Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-06
ECLI:NL:RBNHO:2025:1859
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,291 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar/ Castricum
Zaaknummer: C/15/360627 / JU RK 25-13
Datum uitspraak: 6 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen de moeder,
[de vader]
,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen de vader.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025 bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] locatie [locatie] in [plaats] . Daarbij waren aanwezig:
[vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
de vader;
[gedragswetenschapper] , gedragswetenschapper bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] locatie [locatie] ;
In verband met revalidatie na een operatie kon de moeder de zitting niet fysiek bijwonen. Zij heeft de zitting telefonisch bijgewoond.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 13 december 2023 van de kinderrechter is [de minderjarige] voorlopig
onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 februari 2024 en duurt nog voort tot 15 februari 2025.
2.3.
Daarnaast is bij beschikking van 13 december 2023 een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 13 maart 2024. Deze machtiging is daarna verlengd tot 13 juni 2024.
2.4.
Bij beschikking van 20 augustus 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, tot 15 februari 2025.
2.5.
[de minderjarige] verblijft op basis van voornoemde machtiging op een open groep bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , locatie [locatie] in [plaats] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarheid bij voorraad. Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI het volgende aan.
verlenging van de ondertoezichtstelling
3.2.
[de minderjarige] is onder toezicht gesteld, omdat hij niet langer in staat bleek om in zijn eigen belang de juiste keuzes te maken. [de minderjarige] zwierf op straat, er was sprake van middelengebruik en hij verkeerde in risicovolle situaties. Sinds zijn verblijf binnen de geslotenheid van [locatie] gaat het beter met [de minderjarige] ; hij heeft zijn schoolgang weer opgepakt en er is een begin gemaakt met het herstel van het contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders.
Bij de start op [locatie] is ingezet op gesprekken met de Brijder. [de minderjarige] heeft een aantal
gesprekken met de Brijder gevoerd, maar wil hier niet meer naartoe. [de minderjarige] geeft aan
gestopt te zijn met blowen. Het doorbreken van patronen en gedragsverandering zijn voor
hem hierin niet meer nodig. Voor een terugvalpreventieplan staat [de minderjarige] niet open. Wat betreft zijn ADHD wordt [de minderjarige] nog begeleid en krijgt hij medicatie. De GI vindt het positief dat [de minderjarige] heeft kunnen profiteren van de rust en de veiligheid die hem binnen [locatie] geboden is. Dit heeft echter de zorgen over zijn ontwikkeling niet weggenomen en de situatie is onverminderd kwetsbaar. De beïnvloedbaarheid van [de minderjarige] is hierin een punt van grote zorg. Er is meer tijd nodig om de zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van [de minderjarige] weg te nemen, hem weerbaarder te maken en de relatie met zijn ouders te herstellen.
verlenging machtiging uithuisplaatsing
3.3.
[de minderjarige] is in juni 2024 overgeplaatst van een gesloten naar een open groep bij [locatie] . Hij heeft met vallen en opstaan laten zien dat hij in staat is om op zichzelf en zijn voormalig drugsgebruik te reflecteren en lijkt ook in te zien wat hij nodig heeft om een toekomst op te bouwen. [de minderjarige] wil graag naar een kamertrainingsplek in de regio [regio] . In eerste instantie wilde [de minderjarige] naar een kamertrainingsplek in de regio waar hij nu verblijft, maar in verband met zijn opleiding en werk wil hij graag naar de regio [regio] . Bovendien is hij bang dat als hij in de regio gaat wonen waar hij vandaan komt, hij getriggerd kan worden met betrekking tot zijn drugsverleden. De GI heeft [de minderjarige] aangemeld bij Kenter (regio [regio] ).
Een thuisplaatsing is geen optie meer voor de ouders en [de minderjarige] , hiervoor is er te veel gebeurd in het verleden.
3.4.
