Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-04
ECLI:NL:RBNHO:2025:1993
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,282 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/361209 / JU RK 25-99
Datum uitspraak: 4 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M.B. Chylinska te Zaandam,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. P.H. Visser te Wormerveer.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
de beschikking spoeduithuisplaatsing van 22 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;
het e-mailbericht van de advocaat van de moeder van 23 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari 2025. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. P.H. Visser;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.B. Chylinska;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 11 december 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot [datum] .
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 januari 2025 is een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een netwerkgezin met begeleiding van pleegzorg met ingang van 22 januari 2025 voor de duur van vier weken. Het verzoek, inhoudende een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van in totaal zes maanden, is voor het overige aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen door de kinderrechter te worden gehoord.
2.4.
[de minderjarige] verblijft met voornoemde spoedmachtiging uithuisplaatsing bij de opa en oma (vz).
3De onderbouwing van het verzoek
3.1.
Als onderbouwing van het verzoek is namens de GI naar voren gebracht dat er sprake is van een onveilige thuissituatie voor [de minderjarige] als beide ouders thuis (blijven) wonen. Door de ingewikkelde scheidingsproblematiek en strijd tussen de ouders zijn zij niet in staat (geweest) om emotioneel beschikbaar te zijn voor [de minderjarige] en zijn veiligheid te garanderen. Hij ervaart hierdoor geen rust, stabiliteit, steun en bescherming bij zijn ouders en hij wordt belast met alle zorgen over de complexe scheiding van zijn ouders. De GI heeft sinds het begin van de ondertoezichtstelling geprobeerd om veiligheidsafspraken te maken, maar de ouders stellen voornamelijk hun eigen belang voorop. Zo wilden of konden beide ouders ondanks de gespannen thuissituatie de woning niet verlaten. [de minderjarige] heeft hierdoor al veel traumatische ervaringen meegemaakt, waaronder verbaal en fysiek geweld tussen de ouders. De gevolgen hiervan voor [de minderjarige] lijken al zichtbaar. Zo gaat het op school niet goed. [de minderjarige] schreeuwt en hij schopt en slaat andere kinderen. Ook lijkt hij verhoogd alert en angstig te zijn voor de moeder.
De thuissituatie bij de ouders kan voor [de minderjarige] niet langer voortduren, omdat dit veel onveiligheid met zich meebrengt. Het is van belang dat er rust komt in de woonsituatie van [de minderjarige] . Hiertoe is van belang dat de ouders apart van elkaar gaan wonen en de moeder zo spoedig mogelijk een eigen woonruimte vindt. Ook moeten de ouders openheid en inzicht geven in hun eigen problematiek en meewerken aan de noodzakelijke hulpverlening. Op 22 januari 2025 is [de minderjarige] met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de opa en oma (vz) geplaatst. Zij zijn bereid om voor [de minderjarige] te (blijven) zorgen en veiligheidsafspraken en een omgangsregeling met de ouders vast te stellen. De omgangsregeling kan in overleg met het formele en informele netwerk worden vastgesteld en pleegzorg kan hierin ondersteunen.
3.2.
Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de opa en oma (vz) met de spoedmachtiging destijds noodzakelijk was. Op dit moment is de situatie echter gewijzigd. Bij de zitting van 28 januari 2025 over de echtscheiding is een birdnesting-regeling vastgesteld, waarbij de ouders afwisselend met [de minderjarige] in de echtelijke woning verblijven. De GI ziet dit als een positieve ontwikkeling in het belang van [de minderjarige] en heeft met de ouders afgesproken direct uitvoering te geven aan de regeling. De GI heeft [de minderjarige] vanaf 1 februari 2025 weert thuisgeplaatst. De situatie is nog erg pril, maar tot nu toe verloopt de thuisplaatsing goed. De GI heeft opgemerkt dat het wel twee jaar heeft geduurd voordat de ouders (via de rechter) tot deze overeenstemming zijn gekomen. Het moet nog blijken of de huidige regeling bestendig genoeg is. Daarom heeft de GI voorgesteld om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen tot 19 maart 2025 – dat wil zeggen een maand langer dan de spoedmachtiging van vier weken – en de beslissing op het verzoek voor het overige aan te houden. Dan kan [de minderjarige] direct teruggeplaatst worden bij de opa en oma (vz) als dit weer noodzakelijk blijkt te zijn.
4De standpunten van de ouders
4.1.
