Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-04-09
ECLI:NL:RBNHO:2025:3328
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,810 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 10991123 \ CV EXPL 24-758 WD
Vonnis van 9 april 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TORRES FRESH B.V., tot 1 mei 2023 genaamd JAN STAP B.V.,
te Barendrecht,
eisende partij,
verwerende partij tegen de tegenvordering,
hierna te noemen: Jan Stap,
gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CEBRU BEHEER B.V.,
te Zuid-Scharwoude,
gedaagde partij,
eisende partij met een tegenvordering,
hierna te noemen: Cebru,
gemachtigde: mr. H. van Lingen.
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om het volgende. Partijen hebben over en weer groenten en fruit aan elkaar verkocht en vorderen betaling van hun facturen. Na het leveren van tegenbewijs is de kantonrechter van oordeel dat partijen ter zake het fruit vaste verkoopprijzen zijn overeengekomen. Na het leveren van tegenbewijs is de kantonrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat Jan Stap een grote partij zoete aardappelen heeft besteld. Dit leidt er toe dat de kantonrechter Cebru veroordeelt tot betaling van een bedrag € 18.562,63. Dit is na verrekening van het aan Cebru toekomende bedrag van de erkende bestelling van een kleine partij zoete aardappelen. De tegenvordering van Cebru wordt afgewezen.
Procesverloop
2.1.
Op 23 oktober 2024 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Voor het verloop van deze procedure tot 23 oktober 2024 wordt naar dit vonnis verwezen.
2.2.
Op 16 januari 2025 heeft Jan Stap stukken ingediend.
2.3.
Op 17 januari 2025 heeft de kantonrechter getuigen gehoord. Van dit getuigenverhoor is proces-verbaal opgemaakt.
2.4.
Op 29 januari 2025 heeft Jan Stap zich uitgelaten over de inhoud van de door haar op 16 januari 2025 ingediende stukken.
2.5.
Op 12 maart 2025 heeft Cebru hierop gereageerd.
2.6.
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag uitspraak in de zaak zal worden gedaan.
3De verdere beoordeling
de vordering
3.1.
Tussen partijen is in geschil of partijen ter zake het door Jan Stap aan Cebru verkochte fruit vaste prijzen of richtprijzen zijn overeengekomen. In het vonnis van 23 oktober 2024 heeft de kantonrechter (i) op voorhand aangenomen dat partijen, zoals Jan Stap heeft gesteld, vaste verkoopprijzen zijn overeengekomen en (ii) Cebru in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren.
3.2.
Cebru heeft hierop de heer [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] , directeur van Cebru) (hierna: [getuige 2] ) als getuige gehoord.
3.3.
De kantonrechter moet beoordelen of Cebru geslaagd is in het leveren van tegenbewijs. Voor het slagen van tegenbewijs is het in het algemeen voldoende dat het door de andere partij (Jan Stap) geleverde bewijs wordt ontzenuwd. De kantonrechter moet daarom nagaan of de inhoud van de afgelegde verklaringen zodanige aanknopingspunten bevat dat daarmee het voorshandse vermoeden dat partijen vaste verkoopprijzen zijn overeengekomen, is ontzenuwd. Cebru is hier naar het oordeel van de kantonrechter niet in geslaagd. De kantonrechter legt uit waarom.
3.4.
Uit de door [getuige 2] en [getuige 1] afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat [getuige 2] meerdere jaren via [getuige 1] handel heeft gedreven en dat dat in overwegende mate ging op basis van richtprijzen. Ook blijkt uit de verklaringen dat [getuige 1] destijds nog niet voor Jan Stap werkte, maar als zelfstandige voor andere partijen. De problemen die in deze zaak centraal staan, vinden kennelijk (mede) hun oorzaak in het feit dat [getuige 1] zich op enig moment als zelfstandige aan Jan Stap heeft verbonden en dat Jan Stap in overwegende mate zaken doet op basis van een vaste verkoopprijs. Tegen die achtergrond bezien, is nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat Cebru en Jan Stap op basis van richtprijzen hebben gecontracteerd. Hiertoe overweegt de kantonrechter als volgt.
3.5.
Dat Cebru en [getuige 1] voorheen in overwegende mate hebben samengewerkt op basis van richtprijzen, werkt niet automatisch door in de rechtsverhouding tussen Cebru en Jan Stap. Slechts onder bijkomende omstandigheden is Jan Stap gebonden aan deze voorheen tussen Cebru en [getuige 1] geldende werkwijze. Dergelijke bijkomende omstandigheden zijn in deze procedure niet gesteld of gebleken. Dergelijke omstandigheden blijken evenmin uit de inhoud van de getuigenverklaringen.De inhoud van de afgenomen getuigenverklaringen werpen geen ander licht op de zaak. Deze verklaringen ontzenuwen niet de voorshandse aanname van de kantonrechter dat partijen vaste verkoopprijzen zijn overeengekomen.
3.6.