De GI is van mening dat een machtiging uithuisplaatsing en een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is om [de minderjarige] voor te bereiden op zijn verdere leven. Dit is tevens de wens van alle betrokkenen. De GI ziet het grootste risico in de hulpverleningsafhankelijkheid, met de kanttekening dat de GI van mening is dat [de minderjarige] binnen de hulpverlening afhankelijk is van de juiste personen die voor hem gevoelsmatig kunnen aansluiten in zijn behoeften. Dit maakt dat er voor de GI een risico blijft bestaan op een terugval in oude patronen.
3.5.
Op de zitting heeft de GI het verzoek als volgt verder toegelicht. In eerste instantie heeft de GI overwogen om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] mogelijk te beëindigen. De GI vindt de risico’s is op dit moment echter nog te groot. [de minderjarige] heeft de wens uitgesproken om naar een kamertrainingsplek bij Kenter te gaan. Het is van belang dat de GI de regie behoudt over het proces van aanmelding. Daarnaast blijft bescherming van [de minderjarige] noodzakelijk, waarbij de GI als vangnet kan fungeren, mocht de plaatsing bij Kenter toch niet doorgaan. Vanuit Kenter is aangegeven dat er momenteel geen plaats beschikbaar is bij een kamertrainingscentrum, wel kunnen zij [de minderjarige] een doorstroomplek op een open groep bieden. [de minderjarige] heeft echter aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. De GI hoopt in samenwerking met [locatie] ervoor te kunnen zorgen dat [de minderjarige] met voorrang bij Kenter terecht kan op een kamertrainingsplek.
4De standpunten
mening van [de minderjarige]
4.1.
[de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter voorafgaand aan de zitting aangegeven dat hij het eens is met de verzoeken van de GI. [de minderjarige] wil graag naar een plek waar hij zelfstandig kan gaan wonen, het liefst naar een kamertrainingscentrum van Kenter in de regio [regio] . [de minderjarige] gaat ook in deze regio naar het [College] College en volgt daar de BBL-opleiding Mobiliteitsbranche. Op dit moment werkt [de minderjarige] bij een autopoetsbedrijf in [plaats] . [de minderjarige] zijn doel is om tijdens zijn opleiding zijn baan bij het autopoetsbedrijf te behouden, zodat hij na zijn opleiding fulltime kan gaan werken. Hij heeft onlangs ook zijn scooterrijbewijs gehaald, waardoor hij nu met de scooter naar zijn werk kan gaan.
Over het contact met zijn ouders heeft [de minderjarige] aangegeven dat hij veel heeft geleerd tijdens zijn verblijf bij [locatie] en dat het nu steeds beter gaat in het contact tussen hem en zijn ouders. Af en toe blowt [de minderjarige] nog, maar verder gebruikt hij geen drugs meer. Hij is tot de realisatie gekomen dat zijn drugsgebruik hem niets heeft gebracht en hij is blij ervan af te zijn. [de minderjarige] heeft verder naar voren gebracht dat hij er niet voor open staat om naar een open groep bij Kenter te gaan, wanneer hij niet direct bij een kamertrainingscentrum terecht kan. Mocht het niet mogelijk blijken om naar een kamertrainingscentrum bij Kenter te gaan, wil hij ook wel naar de Studio’s van [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] .
het standpunt van de vader
4.2.
De vader heeft aangegeven dat hij het eens is met het verzoek van de GI en het uiteindelijke doel van [de minderjarige] om naar Kenter te gaan. De vader vindt dat het goed gaat met [de minderjarige] , maar dat de positieve ontwikkelingen nog wel pril en kwetsbaar zijn.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling
5.2.
[de minderjarige] wordt nog steeds in zijn ontwikkeling bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn de onduidelijk over het toekomstperspectief van [de minderjarige] , de relatie tussen [de minderjarige] en zijn ouders en de mogelijke beïnvloedbaarheid van [de minderjarige] . Hoewel het de kinderrechter duidelijk is geworden dat [de minderjarige] mooie stappen heeft gezet en hard heeft gewerkt aan de gestelde doelen, zijn de ontwikkelingen nog pril en is er verdere regie van de GI nodig. In het proces van contactherstel tussen de ouders en [de minderjarige] is er begeleiding nodig om het vertrouwen tussen [de minderjarige] en de ouders verder op te bouwen.
