Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-03-05
ECLI:NL:RBNHO:2025:2354
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
15,906 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
voorlopige voorzieningen/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/360535 / FA RK 24-6589
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 5 maart 2025
in de zaak van:
[de vrouw]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.C. Mens, kantoorhoudende te Hoofddorp,
tegen
[de man]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.Y.M. Renken, kantoorhoudende te Zoeterwoude.
1Procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties 1 en 2, van de vrouw, ingekomen op 24 december 2024;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met producties 1 t/m 11, van de man, ingekomen op 17 januari 2025;
- het F-formulier, met producties 12 t/m 15, van de advocaat van de man van 14 februari 2025;
- het F-formulier, met productie 16, van de advocaat van de man van 17 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 17 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlage, van de advocaat van de vrouw van 17 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlage, van de advocaat van de vrouw van 18 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlage, van de advocaat van de vrouw van 18 februari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 februari 2025 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. A.C. Mens en de man door mr. M.Y.M. Renken.
Mr. M.Y.M. Renken heeft ter zitting een pleitnota en een alimentatieberekening overgelegd.
1.3.
De minderjarige [de minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.
1.4.
De man en [de minderjarige] hebben (in ieder geval ook) de Nederlandse nationaliteit en de vrouw is [nationaliteit] Burger.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd.
2.2.
Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , op [geboortedatum] in [plaats] , [land] .
2.3.
De vrouw is tevens de moeder van [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] .
2.4.
Bij het vonnis van deze rechtbank van 30 januari 2025 is – kortgezegd - aan de vrouw bevolen haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning, waarbij is bepaald dat de levering van de woning niet eerder plaats vindt dan uiterlijk 1 oktober 2025 en is de vrouw bevolen de woning te ontruimen uiterlijk twee weken vόόr de levering aan de kopers.
Beoordeling
toevertrouwing minderjarige
3.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [de minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd.
De vrouw heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij altijd hoofdzakelijk voor [de minderjarige] heeft gezorgd. De man heeft een onderneming en werkt zeven dagen per week van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Omdat de vrouw wisselende diensten had ving hij de kinderen wel op uit school en zorgde hij voor schooltijd voor de kinderen. Inmiddels heeft de vrouw haar diensten aangepast zodat ze de kinderen zelf kan opvangen uit school. De vrouw vertrekt ’s ochtends om 5 uur naar haar werk en zorgt dan dat het ontbijt klaar staat. [de minderjarige] gaat met een busje naar school en [de minderjarige 2] begeleidt [de minderjarige] naar het busje. De vrouw was ook niet blij met situatie waarin de man de kinderen samen met de oma vz opving, de oma is hoogbejaard en heeft een slechte gezondheid. Ook heeft de vrouw zorgen over de opvoedvaardigheden van de man. De man behandelt [de minderjarige] als een klein kind, let niet op zijn scherm- en bedtijd en eet elke avond friet met hem. Er zijn geen regels bij de man en de kinderen lopen over hem heen. Voorts is het van belang dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige] bij elkaar blijven wonen. [de minderjarige 2] is [de minderjarige] ’ enige vriend en de kinderen willen niet van elkaar gescheiden worden. De vrouw betwist tot slot dat de man betrokken was bij de buitenschoolse activiteiten van [de minderjarige] . De vrouw regelde alles voor de kinderen en de kinderen kunnen niet zonder haar.
3.2.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft zelf verzocht om toevertrouwing van [de minderjarige] .
De man meent dat hij de nodige stabiele basis voor de kinderen kan bieden. [de minderjarige 2] is overigens ook meer dan welkom bij de man en de oma vz, waar de man nu verblijft. De man heeft [de minderjarige 2] altijd als zijn tweede zoon gezien. De man is diepgeraakt door de wijze waarop de vrouw hem in zijn rol als vader volledig diskwalificeert. [de minderjarige] heeft een goede band met beide ouders. [de minderjarige] en de man zijn heel hecht met elkaar en [de minderjarige] is ook hecht met de oma vz. [de minderjarige] bracht gedurende zijn schooljaren de middagen bij haar door, totdat de moeder dit begin januari 2025 ineens heeft verboden. Dit is onbegrijpelijk voor [de minderjarige] , een gevoelige en kwetsbare jongen met een ontwikkelingsachterstand.
De man is als zelfstandig ondernemer flexibel en in staat rekening te houden met de schooltijden en schema’s van de kinderen, zoals hij tijdens het huwelijk steeds heeft gedaan. De vrouw had afwijkende werktijden met wisselende roosters. Hierdoor waren de kinderen eraan gewend dat wanneer de vrouw vroege diensten had, de man met ze opstond en ervoor zorgde dat ze met een lunchpakket op tijd naar school gingen. Na school werd [de minderjarige] altijd door de oma vz. opgevangen. Na werk aten de man en [de minderjarige] bij oma, waarna de man [de minderjarige] weer afzette bij de vrouw. De man faciliteerde de buitenschoolse activiteiten van de kinderen en hielp [de minderjarige 2] bij het maken van huiswerk. De man had dus, ook nadat hij de echtelijke woning medio 2023 verliet, altijd een grote rol in het dagelijks leven van de kinderen. Tot verdriet van de man benadrukt de vrouw continue dat hij niet de vader is van [de minderjarige 2] en weert de vrouw hem steeds verder uit het leven van [de minderjarige 2] en sinds kort ook uit het leven van [de minderjarige] . Sinds januari 2025 heeft de vrouw een ander rooster waardoor ze in middag thuis kan zijn en sinds de kerstvakantie 2024/2025 mag [de minderjarige] niet meer naar oma. De vrouw staat enkel nog toe dat de man [de minderjarige] op vrijdag van school haalt en met hem eet. Het lijkt erop dat de vrouw een wig tussen de man en [de minderjarige] probeert te drijven. Sinds kort weet de man dat iHip Familiezorg (voorheen Altra) bij [de minderjarige] en de vrouw betrokken is. Tot zijn blijdschap zal de man hier ook bij betrokken worden. De man is bang dat hij nog verder uit het leven van [de minderjarige] wordt geweerd als [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd.