De moeder is het oneens met het verzoek. Namens haar is primair verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen met ingang van de datum waarop de ouders zijn gestart met de birdnesting-regeling. Subsidiair is verzocht de machtiging na de termijn van de spoedmachtiging te laten aflopen. Namens haar is gesteld dat veel standpunten uit het verzoek onjuist of gedateerd zijn. De situatie op basis waarvan de (spoed)uithuisplaatsing werd verzocht is gewijzigd. Inmiddels is een birdnesting-regeling vastgesteld voor een periode van zes tot acht maanden. De moeder zal in deze periode eigen woonruimte zoeken. Op dit moment verblijft zij een aantal dagen bij haar ouders en voor het overige in een hotel als zij niet in de echtelijke woning met [de minderjarige] is. Het contact tussen de ouders over [de minderjarige] loopt via e-mail en dat gaat goed. [de minderjarige] heeft de afgelopen periode veel spanning gehad van de gebeurtenissen, maar hij is nu wat rustiger. Er is volgens de moeder geen indicatie dat de birdnesting-regeling niet bestendig is, nu deze goed doordacht en met bijstand van de advocaten is vastgelegd. Ook was de intrinsieke motivatie hiervoor bij de moeder al maanden aanwezig, maar was het pas haalbaar met de financiële ondersteuning van de vader, zoals op de zitting van 28 januari 2025 is afgesproken. De moeder ziet daarom geen noodzaak om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen voor het geval het misgaat, en hiertoe dient een machtiging (spoed)uithuisplaatsing ook niet.
4.2.
De vader stond achter de spoeduithuisplaatsing, maar vindt de vastgestelde birdnesting-regeling op dit moment de beste en meest rustgevende optie voor [de minderjarige] . Het gaat nu goed met hem. De vader verblijft bij zijn ouders of bij zijn broer als hij niet met [de minderjarige] in de echtelijke woning is. Namens de vader is verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing bij de opa en oma (vz) te verlengen, voor het geval het weer misgaat. Er moet immers nog veel geregeld worden omtrent de echtscheiding, zoals het overnemen van de woning, wat voor nieuwe spanningen kan zorgen. De vader maakt zich ook zorgen of [de minderjarige] veilig is bij de moeder en vindt het daarom belangrijk dat de GI hier toezicht op houdt.
Beoordeling
6.1.
In wat ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden het in voormelde beschikking van 22 januari 2025 geformuleerde oordeel over de spoedmachtiging uithuisplaatsing te wijzigen. Die beschikking zal dan ook worden gehandhaafd.
6.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er door de ingewikkelde scheidingsproblematiek en strijd tussen de ouders sprake is van een onveilige thuissituatie voor [de minderjarige] als beide ouders in de echtelijke woning verblijven. Ter zitting is gebleken dat de ouders bij de echtscheidingszitting van 28 januari 2025 een birdnesting-regeling zijn overeengekomen en zij, in samenspraak met de GI, inmiddels afwisselend in de echtelijke woning met [de minderjarige] verblijven. De kinderrechter is, met de GI, van oordeel dat [de minderjarige] met een goedlopende birdnesting-regeling weer veilig thuis kan wonen. [de minderjarige] heeft dan immers steeds een beschikbare opvoeder en is geen getuige meer van fysiek en/of verbaal geweld en spanningen. De kinderrechter is daarbij wel van oordeel dat de bestendigheid van de birdnesting-regeling nog moet blijken, de nieuwe situatie is nog pril. Daarom acht de kinderrechter het noodzakelijk om de machtiging tot uithuisplaatsing nog enige tijd te laten duren om [de minderjarige] weer bij zijn grootouders te kunnen terugplaatsen als de GI dit voor zijn veiligheid weer nodig acht.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Daarom zal de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing verlengen met drie maanden. De kinderrechter zal het verzoek van de GI voor het overige afwijzen. De GI blijft in elk geval tot 11 december 2025 bij het gezin betrokken in het kader van de ondertoezichtstelling. De GI kan een nieuw verzoek doen tot (verlenging van de) uithuisplaatsing als de positieve ontwikkeling niet doorzet en de veiligheid van [de minderjarige] weer in het geding komt.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkgezin met begeleiding van pleegzorg met ingang van 4 februari 2025 tot 4 mei 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025 door mr. F. W. van Dongen, kinderrechter, in aanwezigheid van M.M. Brouwer als griffier, en op schrift gesteld op 18 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/361209 / JU RK 25-99
Datum uitspraak: 4 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M.B. Chylinska te Zaandam,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. P.H. Visser te Wormerveer.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
de beschikking spoeduithuisplaatsing van 22 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;
het e-mailbericht van de advocaat van de moeder van 23 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari 2025. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. P.H. Visser;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.B. Chylinska;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 11 december 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot [datum] .