De kinderrechter vindt het positief dat [de minderjarige] een duidelijk beeld heeft over zijn toekomst en ook hard heeft gewerkt aan zijn schoolgang, werk en stage in de afgelopen periode. Toch blijft er onzekerheid over de vervolgplek van [de minderjarige] . Nu het nog niet duidelijk is of en op welke termijn [de minderjarige] bij een kamertrainingscentrum van Kenter terecht kan, is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, om de aanmelding en mogelijke plaatsing bij Kenter verder te begeleiden en hier regie op te voeren.
Daarnaast heeft [de minderjarige] aangegeven niet open te staan voor hulpverlening voor zijn drugsgebruik, omdat hij vindt dat dit niet nodig is, nu hij geen harddrugs meer gebruikt. De kinderrechter vindt het heel positief dat [de minderjarige] inziet dat zijn (hard)drugsgebruik hem niets heeft gebracht en dat hij hiermee gestopt is. Toch is de kinderrechter van oordeel dat het belangrijk is dat de GI erop toeziet dat deze positieve ontwikkeling zich voortzet, met name omdat de GI heeft aangegeven dat de beïnvloedbaarheid van [de minderjarige] nog steeds een grote zorg is.
5.3.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW). Deze periode is noodzakelijk om regie te voeren op de positieve ontwikkelingen die gaande zijn.
Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.5.
De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Het is de kinderrechter gebleken dat [de minderjarige] niet terug naar huis kan gaan. De ouders en [de minderjarige] hebben aangegeven dat zij hier ook geen wens toe hebben. [de minderjarige] heeft een duidelijk plan wat betreft zijn toekomstperspectief. De kinderrechter vindt het positief dat [de minderjarige] de benodigde stappen zet om dit plan te realiseren en duidelijk is over wat hij wil en niet wil. De kinderrechter hoopt voor [de minderjarige] dat hij op korte termijn naar een kamertrainingscentrum van Kenter kan verhuizen. Echter, bestaat er onzekerheid over de termijn waarop een eventuele plaatsing bij Kenter mogelijk is. Om deze reden acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd, zodat [de minderjarige] vanuit de open groep bij [locatie] kan toewerken naar een eventuele plaatsing bij Kenter of een andere begeleid-wonen voorziening.
5.6.
Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 15 februari 2026.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige: [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] met een jaar, tot 15 februari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige, in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot 15 februari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025, in aanwezigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar/ Castricum
Zaaknummer: C/15/360627 / JU RK 25-13
Datum uitspraak: 6 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen de moeder,
[de vader]
,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen de vader.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025 bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] locatie [locatie] in [plaats] . Daarbij waren aanwezig:
[vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
de vader;
[gedragswetenschapper] , gedragswetenschapper bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] locatie [locatie] ;
In verband met revalidatie na een operatie kon de moeder de zitting niet fysiek bijwonen. Zij heeft de zitting telefonisch bijgewoond.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 13 december 2023 van de kinderrechter is [de minderjarige] voorlopig
onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 februari 2024 en duurt nog voort tot 15 februari 2025.
2.3.
Daarnaast is bij beschikking van 13 december 2023 een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 13 maart 2024. Deze machtiging is daarna verlengd tot 13 juni 2024.
2.4.
Bij beschikking van 20 augustus 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, tot 15 februari 2025.
2.5.
[de minderjarige] verblijft op basis van voornoemde machtiging op een open groep bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , locatie [locatie] in [plaats] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarheid bij voorraad. Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI het volgende aan.
verlenging van de ondertoezichtstelling
3.2.