3.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot toevertrouwing.
3.4.
De rechtbank zal [de minderjarige] aan de man toevertrouwen. Daartoe is het volgende redengevend. De rechtbank is van oordeel dat het zorgwekkend is dat het contact tussen de man en [de minderjarige] met ingang van januari 2025 rigoureus is verminderd. Dit is te meer het geval omdat [de minderjarige] een kwetsbare jongen is met een ontwikkelingsachterstand en kenmerken van autisme. Hoewel de rechtbank alleen over [de minderjarige] kan beslissen, overweegt de rechtbank daarbij dat het in het belang van beide kinderen is dat hun contact met de man wordt hersteld. De ouders dienen een gelijkwaardige ouderrol en de helft van de zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen, waarbij [de minderjarige 2] zich hopelijk vrij voelt om zich bij zijn (stief)vader en broer aan te sluiten. De ouders zijn ruim acht jaar getrouwd wat met zich meebrengt dat de man belangrijk is geweest bij de ontwikkeling van de inmiddels 17-jarige [de minderjarige 2] . Nu de vrouw de man (grotendeels) uit het leven van beide kinderen weert en voorts geen enkel concreet voorstel tot een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] heeft gedaan, zal [de minderjarige] aan de man worden toevertrouwd zodat het contact tussen de man en [de minderjarige] kan worden hersteld. Van belang daarbij is dat de man, in tegenstelling tot de vrouw, een voorstel tot een ruime zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] heeft gedaan en heeft benadrukt dat beide ouders belangrijk zijn voor de kinderen. Daarbij is ook van belang dat op de zitting naar voren is gekomen dat de vrouw de man aanvankelijk niet heeft betrokken bij de hulpverlening en pas onlangs bij iHip Familiezorg duidelijk is geworden dat de man wel degelijk een betrokken vader is en dus verantwoordelijkheid over [de minderjarige] kan en wil dragen. Dat de inzichten van de ouders over hoe de kinderen moeten worden grootgebracht sterk van elkaar verschillen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank gaat ervan uit dat de ingeschakelde hulpverlening eventuele zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders zal meenemen in de hulpverlening en de ouders zal begeleiden waar nodig.
zorgregeling
3.5.
De man heeft, bij gewijzigd verzoek ter zitting, verzocht een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen tussen de [de minderjarige] en de vrouw waarbij [de minderjarige] de ene week van zondag 17.00 uur tot woensdag naar school bij de vrouw is en de andere week van zaterdag 10.00 uur tot woensdag naar school, alsook 50% van de feest- en vakantiedagen.
3.6.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de zorgregeling.
3.7.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen nu dit neerkomt op een gelijkwaardige zorgregeling. De man dient [de minderjarige] daarbij de ene week op zaterdag om 10.00 uur bij de vrouw af te zetten en de andere week op zondag om 17.00. Ter zitting is ter sprake gekomen dat de vrouw het heel vervelend vindt dat de man [de minderjarige] vaak niet op het afgesproken tijdstip terugbrengt.
Conclusie
3.19.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van 5 maart 2025 een partnerbijdrage van € 478 bruto per maand aan de vrouw moet betalen.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
wordt toevertrouwd aan de man;
4.2.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
[de minderjarige] verblijft bij de vrouw:
- de ene week van zondag 17.00 uur tot woensdag naar school;
- de andere week van zaterdag 10.00 uur tot woensdag naar school,
- de helft van de feest- en vakantiedagen, in onderling overleg te bepalen;
waarbij heeft te gelden dat de man [de minderjarige] in het weekend op bovengenoemde tijdstippen bij de vrouw brengt;
4.3.
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op € 478 per maand bij vooruitbetaling te voldoen;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.J. van Schie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025. Bij ontstentenis van de rechter is deze beschikking ondertekend door mr. E.C.M. van Mierlo, rechter, tevens teamvoorzitter.
Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
voorlopige voorzieningen/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/360535 / FA RK 24-6589
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 5 maart 2025
in de zaak van:
[de vrouw]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.C. Mens, kantoorhoudende te Hoofddorp,
tegen
[de man]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.Y.M. Renken, kantoorhoudende te Zoeterwoude.
1Procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties 1 en 2, van de vrouw, ingekomen op 24 december 2024;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met producties 1 t/m 11, van de man, ingekomen op 17 januari 2025;
- het F-formulier, met producties 12 t/m 15, van de advocaat van de man van 14 februari 2025;
- het F-formulier, met productie 16, van de advocaat van de man van 17 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 17 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlage, van de advocaat van de vrouw van 17 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlage, van de advocaat van de vrouw van 18 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlage, van de advocaat van de vrouw van 18 februari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 februari 2025 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. A.C. Mens en de man door mr. M.Y.M. Renken.
Mr. M.Y.M. Renken heeft ter zitting een pleitnota en een alimentatieberekening overgelegd.
1.3.
De minderjarige [de minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.
1.4.
De man en [de minderjarige] hebben (in ieder geval ook) de Nederlandse nationaliteit en de vrouw is [nationaliteit] Burger.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd.
2.2.
Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , op [geboortedatum] in [plaats] , [land] .
2.3.
De vrouw is tevens de moeder van [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] .
2.4.
Bij het vonnis van deze rechtbank van 30 januari 2025 is – kortgezegd - aan de vrouw bevolen haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning, waarbij is bepaald dat de levering van de woning niet eerder plaats vindt dan uiterlijk 1 oktober 2025 en is de vrouw bevolen de woning te ontruimen uiterlijk twee weken vόόr de levering aan de kopers.
Beoordeling
toevertrouwing minderjarige
3.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [de minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd.