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 januari 2025 is een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een netwerkgezin met begeleiding van pleegzorg met ingang van 22 januari 2025 voor de duur van vier weken. Het verzoek, inhoudende een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van in totaal zes maanden, is voor het overige aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen door de kinderrechter te worden gehoord.
2.4.
[de minderjarige] verblijft met voornoemde spoedmachtiging uithuisplaatsing bij de opa en oma (vz).
3De onderbouwing van het verzoek
3.1.
Als onderbouwing van het verzoek is namens de GI naar voren gebracht dat er sprake is van een onveilige thuissituatie voor [de minderjarige] als beide ouders thuis (blijven) wonen. Door de ingewikkelde scheidingsproblematiek en strijd tussen de ouders zijn zij niet in staat (geweest) om emotioneel beschikbaar te zijn voor [de minderjarige] en zijn veiligheid te garanderen. Hij ervaart hierdoor geen rust, stabiliteit, steun en bescherming bij zijn ouders en hij wordt belast met alle zorgen over de complexe scheiding van zijn ouders. De GI heeft sinds het begin van de ondertoezichtstelling geprobeerd om veiligheidsafspraken te maken, maar de ouders stellen voornamelijk hun eigen belang voorop. Zo wilden of konden beide ouders ondanks de gespannen thuissituatie de woning niet verlaten. [de minderjarige] heeft hierdoor al veel traumatische ervaringen meegemaakt, waaronder verbaal en fysiek geweld tussen de ouders. De gevolgen hiervan voor [de minderjarige] lijken al zichtbaar. Zo gaat het op school niet goed. [de minderjarige] schreeuwt en hij schopt en slaat andere kinderen. Ook lijkt hij verhoogd alert en angstig te zijn voor de moeder.
De thuissituatie bij de ouders kan voor [de minderjarige] niet langer voortduren, omdat dit veel onveiligheid met zich meebrengt. Het is van belang dat er rust komt in de woonsituatie van [de minderjarige] . Hiertoe is van belang dat de ouders apart van elkaar gaan wonen en de moeder zo spoedig mogelijk een eigen woonruimte vindt. Ook moeten de ouders openheid en inzicht geven in hun eigen problematiek en meewerken aan de noodzakelijke hulpverlening. Op 22 januari 2025 is [de minderjarige] met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de opa en oma (vz) geplaatst. Zij zijn bereid om voor [de minderjarige] te (blijven) zorgen en veiligheidsafspraken en een omgangsregeling met de ouders vast te stellen. De omgangsregeling kan in overleg met het formele en informele netwerk worden vastgesteld en pleegzorg kan hierin ondersteunen.
3.2.
Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de opa en oma (vz) met de spoedmachtiging destijds noodzakelijk was. Op dit moment is de situatie echter gewijzigd. Bij de zitting van 28 januari 2025 over de echtscheiding is een birdnesting-regeling vastgesteld, waarbij de ouders afwisselend met [de minderjarige] in de echtelijke woning verblijven. De GI ziet dit als een positieve ontwikkeling in het belang van [de minderjarige] en heeft met de ouders afgesproken direct uitvoering te geven aan de regeling. De GI heeft [de minderjarige] vanaf 1 februari 2025 weert thuisgeplaatst. De situatie is nog erg pril, maar tot nu toe verloopt de thuisplaatsing goed. De GI heeft opgemerkt dat het wel twee jaar heeft geduurd voordat de ouders (via de rechter) tot deze overeenstemming zijn gekomen. Het moet nog blijken of de huidige regeling bestendig genoeg is. Daarom heeft de GI voorgesteld om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen tot 19 maart 2025 – dat wil zeggen een maand langer dan de spoedmachtiging van vier weken – en de beslissing op het verzoek voor het overige aan te houden. Dan kan [de minderjarige] direct teruggeplaatst worden bij de opa en oma (vz) als dit weer noodzakelijk blijkt te zijn.
4De standpunten van de ouders
4.1.