[de minderjarige] is onder toezicht gesteld, omdat hij niet langer in staat bleek om in zijn eigen belang de juiste keuzes te maken. [de minderjarige] zwierf op straat, er was sprake van middelengebruik en hij verkeerde in risicovolle situaties. Sinds zijn verblijf binnen de geslotenheid van [locatie] gaat het beter met [de minderjarige] ; hij heeft zijn schoolgang weer opgepakt en er is een begin gemaakt met het herstel van het contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders.
Bij de start op [locatie] is ingezet op gesprekken met de Brijder. [de minderjarige] heeft een aantal
gesprekken met de Brijder gevoerd, maar wil hier niet meer naartoe. [de minderjarige] geeft aan
gestopt te zijn met blowen. Het doorbreken van patronen en gedragsverandering zijn voor
hem hierin niet meer nodig. Voor een terugvalpreventieplan staat [de minderjarige] niet open. Wat betreft zijn ADHD wordt [de minderjarige] nog begeleid en krijgt hij medicatie. De GI vindt het positief dat [de minderjarige] heeft kunnen profiteren van de rust en de veiligheid die hem binnen [locatie] geboden is. Dit heeft echter de zorgen over zijn ontwikkeling niet weggenomen en de situatie is onverminderd kwetsbaar. De beïnvloedbaarheid van [de minderjarige] is hierin een punt van grote zorg. Er is meer tijd nodig om de zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van [de minderjarige] weg te nemen, hem weerbaarder te maken en de relatie met zijn ouders te herstellen.
verlenging machtiging uithuisplaatsing
3.3.
[de minderjarige] is in juni 2024 overgeplaatst van een gesloten naar een open groep bij [locatie] . Hij heeft met vallen en opstaan laten zien dat hij in staat is om op zichzelf en zijn voormalig drugsgebruik te reflecteren en lijkt ook in te zien wat hij nodig heeft om een toekomst op te bouwen. [de minderjarige] wil graag naar een kamertrainingsplek in de regio [regio] . In eerste instantie wilde [de minderjarige] naar een kamertrainingsplek in de regio waar hij nu verblijft, maar in verband met zijn opleiding en werk wil hij graag naar de regio [regio] . Bovendien is hij bang dat als hij in de regio gaat wonen waar hij vandaan komt, hij getriggerd kan worden met betrekking tot zijn drugsverleden. De GI heeft [de minderjarige] aangemeld bij Kenter (regio [regio] ).
Een thuisplaatsing is geen optie meer voor de ouders en [de minderjarige] , hiervoor is er te veel gebeurd in het verleden.
3.4.
De GI is van mening dat een machtiging uithuisplaatsing en een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is om [de minderjarige] voor te bereiden op zijn verdere leven. Dit is tevens de wens van alle betrokkenen. De GI ziet het grootste risico in de hulpverleningsafhankelijkheid, met de kanttekening dat de GI van mening is dat [de minderjarige] binnen de hulpverlening afhankelijk is van de juiste personen die voor hem gevoelsmatig kunnen aansluiten in zijn behoeften. Dit maakt dat er voor de GI een risico blijft bestaan op een terugval in oude patronen.
3.5.
Op de zitting heeft de GI het verzoek als volgt verder toegelicht. In eerste instantie heeft de GI overwogen om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] mogelijk te beëindigen. De GI vindt de risico’s is op dit moment echter nog te groot. [de minderjarige] heeft de wens uitgesproken om naar een kamertrainingsplek bij Kenter te gaan. Het is van belang dat de GI de regie behoudt over het proces van aanmelding. Daarnaast blijft bescherming van [de minderjarige] noodzakelijk, waarbij de GI als vangnet kan fungeren, mocht de plaatsing bij Kenter toch niet doorgaan. Vanuit Kenter is aangegeven dat er momenteel geen plaats beschikbaar is bij een kamertrainingscentrum, wel kunnen zij [de minderjarige] een doorstroomplek op een open groep bieden. [de minderjarige] heeft echter aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. De GI hoopt in samenwerking met [locatie] ervoor te kunnen zorgen dat [de minderjarige] met voorrang bij Kenter terecht kan op een kamertrainingsplek.