De vrouw heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij altijd hoofdzakelijk voor [de minderjarige] heeft gezorgd. De man heeft een onderneming en werkt zeven dagen per week van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Omdat de vrouw wisselende diensten had ving hij de kinderen wel op uit school en zorgde hij voor schooltijd voor de kinderen. Inmiddels heeft de vrouw haar diensten aangepast zodat ze de kinderen zelf kan opvangen uit school. De vrouw vertrekt ’s ochtends om 5 uur naar haar werk en zorgt dan dat het ontbijt klaar staat. [de minderjarige] gaat met een busje naar school en [de minderjarige 2] begeleidt [de minderjarige] naar het busje. De vrouw was ook niet blij met situatie waarin de man de kinderen samen met de oma vz opving, de oma is hoogbejaard en heeft een slechte gezondheid. Ook heeft de vrouw zorgen over de opvoedvaardigheden van de man. De man behandelt [de minderjarige] als een klein kind, let niet op zijn scherm- en bedtijd en eet elke avond friet met hem. Er zijn geen regels bij de man en de kinderen lopen over hem heen. Voorts is het van belang dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige] bij elkaar blijven wonen. [de minderjarige 2] is [de minderjarige] ’ enige vriend en de kinderen willen niet van elkaar gescheiden worden. De vrouw betwist tot slot dat de man betrokken was bij de buitenschoolse activiteiten van [de minderjarige] . De vrouw regelde alles voor de kinderen en de kinderen kunnen niet zonder haar.
3.2.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft zelf verzocht om toevertrouwing van [de minderjarige] .
De man meent dat hij de nodige stabiele basis voor de kinderen kan bieden. [de minderjarige 2] is overigens ook meer dan welkom bij de man en de oma vz, waar de man nu verblijft. De man heeft [de minderjarige 2] altijd als zijn tweede zoon gezien. De man is diepgeraakt door de wijze waarop de vrouw hem in zijn rol als vader volledig diskwalificeert. [de minderjarige] heeft een goede band met beide ouders. [de minderjarige] en de man zijn heel hecht met elkaar en [de minderjarige] is ook hecht met de oma vz. [de minderjarige] bracht gedurende zijn schooljaren de middagen bij haar door, totdat de moeder dit begin januari 2025 ineens heeft verboden. Dit is onbegrijpelijk voor [de minderjarige] , een gevoelige en kwetsbare jongen met een ontwikkelingsachterstand.
De man is als zelfstandig ondernemer flexibel en in staat rekening te houden met de schooltijden en schema’s van de kinderen, zoals hij tijdens het huwelijk steeds heeft gedaan. De vrouw had afwijkende werktijden met wisselende roosters. Hierdoor waren de kinderen eraan gewend dat wanneer de vrouw vroege diensten had, de man met ze opstond en ervoor zorgde dat ze met een lunchpakket op tijd naar school gingen. Na school werd [de minderjarige] altijd door de oma vz. opgevangen. Na werk aten de man en [de minderjarige] bij oma, waarna de man [de minderjarige] weer afzette bij de vrouw. De man faciliteerde de buitenschoolse activiteiten van de kinderen en hielp [de minderjarige 2] bij het maken van huiswerk. De man had dus, ook nadat hij de echtelijke woning medio 2023 verliet, altijd een grote rol in het dagelijks leven van de kinderen. Tot verdriet van de man benadrukt de vrouw continue dat hij niet de vader is van [de minderjarige 2] en weert de vrouw hem steeds verder uit het leven van [de minderjarige 2] en sinds kort ook uit het leven van [de minderjarige] . Sinds januari 2025 heeft de vrouw een ander rooster waardoor ze in middag thuis kan zijn en sinds de kerstvakantie 2024/2025 mag [de minderjarige] niet meer naar oma. De vrouw staat enkel nog toe dat de man [de minderjarige] op vrijdag van school haalt en met hem eet. Het lijkt erop dat de vrouw een wig tussen de man en [de minderjarige] probeert te drijven. Sinds kort weet de man dat iHip Familiezorg (voorheen Altra) bij [de minderjarige] en de vrouw betrokken is. Tot zijn blijdschap zal de man hier ook bij betrokken worden. De man is bang dat hij nog verder uit het leven van [de minderjarige] wordt geweerd als [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd.
3.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot toevertrouwing.
3.4.
De rechtbank zal [de minderjarige] aan de man toevertrouwen. Daartoe is het volgende redengevend. De rechtbank is van oordeel dat het zorgwekkend is dat het contact tussen de man en [de minderjarige] met ingang van januari 2025 rigoureus is verminderd. Dit is te meer het geval omdat [de minderjarige] een kwetsbare jongen is met een ontwikkelingsachterstand en kenmerken van autisme. Hoewel de rechtbank alleen over [de minderjarige] kan beslissen, overweegt de rechtbank daarbij dat het in het belang van beide kinderen is dat hun contact met de man wordt hersteld. De ouders dienen een gelijkwaardige ouderrol en de helft van de zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen, waarbij [de minderjarige 2] zich hopelijk vrij voelt om zich bij zijn (stief)vader en broer aan te sluiten. De ouders zijn ruim acht jaar getrouwd wat met zich meebrengt dat de man belangrijk is geweest bij de ontwikkeling van de inmiddels 17-jarige [de minderjarige 2] . Nu de vrouw de man (grotendeels) uit het leven van beide kinderen weert en voorts geen enkel concreet voorstel tot een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] heeft gedaan, zal [de minderjarige] aan de man worden toevertrouwd zodat het contact tussen de man en [de minderjarige] kan worden hersteld. Van belang daarbij is dat de man, in tegenstelling tot de vrouw, een voorstel tot een ruime zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] heeft gedaan en heeft benadrukt dat beide ouders belangrijk zijn voor de kinderen. Daarbij is ook van belang dat op de zitting naar voren is gekomen dat de vrouw de man aanvankelijk niet heeft betrokken bij de hulpverlening en pas onlangs bij iHip Familiezorg duidelijk is geworden dat de man wel degelijk een betrokken vader is en dus verantwoordelijkheid over [de minderjarige] kan en wil dragen. Dat de inzichten van de ouders over hoe de kinderen moeten worden grootgebracht sterk van elkaar verschillen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank gaat ervan uit dat de ingeschakelde hulpverlening eventuele zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders zal meenemen in de hulpverlening en de ouders zal begeleiden waar nodig.
zorgregeling
3.5.