De moeder is het oneens met het verzoek. Namens haar is primair verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen met ingang van de datum waarop de ouders zijn gestart met de birdnesting-regeling. Subsidiair is verzocht de machtiging na de termijn van de spoedmachtiging te laten aflopen. Namens haar is gesteld dat veel standpunten uit het verzoek onjuist of gedateerd zijn. De situatie op basis waarvan de (spoed)uithuisplaatsing werd verzocht is gewijzigd. Inmiddels is een birdnesting-regeling vastgesteld voor een periode van zes tot acht maanden. De moeder zal in deze periode eigen woonruimte zoeken. Op dit moment verblijft zij een aantal dagen bij haar ouders en voor het overige in een hotel als zij niet in de echtelijke woning met [de minderjarige] is. Het contact tussen de ouders over [de minderjarige] loopt via e-mail en dat gaat goed. [de minderjarige] heeft de afgelopen periode veel spanning gehad van de gebeurtenissen, maar hij is nu wat rustiger. Er is volgens de moeder geen indicatie dat de birdnesting-regeling niet bestendig is, nu deze goed doordacht en met bijstand van de advocaten is vastgelegd. Ook was de intrinsieke motivatie hiervoor bij de moeder al maanden aanwezig, maar was het pas haalbaar met de financiële ondersteuning van de vader, zoals op de zitting van 28 januari 2025 is afgesproken. De moeder ziet daarom geen noodzaak om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen voor het geval het misgaat, en hiertoe dient een machtiging (spoed)uithuisplaatsing ook niet.
4.2.
De vader stond achter de spoeduithuisplaatsing, maar vindt de vastgestelde birdnesting-regeling op dit moment de beste en meest rustgevende optie voor [de minderjarige] . Het gaat nu goed met hem. De vader verblijft bij zijn ouders of bij zijn broer als hij niet met [de minderjarige] in de echtelijke woning is. Namens de vader is verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing bij de opa en oma (vz) te verlengen, voor het geval het weer misgaat. Er moet immers nog veel geregeld worden omtrent de echtscheiding, zoals het overnemen van de woning, wat voor nieuwe spanningen kan zorgen. De vader maakt zich ook zorgen of [de minderjarige] veilig is bij de moeder en vindt het daarom belangrijk dat de GI hier toezicht op houdt.
Beoordeling
6.1.
In wat ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden het in voormelde beschikking van 22 januari 2025 geformuleerde oordeel over de spoedmachtiging uithuisplaatsing te wijzigen. Die beschikking zal dan ook worden gehandhaafd.
6.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er door de ingewikkelde scheidingsproblematiek en strijd tussen de ouders sprake is van een onveilige thuissituatie voor [de minderjarige] als beide ouders in de echtelijke woning verblijven. Ter zitting is gebleken dat de ouders bij de echtscheidingszitting van 28 januari 2025 een birdnesting-regeling zijn overeengekomen en zij, in samenspraak met de GI, inmiddels afwisselend in de echtelijke woning met [de minderjarige] verblijven. De kinderrechter is, met de GI, van oordeel dat [de minderjarige] met een goedlopende birdnesting-regeling weer veilig thuis kan wonen. [de minderjarige] heeft dan immers steeds een beschikbare opvoeder en is geen getuige meer van fysiek en/of verbaal geweld en spanningen. De kinderrechter is daarbij wel van oordeel dat de bestendigheid van de birdnesting-regeling nog moet blijken, de nieuwe situatie is nog pril. Daarom acht de kinderrechter het noodzakelijk om de machtiging tot uithuisplaatsing nog enige tijd te laten duren om [de minderjarige] weer bij zijn grootouders te kunnen terugplaatsen als de GI dit voor zijn veiligheid weer nodig acht.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). Daarom zal de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing verlengen met drie maanden. De kinderrechter zal het verzoek van de GI voor het overige afwijzen. De GI blijft in elk geval tot 11 december 2025 bij het gezin betrokken in het kader van de ondertoezichtstelling. De GI kan een nieuw verzoek doen tot (verlenging van de) uithuisplaatsing als de positieve ontwikkeling niet doorzet en de veiligheid van [de minderjarige] weer in het geding komt.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkgezin met begeleiding van pleegzorg met ingang van 4 februari 2025 tot 4 mei 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025 door mr. F. W. van Dongen, kinderrechter, in aanwezigheid van M.M. Brouwer als griffier, en op schrift gesteld op 18 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.