Bij de verdere beoordeling van dit geschil gaat de kantonrechter er dan ook van uit dat partijen vaste verkoopprijzen zijn overeengekomen. Het verweer van Cebru, dat van het tegendeel uitgaat, wordt verworpen. Dat Cebru een verkoopprijs van € 19.791,13 is verschuldigd, heeft zij voor het overige niet weersproken. De kantonrechter zal deze verkoopprijs als uitgangspunt nemen bij de verdere beoordeling.
3.7.
Cebru beroept zich op een verrekeningsverweer. Dit verrekeningsverweer ziet op de door Jan Stap van Cebru gekochte zoete aardappelen. Vast staat dat Jan Stap een kleine bestelling bij Cebru heeft geplaatst voor een bedrag op € 1.228,50. Niet in geschil is dat dit bedrag aan Cebru moet worden betaald. De kantonrechter zal dit bedrag hierna onder 3.14. bij wijze van verrekening op de vordering van Jan Stap in mindering brengen.
3.8.
Het verschil van mening ziet op de eventuele grotere order die door Jan Stap zou zijn geplaatst. Cebru stelt dat dit het geval is. Jan Stap betwist dit.
3.9.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 23 oktober 2024 geoordeeld dat voorshands vast staat dat Jan Stap deze grotere order heeft geplaatst en dat Cebru deze bestelde partij bij Jan Stap heeft afgeleverd. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 23 oktober 2024 Jan Stap in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren.
3.10.
De kantonrechter moet daarom nagaan of het door Jap Stap aangebrachte bewijsmateriaal, dat bestaat uit de getuigenverklaringen en de door haar op 16 januari 2025 ingediende stukken zodanige aanknopingspunten bevat dat daarmee het voorshandse vermoeden dat Jan Stap de grotere order heeft geplaatst en dat Cebru deze bestelde partij bij Jan Stap heeft afgeleverd, wordt ontzenuwd. De kantonrechter is van oordeel dat Jan Stap geslaagd is in het leveren van voldoende ontzenuwend tegenbewijs. De kantonrechter legt uit waarom.
3.11.
Vast staat dat [getuige 1] betrokken geweest zou moeten zijn bij de bestelling van de zoete aardappelen en bij de afhandeling van deze bestelling. Tijdens zijn getuigenverhoor heeft hij echter verklaard zich niet te kunnen herinneren dat hij (namens Jan Stap) zoete aardappelen bij Cebru heeft ingekocht. Gelet op het feit dat de objectiviteit van [getuige 1] tussen partijen als zodanig niet ter discussie staat, beschouwt de kantonrechter de inhoud van zijn verklaring als een belangrijke aanwijzing voor de juistheid van de betwisting van Jan Stap.
3.12.
Daarbij komt dat in de door Jan Stap uit haar eigen administratie overgelegde bescheiden ieder spoor van de in het geding zijnde grotere bestelling zoete aardappelen ontbreekt. Voor zover de kantonrechter kan nagaan, heeft Jan Stap voldoende inzage in haar administratie op dit punt gegeven. Daarbij komt dat de overgelegde bescheiden de kantonrechter op zichzelf authentiek voorkomen. Cebru heeft de authenticiteit en de volledigheid van deze stukken evenmin in twijfel getrokken.
3.13.
De kantonrechter stelt vast dat het procesdossier zowel aanwijzingen voor als aanwijzingen tegen de door Cebru gestelde en door Jan Stap betwiste bestelling en leverantie bevat. Alle aanwijzingen in onderlinge samenhang beschouwd, is de kantonrechter echter van oordeel dat er onvoldoende zekerheid bestaat om de ter discussie staande grotere bestelling en leverantie van zoete aardappelen als vaststaand aan te nemen. Jan Stap is er in geslaagd om het voorshandse vermoeden dat Jan Stap de grotere order heeft geplaatst en dat Cebru deze partij heeft afgeleverd, te ontzenuwen.In zoverre verwerpt de kantonrechter het verweer van Cebru alsnog.
3.14.
De door Jan Stap gevorderde hoofdsom ligt derhalve tot een bedrag van € 18.562,63 voor toewijzing gereed. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe de gedaagde partij zal worden veroordeeld. De kosten zijn toewijsbaar tot € 960,63.
3.15.
De gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW kan als zijnde onweersproken worden toegewezen.
3.16.
De kantonrechter zal, als gevorderd, een certificaat als bedoeld in artikel 53 van de Verordening EU nr. 1215/2012 afgeven.
Dictum
De kantonrechter
de vordering
4.1.
veroordeelt Cebru om aan Jan Stap te betalen een bedrag van € 18.562,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de dag van betaling;
4.2.
veroordeelt Cebru om aan Jan Stap ter zake buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 960,63 te betalen;
4.3.
veroordeelt Cebru tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Jan Stap worden vastgesteld op een bedrag van € 2.877,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Cebru niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af hetgeen anders of meer is gevorderd;
de tegenvordering
4.6.
wijst de vordering af;
4.7.
veroordeelt Cebru in de proceskosten van Jan Stap te begroten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.
Zie r.o. 5.9. van het tussenvonnis van 23 oktober 2024
€ 19.791,13 - € 1.228,5