De man heeft, bij gewijzigd verzoek ter zitting, verzocht een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen tussen de [de minderjarige] en de vrouw waarbij [de minderjarige] de ene week van zondag 17.00 uur tot woensdag naar school bij de vrouw is en de andere week van zaterdag 10.00 uur tot woensdag naar school, alsook 50% van de feest- en vakantiedagen.
3.6.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de zorgregeling.
3.7.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen nu dit neerkomt op een gelijkwaardige zorgregeling. De man dient [de minderjarige] daarbij de ene week op zaterdag om 10.00 uur bij de vrouw af te zetten en de andere week op zondag om 17.00. Ter zitting is ter sprake gekomen dat de vrouw het heel vervelend vindt dat de man [de minderjarige] vaak niet op het afgesproken tijdstip terugbrengt.
Conclusie
3.19.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van 5 maart 2025 een partnerbijdrage van € 478 bruto per maand aan de vrouw moet betalen.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
wordt toevertrouwd aan de man;
4.2.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
[de minderjarige] verblijft bij de vrouw:
- de ene week van zondag 17.00 uur tot woensdag naar school;
- de andere week van zaterdag 10.00 uur tot woensdag naar school,
- de helft van de feest- en vakantiedagen, in onderling overleg te bepalen;
waarbij heeft te gelden dat de man [de minderjarige] in het weekend op bovengenoemde tijdstippen bij de vrouw brengt;
4.3.
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op € 478 per maand bij vooruitbetaling te voldoen;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.J. van Schie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025. Bij ontstentenis van de rechter is deze beschikking ondertekend door mr. E.C.M. van Mierlo, rechter, tevens teamvoorzitter.
Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
voorlopige voorzieningen/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/360535 / FA RK 24-6589
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 5 maart 2025
in de zaak van:
[de vrouw]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.C. Mens, kantoorhoudende te Hoofddorp,
tegen
[de man]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.Y.M. Renken, kantoorhoudende te Zoeterwoude.
1Procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties 1 en 2, van de vrouw, ingekomen op 24 december 2024;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met producties 1 t/m 11, van de man, ingekomen op 17 januari 2025;
- het F-formulier, met producties 12 t/m 15, van de advocaat van de man van 14 februari 2025;
- het F-formulier, met productie 16, van de advocaat van de man van 17 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 17 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlage, van de advocaat van de vrouw van 17 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlage, van de advocaat van de vrouw van 18 februari 2025;
- de brief, met (ongenummerde) bijlage, van de advocaat van de vrouw van 18 februari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 februari 2025 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. A.C. Mens en de man door mr. M.Y.M. Renken.
Mr. M.Y.M. Renken heeft ter zitting een pleitnota en een alimentatieberekening overgelegd.
1.3.
De minderjarige [de minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.
1.4.
De man en [de minderjarige] hebben (in ieder geval ook) de Nederlandse nationaliteit en de vrouw is [nationaliteit] Burger.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd.
2.2.
Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , op [geboortedatum] in [plaats] , [land] .
2.3.
De vrouw is tevens de moeder van [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] .
2.4.
Bij het vonnis van deze rechtbank van 30 januari 2025 is – kortgezegd - aan de vrouw bevolen haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning, waarbij is bepaald dat de levering van de woning niet eerder plaats vindt dan uiterlijk 1 oktober 2025 en is de vrouw bevolen de woning te ontruimen uiterlijk twee weken vόόr de levering aan de kopers.
Beoordeling
toevertrouwing minderjarige
3.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [de minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd.
De vrouw heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij altijd hoofdzakelijk voor [de minderjarige] heeft gezorgd. De man heeft een onderneming en werkt zeven dagen per week van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Omdat de vrouw wisselende diensten had ving hij de kinderen wel op uit school en zorgde hij voor schooltijd voor de kinderen. Inmiddels heeft de vrouw haar diensten aangepast zodat ze de kinderen zelf kan opvangen uit school. De vrouw vertrekt ’s ochtends om 5 uur naar haar werk en zorgt dan dat het ontbijt klaar staat. [de minderjarige] gaat met een busje naar school en [de minderjarige 2] begeleidt [de minderjarige] naar het busje. De vrouw was ook niet blij met situatie waarin de man de kinderen samen met de oma vz opving, de oma is hoogbejaard en heeft een slechte gezondheid. Ook heeft de vrouw zorgen over de opvoedvaardigheden van de man. De man behandelt [de minderjarige] als een klein kind, let niet op zijn scherm- en bedtijd en eet elke avond friet met hem. Er zijn geen regels bij de man en de kinderen lopen over hem heen. Voorts is het van belang dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige] bij elkaar blijven wonen. [de minderjarige 2] is [de minderjarige] ’ enige vriend en de kinderen willen niet van elkaar gescheiden worden. De vrouw betwist tot slot dat de man betrokken was bij de buitenschoolse activiteiten van [de minderjarige] . De vrouw regelde alles voor de kinderen en de kinderen kunnen niet zonder haar.
3.2.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft zelf verzocht om toevertrouwing van [de minderjarige] .