4De standpunten
mening van [de minderjarige]
4.1.
[de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter voorafgaand aan de zitting aangegeven dat hij het eens is met de verzoeken van de GI. [de minderjarige] wil graag naar een plek waar hij zelfstandig kan gaan wonen, het liefst naar een kamertrainingscentrum van Kenter in de regio [regio] . [de minderjarige] gaat ook in deze regio naar het [College] College en volgt daar de BBL-opleiding Mobiliteitsbranche. Op dit moment werkt [de minderjarige] bij een autopoetsbedrijf in [plaats] . [de minderjarige] zijn doel is om tijdens zijn opleiding zijn baan bij het autopoetsbedrijf te behouden, zodat hij na zijn opleiding fulltime kan gaan werken. Hij heeft onlangs ook zijn scooterrijbewijs gehaald, waardoor hij nu met de scooter naar zijn werk kan gaan.
Over het contact met zijn ouders heeft [de minderjarige] aangegeven dat hij veel heeft geleerd tijdens zijn verblijf bij [locatie] en dat het nu steeds beter gaat in het contact tussen hem en zijn ouders. Af en toe blowt [de minderjarige] nog, maar verder gebruikt hij geen drugs meer. Hij is tot de realisatie gekomen dat zijn drugsgebruik hem niets heeft gebracht en hij is blij ervan af te zijn. [de minderjarige] heeft verder naar voren gebracht dat hij er niet voor open staat om naar een open groep bij Kenter te gaan, wanneer hij niet direct bij een kamertrainingscentrum terecht kan. Mocht het niet mogelijk blijken om naar een kamertrainingscentrum bij Kenter te gaan, wil hij ook wel naar de Studio’s van [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] .
het standpunt van de vader
4.2.
De vader heeft aangegeven dat hij het eens is met het verzoek van de GI en het uiteindelijke doel van [de minderjarige] om naar Kenter te gaan. De vader vindt dat het goed gaat met [de minderjarige] , maar dat de positieve ontwikkelingen nog wel pril en kwetsbaar zijn.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling
5.2.
[de minderjarige] wordt nog steeds in zijn ontwikkeling bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn de onduidelijk over het toekomstperspectief van [de minderjarige] , de relatie tussen [de minderjarige] en zijn ouders en de mogelijke beïnvloedbaarheid van [de minderjarige] . Hoewel het de kinderrechter duidelijk is geworden dat [de minderjarige] mooie stappen heeft gezet en hard heeft gewerkt aan de gestelde doelen, zijn de ontwikkelingen nog pril en is er verdere regie van de GI nodig. In het proces van contactherstel tussen de ouders en [de minderjarige] is er begeleiding nodig om het vertrouwen tussen [de minderjarige] en de ouders verder op te bouwen.
De kinderrechter vindt het positief dat [de minderjarige] een duidelijk beeld heeft over zijn toekomst en ook hard heeft gewerkt aan zijn schoolgang, werk en stage in de afgelopen periode. Toch blijft er onzekerheid over de vervolgplek van [de minderjarige] . Nu het nog niet duidelijk is of en op welke termijn [de minderjarige] bij een kamertrainingscentrum van Kenter terecht kan, is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, om de aanmelding en mogelijke plaatsing bij Kenter verder te begeleiden en hier regie op te voeren.
Daarnaast heeft [de minderjarige] aangegeven niet open te staan voor hulpverlening voor zijn drugsgebruik, omdat hij vindt dat dit niet nodig is, nu hij geen harddrugs meer gebruikt. De kinderrechter vindt het heel positief dat [de minderjarige] inziet dat zijn (hard)drugsgebruik hem niets heeft gebracht en dat hij hiermee gestopt is. Toch is de kinderrechter van oordeel dat het belangrijk is dat de GI erop toeziet dat deze positieve ontwikkeling zich voortzet, met name omdat de GI heeft aangegeven dat de beïnvloedbaarheid van [de minderjarige] nog steeds een grote zorg is.
