarbij tenminste het aldaar opgenomen minimumbedrag van € 40,- verschuldigd zal zijn.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen gesloten huurovereenkomst,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om het perceel aan het adres [adres] te [woonplaats] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin bevindende personen en zaken – voor zover deze laatste niet het eigendom van Woningstichting Den Helder zijn – en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woningstichting Den Helder te stellen,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Woningstichting Den Helder te betalen een bedrag van € 5.115,59, zijnde de huurachterstand tot en met mei 2024,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarnaast hoofdelijk om aan Woningstichting Den Helder € 466,58 per maand aan huur te betalen, te rekenen vanaf 1 december 2024 tot de dag van ontbinding,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.446,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.
Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 10981751 \ CV EXPL 24-693
Vonnis van 8 januari 2025
in de zaak van
WONINGSTICHTING DEN HELDER,
te Den Helder ,
eisende partij,
hierna te noemen: Woningstichting Den Helder ,
gemachtigde: mr. M.C. Dirks,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. J. de Haan,
gedaagde partijen,
verder te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
De zaak in het kort
Eiseres vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege achterstallige huurbetalingen. Verder vordert eiser hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van de achterstallige huurbetalingen. Gedaagde sub 1 is niet verschenen, tegen haar is verstek verleend. Gedaagde sub 2 voert geen verweer tegen de ontbinding en ontruiming. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen. Gedaagde sub 2 is het niet eens met de vordering tot hoofdelijke betaling van de achterstallige huur. Hij meent dat hij geen medehuurder meer is. De kantonrechter volgt dit niet en wijst ook dit deel van de vordering toe.
1Het procesverloop
1.1.
Woningstichting Den Helder heeft bij dagvaarding van 22 februari 2024 een vordering tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingesteld. [gedaagde 2] heeft schriftelijk geantwoord. [gedaagde 1] is niet verschenen daarom is tegen [gedaagde 1] verstek verleend.
1.2.
Op 21 november 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat [gedaagde 2] ter toelichting van zijn standpunt naar voren heeft gebracht. Woningstichting Den Helder heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.
Feiten
2.1.
Op 26 februari 2021 is een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen Woningstichting Den Helder en [gedaagde 1] als hoofdhuurder en [gedaagde 2] als medehuurder voor de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) voor een huurprijs van momenteel € 466,58 per maand. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden 2017 van toepassing.
2.2.
In een kortgedingvonnis van 17 april 2023 heeft de kantonrechter bij voorlopige voorziening geoordeeld dat [gedaagde 2] de woning moet verlaten en dat [gedaagde 1] met hun zoon in de woning mag verblijven. Woningstichting Den Helder was geen partij in deze procedure.
2.3.
In de periode van juli 2023 tot en met mei 2024 is de huur niet betaald ondanks meerdere aanmaningen.
Geschil
3.1.
Woningstichting Den Helder vordert - samengevat - dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ontbindt en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om de woning met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woningstichting Den Helder te stellen. Verder vordert zij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 3.732,64 aan huurachterstand en € 489,99 aan incassokosten, te vermeerderen met de huurpenningen vanaf 1 maart 2024 en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.732,64 vanaf 14 februari 2024.
3.2.
Woningstichting Den Helder legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich hoofdelijk hebben verbonden tot betaling van de huur. Het niet betalen van de huur is een toerekenbare tekortkoming, deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst.
3.3.
[gedaagde 2] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning
4.1.
Woningstichting Den Helder vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. [gedaagde 1] is niet verschenen in de procedure en [gedaagde 2] heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. De vordering wordt toegewezen omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
4.2.
Gelet op de ingrijpende gevolgen voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekenis van dit vonnis.
betaling van de huurachterstand
4.3.
Naast ontbinding van de huurovereenkomst vordert Woningstichting Den Helder betaling van de huurachterstand. Ten tijde van de dagvaarding was de hoogte van de huurachterstand € 3.732,64. Ter zitting heeft Woningstichting Den Helder gesteld dat de huurachterstand inmiddels is opgelopen tot € 5.115,59 omdat ook de huur van maart, april en mei 2024 niet is betaald. Woningstichting Den Helder heeft verder ter zitting verklaart dat de huur vanaf juni 2024 tot en met november 2024 wel is betaald. De hoogte van de huurachterstand wordt niet betwist. De kantonrechter gaat daar dan ook van uit.
4.4.
Vast staat dat partijen de huurovereenkomst zijn aangegaan met [gedaagde 1] als hoofdhuurder en [gedaagde 2] als medehuurder. [gedaagde 2] voert verweer tegen de hoofdelijke veroordeling tot betaling van de huurachterstand. [gedaagde 2] voert daartoe onder andere aan dat hij er – na het kort geding vonnis – op mocht vertrouwen dat de toenmalige advocaat van [gedaagde 1] een verzoek zou doen bij Woningstichting Den Helder om [gedaagde 1] als hoofdhuurder te registreren en om het medehuurderschap van [gedaagde 2] door te halen. [gedaagde 2] verwijst hierbij naar e-mailcorrespondentie tussen zijn toenmalige advocaat en de toenmalige advocaat van [gedaagde 1] , die dit lijkt toe te zeggen. Woningstichting Den Helder stelt terecht dat een eventueel bij [gedaagde 2] gewekt vertrouwen niet aan haar kan worden tegengeworpen. Zij heeft nooit een verzoek gehad om het medehuurderschap van [gedaagde 2] door te halen. Voor zover [gedaagde 2] dacht dat hij geen huurder meer was, is dit vertrouwen niet gewekt door Woningstichting Den Helder, en kan haar dan ook niet worden tegengeworpen.