De man meent dat hij de nodige stabiele basis voor de kinderen kan bieden. [de minderjarige 2] is overigens ook meer dan welkom bij de man en de oma vz, waar de man nu verblijft. De man heeft [de minderjarige 2] altijd als zijn tweede zoon gezien. De man is diepgeraakt door de wijze waarop de vrouw hem in zijn rol als vader volledig diskwalificeert. [de minderjarige] heeft een goede band met beide ouders. [de minderjarige] en de man zijn heel hecht met elkaar en [de minderjarige] is ook hecht met de oma vz. [de minderjarige] bracht gedurende zijn schooljaren de middagen bij haar door, totdat de moeder dit begin januari 2025 ineens heeft verboden. Dit is onbegrijpelijk voor [de minderjarige] , een gevoelige en kwetsbare jongen met een ontwikkelingsachterstand.
De man is als zelfstandig ondernemer flexibel en in staat rekening te houden met de schooltijden en schema’s van de kinderen, zoals hij tijdens het huwelijk steeds heeft gedaan. De vrouw had afwijkende werktijden met wisselende roosters. Hierdoor waren de kinderen eraan gewend dat wanneer de vrouw vroege diensten had, de man met ze opstond en ervoor zorgde dat ze met een lunchpakket op tijd naar school gingen. Na school werd [de minderjarige] altijd door de oma vz. opgevangen. Na werk aten de man en [de minderjarige] bij oma, waarna de man [de minderjarige] weer afzette bij de vrouw. De man faciliteerde de buitenschoolse activiteiten van de kinderen en hielp [de minderjarige 2] bij het maken van huiswerk. De man had dus, ook nadat hij de echtelijke woning medio 2023 verliet, altijd een grote rol in het dagelijks leven van de kinderen. Tot verdriet van de man benadrukt de vrouw continue dat hij niet de vader is van [de minderjarige 2] en weert de vrouw hem steeds verder uit het leven van [de minderjarige 2] en sinds kort ook uit het leven van [de minderjarige] . Sinds januari 2025 heeft de vrouw een ander rooster waardoor ze in middag thuis kan zijn en sinds de kerstvakantie 2024/2025 mag [de minderjarige] niet meer naar oma. De vrouw staat enkel nog toe dat de man [de minderjarige] op vrijdag van school haalt en met hem eet. Het lijkt erop dat de vrouw een wig tussen de man en [de minderjarige] probeert te drijven. Sinds kort weet de man dat iHip Familiezorg (voorheen Altra) bij [de minderjarige] en de vrouw betrokken is. Tot zijn blijdschap zal de man hier ook bij betrokken worden. De man is bang dat hij nog verder uit het leven van [de minderjarige] wordt geweerd als [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd.
3.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot toevertrouwing.
3.4.
De rechtbank zal [de minderjarige] aan de man toevertrouwen. Daartoe is het volgende redengevend. De rechtbank is van oordeel dat het zorgwekkend is dat het contact tussen de man en [de minderjarige] met ingang van januari 2025 rigoureus is verminderd. Dit is te meer het geval omdat [de minderjarige] een kwetsbare jongen is met een ontwikkelingsachterstand en kenmerken van autisme. Hoewel de rechtbank alleen over [de minderjarige] kan beslissen, overweegt de rechtbank daarbij dat het in het belang van beide kinderen is dat hun contact met de man wordt hersteld. De ouders dienen een gelijkwaardige ouderrol en de helft van de zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen, waarbij [de minderjarige 2] zich hopelijk vrij voelt om zich bij zijn (stief)vader en broer aan te sluiten. De ouders zijn ruim acht jaar getrouwd wat met zich meebrengt dat de man belangrijk is geweest bij de ontwikkeling van de inmiddels 17-jarige [de minderjarige 2] . Nu de vrouw de man (grotendeels) uit het leven van beide kinderen weert en voorts geen enkel concreet voorstel tot een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] heeft gedaan, zal [de minderjarige] aan de man worden toevertrouwd zodat het contact tussen de man en [de minderjarige] kan worden hersteld. Van belang daarbij is dat de man, in tegenstelling tot de vrouw, een voorstel tot een ruime zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] heeft gedaan en heeft benadrukt dat beide ouders belangrijk zijn voor de kinderen. Daarbij is ook van belang dat op de zitting naar voren is gekomen dat de vrouw de man aanvankelijk niet heeft betrokken bij de hulpverlening en pas onlangs bij iHip Familiezorg duidelijk is geworden dat de man wel degelijk een betrokken vader is en dus verantwoordelijkheid over [de minderjarige] kan en wil dragen. Dat de inzichten van de ouders over hoe de kinderen moeten worden grootgebracht sterk van elkaar verschillen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank gaat ervan uit dat de ingeschakelde hulpverlening eventuele zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders zal meenemen in de hulpverlening en de ouders zal begeleiden waar nodig.
zorgregeling
3.5.
De man heeft, bij gewijzigd verzoek ter zitting, verzocht een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen tussen de [de minderjarige] en de vrouw waarbij [de minderjarige] de ene week van zondag 17.00 uur tot woensdag naar school bij de vrouw is en de andere week van zaterdag 10.00 uur tot woensdag naar school, alsook 50% van de feest- en vakantiedagen.
3.6.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de zorgregeling.
3.7.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen nu dit neerkomt op een gelijkwaardige zorgregeling. De man dient [de minderjarige] daarbij de ene week op zaterdag om 10.00 uur bij de vrouw af te zetten en de andere week op zondag om 17.00. Ter zitting is ter sprake gekomen dat de vrouw het heel vervelend vindt dat de man [de minderjarige] vaak niet op het afgesproken tijdstip terugbrengt.
Conclusie
3.19.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van 5 maart 2025 een partnerbijdrage van € 478 bruto per maand aan de vrouw moet betalen.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] :
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
wordt toevertrouwd aan de man;
4.2.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
[de minderjarige] verblijft bij de vrouw:
- de ene week van zondag 17.00 uur tot woensdag naar school;
- de andere week van zaterdag 10.00 uur tot woensdag naar school,
- de helft van de feest- en vakantiedagen, in onderling overleg te bepalen;
waarbij heeft te gelden dat de man [de minderjarige] in het weekend op bovengenoemde tijdstippen bij de vrouw brengt;
4.3.