5.3.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW). Deze periode is noodzakelijk om regie te voeren op de positieve ontwikkelingen die gaande zijn.
Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.5.
De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Het is de kinderrechter gebleken dat [de minderjarige] niet terug naar huis kan gaan. De ouders en [de minderjarige] hebben aangegeven dat zij hier ook geen wens toe hebben. [de minderjarige] heeft een duidelijk plan wat betreft zijn toekomstperspectief. De kinderrechter vindt het positief dat [de minderjarige] de benodigde stappen zet om dit plan te realiseren en duidelijk is over wat hij wil en niet wil. De kinderrechter hoopt voor [de minderjarige] dat hij op korte termijn naar een kamertrainingscentrum van Kenter kan verhuizen. Echter, bestaat er onzekerheid over de termijn waarop een eventuele plaatsing bij Kenter mogelijk is. Om deze reden acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd, zodat [de minderjarige] vanuit de open groep bij [locatie] kan toewerken naar een eventuele plaatsing bij Kenter of een andere begeleid-wonen voorziening.
5.6.
Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 15 februari 2026.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige: [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] met een jaar, tot 15 februari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige, in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot 15 februari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025, in aanwezigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar/ Castricum
Zaaknummer: C/15/360627 / JU RK 25-13
Datum uitspraak: 6 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen de moeder,
[de vader]
,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen de vader.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025 bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] locatie [locatie] in [plaats] . Daarbij waren aanwezig:
[vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
de vader;
[gedragswetenschapper] , gedragswetenschapper bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] locatie [locatie] ;
In verband met revalidatie na een operatie kon de moeder de zitting niet fysiek bijwonen. Zij heeft de zitting telefonisch bijgewoond.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 13 december 2023 van de kinderrechter is [de minderjarige] voorlopig
onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 februari 2024 en duurt nog voort tot 15 februari 2025.
2.3.
Daarnaast is bij beschikking van 13 december 2023 een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 13 maart 2024. Deze machtiging is daarna verlengd tot 13 juni 2024.
2.4.
Bij beschikking van 20 augustus 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, tot 15 februari 2025.
2.5.
[de minderjarige] verblijft op basis van voornoemde machtiging op een open groep bij [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , locatie [locatie] in [plaats] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarheid bij voorraad. Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI het volgende aan.
verlenging van de ondertoezichtstelling
3.2.
[de minderjarige] is onder toezicht gesteld, omdat hij niet langer in staat bleek om in zijn eigen belang de juiste keuzes te maken. [de minderjarige] zwierf op straat, er was sprake van middelengebruik en hij verkeerde in risicovolle situaties. Sinds zijn verblijf binnen de geslotenheid van [locatie] gaat het beter met [de minderjarige] ; hij heeft zijn schoolgang weer opgepakt en er is een begin gemaakt met het herstel van het contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders.
Bij de start op [locatie] is ingezet op gesprekken met de Brijder. [de minderjarige] heeft een aantal
gesprekken met de Brijder gevoerd, maar wil hier niet meer naartoe. [de minderjarige] geeft aan
gestopt te zijn met blowen. Het doorbreken van patronen en gedragsverandering zijn voor
hem hierin niet meer nodig. Voor een terugvalpreventieplan staat [de minderjarige] niet open. Wat betreft zijn ADHD wordt [de minderjarige] nog begeleid en krijgt hij medicatie. De GI vindt het positief dat [de minderjarige] heeft kunnen profiteren van de rust en de veiligheid die hem binnen [locatie] geboden is. Dit heeft echter de zorgen over zijn ontwikkeling niet weggenomen en de situatie is onverminderd kwetsbaar. De beïnvloedbaarheid van [de minderjarige] is hierin een punt van grote zorg. Er is meer tijd nodig om de zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van [de minderjarige] weg te nemen, hem weerbaarder te maken en de relatie met zijn ouders te herstellen.
verlenging machtiging uithuisplaatsing
3.3.
