Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-05
ECLI:NL:RBNHO:2025:2197
Civiel recht
Wraking
2,164 tokens
Dictum
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/361640 KG RK 25-88
Dictum
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. P.J. Jansen,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft bij brief van 30 januari 2025 de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Bewind locatie Zaanstad aanhangige zaak met als zaaknummer 11204253 \ WM VERZ 24-1107, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2.
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.
2De uitgangspunten
2.1.
De hoofdzaak betreft het beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen een boete die de officier van justitie hem heeft opgelegd voor een verkeersovertreding. Op de zitting van 21 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden.
2.2.
Op 22 januari 2025 heeft verzoeker een e-mail gestuurd aan de griffie die is belast met Mulderzaken, waarin hij schrijft twijfels te hebben over de onpartijdigheid van de rechter en vraagt of hij in hoger beroep kan als hij ongelijk krijgt. De griffier heeft daarop geantwoord dat het mogelijk is om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de kantonrechter mits het boetebedrag boven de “€ 110,00,-” is.
2.3.
In een e-mail van 23 januari 2025 stelt verzoeker voor in hoger beroep te mogen gaan als zijn beroep wordt afgewezen en dat hij zich anders genoodzaakt voelt de rechter te wraken.
2.4.
De rechter heeft op 28 januari 2025 uitspraak gedaan in de hoofdzaak en het beroep van verzoeker ongegrond verklaard.
3Het standpunt van verzoeker
3.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat –
aangevoerd dat de rechter partijdig is. Kort gezegd vindt verzoeker dat de rechter de wet niet juist heeft toegepast, niet ter zake kundig is geweest en dat de uitspraak fouten bevat.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij de rechter die de zaak behandelt, worden gewraakt. Dat betekent dat een wrakingsverzoek alleen in behandeling kan worden genomen zolang de rechter de zaak nog behandelt. Als aan de zaak door een uitspraak een einde is gekomen, kan die rechter dus niet meer worden gewraakt.
4.2.
Het verzoek is op 30 januari 2025 gedaan en dus nadat de rechter in de hoofdzaak einduitspraak heeft gedaan. De wrakingskamer kan het verzoek daarom niet behandelen. De wrakingskamer zal verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek.
4.3.
Voor zover verzoeker heeft bedoeld te stellen dat zijn e-mails van 22 en 23 januari 2025 hadden moeten worden aangemerkt als een wrakingsverzoek, volgt de wrakingskamer dit niet. In die e-mails informeert verzoeker bij de griffie naar de beroepsmogelijkheden en kondigt hij aan een wrakingsverzoek te zullen doen als hij ongelijk krijgt en niet in hoger beroep kan. Een wrakingsverzoek kan niet worden ingesteld alleen voor het geval de rechter de klager ongelijk gaat geven. De e-mails van 22 en 23 januari 2025 kunnen daarom niet worden gezien als wrakingsverzoek.
Dictum
De rechtbank
5.1
verklaart verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek,
5.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
Deze beslissing is gegeven door mr. N. Boots, voorzitter, mr. J.H. Gisolf en mr. I.H. Lips, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Dictum
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/361640 KG RK 25-88
Dictum
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. P.J. Jansen,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft bij brief van 30 januari 2025 de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Bewind locatie Zaanstad aanhangige zaak met als zaaknummer 11204253 \ WM VERZ 24-1107, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2.
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek.
2De uitgangspunten
2.1.
De hoofdzaak betreft het beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen een boete die de officier van justitie hem heeft opgelegd voor een verkeersovertreding. Op de zitting van 21 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden.
2.2.
Op 22 januari 2025 heeft verzoeker een e-mail gestuurd aan de griffie die is belast met Mulderzaken, waarin hij schrijft twijfels te hebben over de onpartijdigheid van de rechter en vraagt of hij in hoger beroep kan als hij ongelijk krijgt. De griffier heeft daarop geantwoord dat het mogelijk is om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de kantonrechter mits het boetebedrag boven de “€ 110,00,-” is.
2.3.
In een e-mail van 23 januari 2025 stelt verzoeker voor in hoger beroep te mogen gaan als zijn beroep wordt afgewezen en dat hij zich anders genoodzaakt voelt de rechter te wraken.
2.4.
De rechter heeft op 28 januari 2025 uitspraak gedaan in de hoofdzaak en het beroep van verzoeker ongegrond verklaard.
3Het standpunt van verzoeker
3.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat –
aangevoerd dat de rechter partijdig is. Kort gezegd vindt verzoeker dat de rechter de wet niet juist heeft toegepast, niet ter zake kundig is geweest en dat de uitspraak fouten bevat.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij de rechter die de zaak behandelt, worden gewraakt. Dat betekent dat een wrakingsverzoek alleen in behandeling kan worden genomen zolang de rechter de zaak nog behandelt. Als aan de zaak door een uitspraak een einde is gekomen, kan die rechter dus niet meer worden gewraakt.
4.2.
Het verzoek is op 30 januari 2025 gedaan en dus nadat de rechter in de hoofdzaak einduitspraak heeft gedaan. De wrakingskamer kan het verzoek daarom niet behandelen. De wrakingskamer zal verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek.
4.3.
Voor zover verzoeker heeft bedoeld te stellen dat zijn e-mails van 22 en 23 januari 2025 hadden moeten worden aangemerkt als een wrakingsverzoek, volgt de wrakingskamer dit niet. In die e-mails informeert verzoeker bij de griffie naar de beroepsmogelijkheden en kondigt hij aan een wrakingsverzoek te zullen doen als hij ongelijk krijgt en niet in hoger beroep kan. Een wrakingsverzoek kan niet worden ingesteld alleen voor het geval de rechter de klager ongelijk gaat geven. De e-mails van 22 en 23 januari 2025 kunnen daarom niet worden gezien als wrakingsverzoek.
Dictum
De rechtbank
5.1
verklaart verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek,
5.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
Deze beslissing is gegeven door mr. N. Boots, voorzitter, mr. J.H. Gisolf en mr. I.H. Lips, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.