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op € 478 per maand bij vooruitbetaling te voldoen;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.J. van Schie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025. Bij ontstentenis van de rechter is deze beschikking ondertekend door mr. E.C.M. van Mierlo, rechter, tevens teamvoorzitter.
Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
Beoordeling
De man dient zich daarom strikt aan de vastgestelde tijdstippen te houden zodat de vrouw en daarmee de kinderen weten waar zij aan toe zijn.
echtelijke woning
3.8.
De vrouw heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft zelf verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, door de man ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van Politie en Justitie.
3.9.
Gelet op artikel 4, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.10.
Bij het genoemde vonnis van 30 januari 2025 is reeds over deze kwestie beslist, zodat de rechtbank de verzoeken zal afwijzen bij gebrek aan belang. De vrouw dient de echtelijke woning uiterlijk twee weken voor de levering aan de kopers te verlaten en te ontruimen.
kinderbijdrage
3.11.
De vrouw heeft, bij gewijzigd verzoek, verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) een bedrag van € 426 per maand dient te betalen.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft van zijn kant verzocht in de overwegingen van de beschikking te verstaan dat de kinderbijslag van [de minderjarige] met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift van de vrouw (24 december 2023) aan de man toekomt en door de man rechtstreeks geïnd mag worden, dan wel te bepalen dat de vrouw de voor [de minderjarige] geïnde kinderbijslag onmiddellijk aan de man dient over te maken via een bankoverschrijving.
3.12.
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van de Europese Unie van 18 december 2008) is de rechtbank bevoegd ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de kinderbijdrage, aangezien de onderhoudsgerechtigde in Nederland haar woonplaats heeft. Ingevolge artikel 3 van het Haagse Protocol van 2007
inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen.
3.13.
Nu [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd zal het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage worden afgewezen. Doordat [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd, dient de man immers de verblijfsoverstijgende kosten zoals sportclubjes, kleding, schoolspullen en abonnementen etc. voor zijn rekening te nemen. De ouders dienen beiden naar rato van hun inkomen bij te dragen voor de verblijfskosten zoals eten en drinken, dagelijkse verzorging, uitjes, vakanties, energielasten etc. van [de minderjarige] wanneer hij bij man dan wel de vrouw verblijft. Nu [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd, dient de man per datum van deze beschikking, zijnde 5 maart 2025, de kinderbijslag (en eventueel kindgebonden budget) te ontvangen.
partnerbijdrage
3.14.
De vrouw heeft, bij gewijzigd verzoek, verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in het levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) een bedrag van € 530 per maand dient te betalen.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
3.15.
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van de Europese Unie van 18 december 2008) is de rechtbank bevoegd ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de partnerbijdrage, aangezien de onderhoudsgerechtigde in Nederland haar woonplaats heeft. Ingevolge artikel 3 van het Haagse Protocol van 2007
inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen.
ingangsdatum
3.16.
De rechtbank bepaalt de ingangsdatum van een eventuele partnerbijdrage op de datum van de beschikking, zijnde 5 maart 2025, zoals gebruikelijk is in een voorlopige voorzieningenprocedure.
behoefte vrouw
3.17.
De rechtbank berekent de behoefte van de vrouw aan de hand van de zogenaamde hofnorm. Bij deze vuistregel wordt uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, te verminderen met de kosten van de kinderen. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt dan gesteld op 60% van dit gezinsinkomen.
De vrouw had in 2023 een fiscaal loon ter hoogte van € 29.325 en de man had een fiscale winst ter hoogte van € 72.626. Bij dat inkomen bedroeg het netto gezinsinkomen € 6.691 per maand en bedraagt de behoefte van [de minderjarige] en [de minderjarige 2] gezamenlijk € 1.460 per maand. Op grond van de hofnorm bedraagt de behoefte van de vrouw dan € 3.139 netto per maand ((6.691 – 1.460) x 0,6), geïndexeerd naar 2025 € 3.550 per maand.
Het fiscale loon van de vrouw bedroeg in 2024 € 32.083, op basis van welk inkomen haar netto besteedbaar inkomen € 2.398 per maand bedraagt. De man heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat sprake is van significante inkomsten uit huur en/of plantages in [land] zodat de rechtbank hier geen rekening mee zal houden. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om het woonbudget van de vrouw buiten beschouwing te laten. Hoewel aannemelijk is dat de vrouw momenteel geen woonlasten heeft, is duidelijk geworden dat zij de echtelijke woning moet verlaten zodat zij financieel ook de ruimte moet hebben om een andere woning te betrekken.
De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dan € 1.152 (3.550 – 2.398) netto per maand.
draagkracht man
3.18.
Voor de draagkracht van de man wordt eveneens uitgegaan van de fiscale winst ter hoogte van € 72.626, nu van de man nog geen recenter inkomen bekend is. De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met de rente die de man stelt de betalen over de schulden aan zijn moeder, nu deze stelling niet wordt onderbouwd in de door de man overgelegde stukken waarnaar hij heeft verwezen. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt dan € 4.224 per maand.
Op grond van bovengenoemde inkomensgegevens van partijen en de aanspraak van de man op kindgebonden budget voor [de minderjarige] bedraagt de draagkracht van de man voor [de minderjarige] € 1.322 per maand en bedraagt de draagkracht van de vrouw voor [de minderjarige] en [de minderjarige 2] € 526 per maand, oftewel € 263 per kind per maand. Zodoende bedraagt de gezamenlijke draagkracht van de ouders voor [de minderjarige] € 1.585 (1.322 + 263). De naar 2025 geïndexeerde behoefte van [de minderjarige] en [de minderjarige 2] bedraagt € 1.651, oftewel € 826 per kind per maand. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan: 1.322 / 1.585 x 826 = € 689 per maand.