4.5.
[gedaagde 2] voert verder nog aan dat Woningstichting Den Helder op de hoogte was dat hij niet meer in de woning woonde, omdat zij haar brieven alleen richtte aan [gedaagde 1] en niet aan [gedaagde 2] . [gedaagde 2] zegt hieruit op te maken dat hij voor de Woningstichting Den Helder niet meer als medehuurder geregistreerd stond. Woningstichting Den Helder zegt hierover dat zij brieven alleen adresseren aan de hoofdhuurder, omdat hun automatisering dit zo doet. Wat daarvan zij, ook het feit dat Woningstichting Den Helder haar brieven richtte aan [gedaagde 1] heeft er naar het oordeel van de kantonrechter niet voor kunnen zorgen dat [gedaagde 2] gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat Woningstichting Den Helder wist dat [gedaagde 2] niet meer in de woning woonde en dat hij daardoor niet meer als medehuurder van de woning had te gelden. Dit verweer slaagt niet.
4.6.
Verder voert [gedaagde 2] aan dat het vonnis in kort geding in dit geval zou moeten werken als een declaratoire uitspraak. De uitspraak zou daardoor werking hebben tegenover Woningstichting Den Helder. Woningstichting Den Helder voert aan dat een declaratoire uitspraak in kort geding niet mogelijk is, hetgeen in dat vonnis ook expliciet wordt overwogen. In kort geding is slechts een voorlopige voorziening toegewezen waarin wordt bepaald dat [gedaagde 1] gedurende de bodemprocedure uitsluitend gerechtigd wordt tot het gebruik van de woning en van [gedaagde 2] de woning moet verlaten.
De kantonrechter oordeelt dat deze uitspraak in kort geding niet dezelfde werking heeft als een vonnis in een bodemprocedure en kan dus niet van rechtswege hebben gezorgd voor een einde aan het medehuurderschap van [gedaagde 2] . Het verweer van [gedaagde 2] slaagt dus niet. Verder stelt Woningstichting Den Helder nog dat [gedaagde 2] zelf geen verzoek heeft gedaan om zijn medehuurderschap te beëindigen, dit wordt door [gedaagde 2] niet betwist.
4.7.
De vordering tot hoofdelijke veroordeling tot betaling van de huurachterstand wordt toegewezen.
4.8.
[gedaagde 1] is niet verschenen waarna de kantonrechter verstek tegen haar heeft verleend. Ingevolge artikel 140 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt tussen partijen één vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
Ambtshalve toetsing van:
huurovereenkomst sociale huurwoning
(hierna: de huurovereenkomst) en
Algemene huurvoorwaarden 2017
(hierna: de algemene voorwaarden)
4.9.
Gelet op de huurprijs bij aanvang van de huur is sprake van sociale huur.
4.10.
Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en consument-huurders, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument (in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn)). Dit kan immers gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. Artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
4.11.
Bedingen waaraan de huurder gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk als deze in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de rechten en plichten die de huurder op grond van de overeenkomst heeft, aanzienlijk verstoort in het nadeel van de huurder. Het gaat om een beoordeling van de bedingen op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Of de verhuurder de huurder ook daadwerkelijk aan die bedingen houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is niet relevant. Als een beding wegens onredelijkheid wordt vernietigd, kan de verhuurder niet terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over het zelfde onderwerp.
Rente en buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
In de algemene voorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
Artikel 6.1: ‘(…) Vanaf de eerste dag van de maand is huurder voor de termijn voor die maand in verzuim en is hij wettelijke rente verschuldigd.
Artikel 13: “Indien huurder een uit hoofde van de overeenkomst of uit andere hoofde overeengekomen verschuldigd bedrag niet volledig en stipt op de vervaldag voldoet, dan verkeert deze partij direct vanaf de vervaldag in verzuim en is deze partij vanaf die dag de wettelijke rente verschuldigd.
Daarnaast is de huurder die in verzuim verkeert en die een natuurlijk persoon is, niet handelend in de uitvoering van beroep of bedrijf, een vergoeding verschuldigd voor de redelijke incassokosten, zulks met in achtneming van artikel 6:96 leden 2 tot en met 6 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de verschuldigde incassokosten wordt berekend conform artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, waarbij tenminste het aldaar opgenomen minimumbedrag van € 40,- verschuldigd zal zijn.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen gesloten huurovereenkomst,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om het perceel aan het adres [adres] te [woonplaats] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin bevindende personen en zaken – voor zover deze laatste niet het eigendom van Woningstichting Den Helder zijn – en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woningstichting Den Helder te stellen,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Woningstichting Den Helder te betalen een bedrag van € 5.115,59, zijnde de huurachterstand tot en met mei 2024,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarnaast hoofdelijk om aan Woningstichting Den Helder € 466,58 per maand aan huur te betalen, te rekenen vanaf 1 december 2024 tot de dag van ontbinding,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.446,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.
Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Beoordeling
(…)”
Artikel 16: “Huurder is verplicht ten behoeve van verhuurder een onmiddellijk opeisbare boete van € 25,- per kalenderdag te betalen, indien hij één of meerdere van de gebods- of verbodsbepalingen uit deze Algemene Huurvoorwaarden overtreedt, onverminderd zijn verplichting om alsnog overeenkomstig deze Algemene Huurvoorwaarden te handelen en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding. Deze boete zal, zonder rechterlijke tussenkomst voor elke dag waarin de overtreding voortduurt, verschuldigd zijn, met een maximum van € 5.000,-.”
4.13.
De rentebedingen in de artikelen 6.1 en 13 van de algemene voorwaarden zijn in overeenstemming met de regeling in artikel 6:119 BW. Deze bedingen zijn daarom op zichzelf niet oneerlijk.
4.14.
In combinatie met het boetebeding in artikel 16 van de algemene voorwaarden zijn de rentebedingen wel oneerlijk. Het boetebeding wijkt immers ten nadele van de consument aanzienlijk af van artikel 6:92 BW, omdat de huurder naast de rente bij iedere tekortkoming
- dus ook niet tijdige huurbetaling - een boete van € 25,00 per dag moet betalen.
4.15.
Ook het incassokostenbeding is oneerlijk. Artikel 13 van de algemene voorwaarden bepaalt immers dat de huurder ook zonder verzending van de vereiste veertiendagenbrief (artikel 6:96 lid 6 BW) incassokosten verschuldigd is. De verwijzing naar artikel 6:96 lid 2 BW is – anders dan de eisende partij stelt - onvoldoende, omdat daaruit slechts volgt dat redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. Dat de eisende partij in dit geval wel een veertiendagenbrief aan de gedaagde partij heeft verstuurd, doet aan de oneerlijkheid van het beding niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt, is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding namelijk niet relevant. Ook de combinatie van het incassokostenbeding met het boetebeding maakt het eerste beding oneerlijk.
4.16.
De conclusie is dat sprake is van oneerlijke bedingen en daarom worden de artikelen 6.1, 13 en 16 van de algemene voorwaarden vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Dat heeft tot gevolg dat de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Na vernietiging van een oneerlijk beding kan immers geen aansprakelijk worden gemaakt op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke vergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.
proceskosten
4.17.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting Den Helder worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
273,44
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.446,44
Beoordeling
(…)”
Artikel 16: “Huurder is verplicht ten behoeve van verhuurder een onmiddellijk opeisbare boete van € 25,- per kalenderdag te betalen, indien hij één of meerdere van de gebods- of verbodsbepalingen uit deze Algemene Huurvoorwaarden overtreedt, onverminderd zijn verplichting om alsnog overeenkomstig deze Algemene Huurvoorwaarden te handelen en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding. Deze boete zal, zonder rechterlijke tussenkomst voor elke dag waarin de overtreding voortduurt, verschuldigd zijn, met een maximum van € 5.000,-.”
4.13.
De rentebedingen in de artikelen 6.1 en 13 van de algemene voorwaarden zijn in overeenstemming met de regeling in artikel 6:119 BW. Deze bedingen zijn daarom op zichzelf niet oneerlijk.
4.14.
In combinatie met het boetebeding in artikel 16 van de algemene voorwaarden zijn de rentebedingen wel oneerlijk. Het boetebeding wijkt immers ten nadele van de consument aanzienlijk af van artikel 6:92 BW, omdat de huurder naast de rente bij iedere tekortkoming
- dus ook niet tijdige huurbetaling - een boete van € 25,00 per dag moet betalen.
4.15.
Ook het incassokostenbeding is oneerlijk. Artikel 13 van de algemene voorwaarden bepaalt immers dat de huurder ook zonder verzending van de vereiste veertiendagenbrief (artikel 6:96 lid 6 BW) incassokosten verschuldigd is. De verwijzing naar artikel 6:96 lid 2 BW is – anders dan de eisende partij stelt - onvoldoende, omdat daaruit slechts volgt dat redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. Dat de eisende partij in dit geval wel een veertiendagenbrief aan de gedaagde partij heeft verstuurd, doet aan de oneerlijkheid van het beding niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt, is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding namelijk niet relevant. Ook de combinatie van het incassokostenbeding met het boetebeding maakt het eerste beding oneerlijk.
4.16.
De conclusie is dat sprake is van oneerlijke bedingen en daarom worden de artikelen 6.1, 13 en 16 van de algemene voorwaarden vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Dat heeft tot gevolg dat de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Na vernietiging van een oneerlijk beding kan immers geen aansprakelijk worden gemaakt op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke vergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.
proceskosten
4.17.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting Den Helder worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
273,44
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.446,44