Rekening houdende met het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] en uitgaande van het netto besteedbaar inkomen ter hoogte van € 4.224 per maand bedraagt zijn draagkracht voor de partnerbijdrage € 299 netto per maand, zijnde € 478 bruto per maand.
Beoordeling
De man dient zich daarom strikt aan de vastgestelde tijdstippen te houden zodat de vrouw en daarmee de kinderen weten waar zij aan toe zijn.
echtelijke woning
3.8.
De vrouw heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft zelf verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, door de man ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van Politie en Justitie.
3.9.
Gelet op artikel 4, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.10.
Bij het genoemde vonnis van 30 januari 2025 is reeds over deze kwestie beslist, zodat de rechtbank de verzoeken zal afwijzen bij gebrek aan belang. De vrouw dient de echtelijke woning uiterlijk twee weken voor de levering aan de kopers te verlaten en te ontruimen.
kinderbijdrage
3.11.
De vrouw heeft, bij gewijzigd verzoek, verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) een bedrag van € 426 per maand dient te betalen.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft van zijn kant verzocht in de overwegingen van de beschikking te verstaan dat de kinderbijslag van [de minderjarige] met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift van de vrouw (24 december 2023) aan de man toekomt en door de man rechtstreeks geïnd mag worden, dan wel te bepalen dat de vrouw de voor [de minderjarige] geïnde kinderbijslag onmiddellijk aan de man dient over te maken via een bankoverschrijving.
3.12.
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van de Europese Unie van 18 december 2008) is de rechtbank bevoegd ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de kinderbijdrage, aangezien de onderhoudsgerechtigde in Nederland haar woonplaats heeft. Ingevolge artikel 3 van het Haagse Protocol van 2007
inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen.
3.13.
Nu [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd zal het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage worden afgewezen. Doordat [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd, dient de man immers de verblijfsoverstijgende kosten zoals sportclubjes, kleding, schoolspullen en abonnementen etc. voor zijn rekening te nemen. De ouders dienen beiden naar rato van hun inkomen bij te dragen voor de verblijfskosten zoals eten en drinken, dagelijkse verzorging, uitjes, vakanties, energielasten etc. van [de minderjarige] wanneer hij bij man dan wel de vrouw verblijft. Nu [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd, dient de man per datum van deze beschikking, zijnde 5 maart 2025, de kinderbijslag (en eventueel kindgebonden budget) te ontvangen.
partnerbijdrage
3.14.
De vrouw heeft, bij gewijzigd verzoek, verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in het levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) een bedrag van € 530 per maand dient te betalen.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
3.15.
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van de Europese Unie van 18 december 2008) is de rechtbank bevoegd ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de partnerbijdrage, aangezien de onderhoudsgerechtigde in Nederland haar woonplaats heeft. Ingevolge artikel 3 van het Haagse Protocol van 2007
inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen.
ingangsdatum
3.16.
De rechtbank bepaalt de ingangsdatum van een eventuele partnerbijdrage op de datum van de beschikking, zijnde 5 maart 2025, zoals gebruikelijk is in een voorlopige voorzieningenprocedure.
behoefte vrouw
3.17.
De rechtbank berekent de behoefte van de vrouw aan de hand van de zogenaamde hofnorm. Bij deze vuistregel wordt uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, te verminderen met de kosten van de kinderen. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt dan gesteld op 60% van dit gezinsinkomen.
De vrouw had in 2023 een fiscaal loon ter hoogte van € 29.325 en de man had een fiscale winst ter hoogte van € 72.626. Bij dat inkomen bedroeg het netto gezinsinkomen € 6.691 per maand en bedraagt de behoefte van [de minderjarige] en [de minderjarige 2] gezamenlijk € 1.460 per maand. Op grond van de hofnorm bedraagt de behoefte van de vrouw dan € 3.139 netto per maand ((6.691 – 1.460) x 0,6), geïndexeerd naar 2025 € 3.550 per maand.
Het fiscale loon van de vrouw bedroeg in 2024 € 32.083, op basis van welk inkomen haar netto besteedbaar inkomen € 2.398 per maand bedraagt. De man heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat sprake is van significante inkomsten uit huur en/of plantages in [land] zodat de rechtbank hier geen rekening mee zal houden. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om het woonbudget van de vrouw buiten beschouwing te laten. Hoewel aannemelijk is dat de vrouw momenteel geen woonlasten heeft, is duidelijk geworden dat zij de echtelijke woning moet verlaten zodat zij financieel ook de ruimte moet hebben om een andere woning te betrekken.
De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dan € 1.152 (3.550 – 2.398) netto per maand.
draagkracht man
3.18.
Voor de draagkracht van de man wordt eveneens uitgegaan van de fiscale winst ter hoogte van € 72.626, nu van de man nog geen recenter inkomen bekend is. De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met de rente die de man stelt de betalen over de schulden aan zijn moeder, nu deze stelling niet wordt onderbouwd in de door de man overgelegde stukken waarnaar hij heeft verwezen. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt dan € 4.224 per maand.
Op grond van bovengenoemde inkomensgegevens van partijen en de aanspraak van de man op kindgebonden budget voor [de minderjarige] bedraagt de draagkracht van de man voor [de minderjarige] € 1.322 per maand en bedraagt de draagkracht van de vrouw voor [de minderjarige] en [de minderjarige 2] € 526 per maand, oftewel € 263 per kind per maand. Zodoende bedraagt de gezamenlijke draagkracht van de ouders voor [de minderjarige] € 1.585 (1.322 + 263). De naar 2025 geïndexeerde behoefte van [de minderjarige] en [de minderjarige 2] bedraagt € 1.651, oftewel € 826 per kind per maand. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan: 1.322 / 1.585 x 826 = € 689 per maand.
Rekening houdende met het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] en uitgaande van het netto besteedbaar inkomen ter hoogte van € 4.224 per maand bedraagt zijn draagkracht voor de partnerbijdrage € 299 netto per maand, zijnde € 478 bruto per maand.
Beoordeling
De man dient zich daarom strikt aan de vastgestelde tijdstippen te houden zodat de vrouw en daarmee de kinderen weten waar zij aan toe zijn.
echtelijke woning
3.8.
De vrouw heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft zelf verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, door de man ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van Politie en Justitie.
3.9.
Gelet op artikel 4, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.10.
Bij het genoemde vonnis van 30 januari 2025 is reeds over deze kwestie beslist, zodat de rechtbank de verzoeken zal afwijzen bij gebrek aan belang. De vrouw dient de echtelijke woning uiterlijk twee weken voor de levering aan de kopers te verlaten en te ontruimen.
kinderbijdrage
3.11.
De vrouw heeft, bij gewijzigd verzoek, verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) een bedrag van € 426 per maand dient te betalen.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft van zijn kant verzocht in de overwegingen van de beschikking te verstaan dat de kinderbijslag van [de minderjarige] met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift van de vrouw (24 december 2023) aan de man toekomt en door de man rechtstreeks geïnd mag worden, dan wel te bepalen dat de vrouw de voor [de minderjarige] geïnde kinderbijslag onmiddellijk aan de man dient over te maken via een bankoverschrijving.
3.12.
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van de Europese Unie van 18 december 2008) is de rechtbank bevoegd ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de kinderbijdrage, aangezien de onderhoudsgerechtigde in Nederland haar woonplaats heeft. Ingevolge artikel 3 van het Haagse Protocol van 2007
inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen.
3.13.
Nu [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd zal het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage worden afgewezen. Doordat [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd, dient de man immers de verblijfsoverstijgende kosten zoals sportclubjes, kleding, schoolspullen en abonnementen etc. voor zijn rekening te nemen. De ouders dienen beiden naar rato van hun inkomen bij te dragen voor de verblijfskosten zoals eten en drinken, dagelijkse verzorging, uitjes, vakanties, energielasten etc. van [de minderjarige] wanneer hij bij man dan wel de vrouw verblijft. Nu [de minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd, dient de man per datum van deze beschikking, zijnde 5 maart 2025, de kinderbijslag (en eventueel kindgebonden budget) te ontvangen.
partnerbijdrage
3.14.
De vrouw heeft, bij gewijzigd verzoek, verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in het levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) een bedrag van € 530 per maand dient te betalen.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
3.15.
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van de Europese Unie van 18 december 2008) is de rechtbank bevoegd ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de partnerbijdrage, aangezien de onderhoudsgerechtigde in Nederland haar woonplaats heeft. Ingevolge artikel 3 van het Haagse Protocol van 2007
inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen.
ingangsdatum
3.16.
De rechtbank bepaalt de ingangsdatum van een eventuele partnerbijdrage op de datum van de beschikking, zijnde 5 maart 2025, zoals gebruikelijk is in een voorlopige voorzieningenprocedure.
behoefte vrouw
3.17.
De rechtbank berekent de behoefte van de vrouw aan de hand van de zogenaamde hofnorm. Bij deze vuistregel wordt uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, te verminderen met de kosten van de kinderen. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt dan gesteld op 60% van dit gezinsinkomen.
De vrouw had in 2023 een fiscaal loon ter hoogte van € 29.325 en de man had een fiscale winst ter hoogte van € 72.626. Bij dat inkomen bedroeg het netto gezinsinkomen € 6.691 per maand en bedraagt de behoefte van [de minderjarige] en [de minderjarige 2] gezamenlijk € 1.460 per maand. Op grond van de hofnorm bedraagt de behoefte van de vrouw dan € 3.139 netto per maand ((6.691 – 1.460) x 0,6), geïndexeerd naar 2025 € 3.550 per maand.
Het fiscale loon van de vrouw bedroeg in 2024 € 32.083, op basis van welk inkomen haar netto besteedbaar inkomen € 2.398 per maand bedraagt. De man heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat sprake is van significante inkomsten uit huur en/of plantages in [land] zodat de rechtbank hier geen rekening mee zal houden. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om het woonbudget van de vrouw buiten beschouwing te laten. Hoewel aannemelijk is dat de vrouw momenteel geen woonlasten heeft, is duidelijk geworden dat zij de echtelijke woning moet verlaten zodat zij financieel ook de ruimte moet hebben om een andere woning te betrekken.
De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dan € 1.152 (3.550 – 2.398) netto per maand.
draagkracht man
3.18.
Voor de draagkracht van de man wordt eveneens uitgegaan van de fiscale winst ter hoogte van € 72.626, nu van de man nog geen recenter inkomen bekend is. De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met de rente die de man stelt de betalen over de schulden aan zijn moeder, nu deze stelling niet wordt onderbouwd in de door de man overgelegde stukken waarnaar hij heeft verwezen. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt dan € 4.224 per maand.
Op grond van bovengenoemde inkomensgegevens van partijen en de aanspraak van de man op kindgebonden budget voor [de minderjarige] bedraagt de draagkracht van de man voor [de minderjarige] € 1.322 per maand en bedraagt de draagkracht van de vrouw voor [de minderjarige] en [de minderjarige 2] € 526 per maand, oftewel € 263 per kind per maand. Zodoende bedraagt de gezamenlijke draagkracht van de ouders voor [de minderjarige] € 1.585 (1.322 + 263). De naar 2025 geïndexeerde behoefte van [de minderjarige] en [de minderjarige 2] bedraagt € 1.651, oftewel € 826 per kind per maand. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan: 1.322 / 1.585 x 826 = € 689 per maand.
Rekening houdende met het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] en uitgaande van het netto besteedbaar inkomen ter hoogte van € 4.224 per maand bedraagt zijn draagkracht voor de partnerbijdrage € 299 netto per maand, zijnde € 478 bruto per maand.