[de minderjarige] is in juni 2024 overgeplaatst van een gesloten naar een open groep bij [locatie] . Hij heeft met vallen en opstaan laten zien dat hij in staat is om op zichzelf en zijn voormalig drugsgebruik te reflecteren en lijkt ook in te zien wat hij nodig heeft om een toekomst op te bouwen. [de minderjarige] wil graag naar een kamertrainingsplek in de regio [regio] . In eerste instantie wilde [de minderjarige] naar een kamertrainingsplek in de regio waar hij nu verblijft, maar in verband met zijn opleiding en werk wil hij graag naar de regio [regio] . Bovendien is hij bang dat als hij in de regio gaat wonen waar hij vandaan komt, hij getriggerd kan worden met betrekking tot zijn drugsverleden. De GI heeft [de minderjarige] aangemeld bij Kenter (regio [regio] ).
Een thuisplaatsing is geen optie meer voor de ouders en [de minderjarige] , hiervoor is er te veel gebeurd in het verleden.
3.4.
De GI is van mening dat een machtiging uithuisplaatsing en een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is om [de minderjarige] voor te bereiden op zijn verdere leven. Dit is tevens de wens van alle betrokkenen. De GI ziet het grootste risico in de hulpverleningsafhankelijkheid, met de kanttekening dat de GI van mening is dat [de minderjarige] binnen de hulpverlening afhankelijk is van de juiste personen die voor hem gevoelsmatig kunnen aansluiten in zijn behoeften. Dit maakt dat er voor de GI een risico blijft bestaan op een terugval in oude patronen.
3.5.
Op de zitting heeft de GI het verzoek als volgt verder toegelicht. In eerste instantie heeft de GI overwogen om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] mogelijk te beëindigen. De GI vindt de risico’s is op dit moment echter nog te groot. [de minderjarige] heeft de wens uitgesproken om naar een kamertrainingsplek bij Kenter te gaan. Het is van belang dat de GI de regie behoudt over het proces van aanmelding. Daarnaast blijft bescherming van [de minderjarige] noodzakelijk, waarbij de GI als vangnet kan fungeren, mocht de plaatsing bij Kenter toch niet doorgaan. Vanuit Kenter is aangegeven dat er momenteel geen plaats beschikbaar is bij een kamertrainingscentrum, wel kunnen zij [de minderjarige] een doorstroomplek op een open groep bieden. [de minderjarige] heeft echter aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. De GI hoopt in samenwerking met [locatie] ervoor te kunnen zorgen dat [de minderjarige] met voorrang bij Kenter terecht kan op een kamertrainingsplek.
4De standpunten
mening van [de minderjarige]
4.1.
[de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter voorafgaand aan de zitting aangegeven dat hij het eens is met de verzoeken van de GI. [de minderjarige] wil graag naar een plek waar hij zelfstandig kan gaan wonen, het liefst naar een kamertrainingscentrum van Kenter in de regio [regio] . [de minderjarige] gaat ook in deze regio naar het [College] College en volgt daar de BBL-opleiding Mobiliteitsbranche. Op dit moment werkt [de minderjarige] bij een autopoetsbedrijf in [plaats] . [de minderjarige] zijn doel is om tijdens zijn opleiding zijn baan bij het autopoetsbedrijf te behouden, zodat hij na zijn opleiding fulltime kan gaan werken. Hij heeft onlangs ook zijn scooterrijbewijs gehaald, waardoor hij nu met de scooter naar zijn werk kan gaan.
Over het contact met zijn ouders heeft [de minderjarige] aangegeven dat hij veel heeft geleerd tijdens zijn verblijf bij [locatie] en dat het nu steeds beter gaat in het contact tussen hem en zijn ouders. Af en toe blowt [de minderjarige] nog, maar verder gebruikt hij geen drugs meer. Hij is tot de realisatie gekomen dat zijn drugsgebruik hem niets heeft gebracht en hij is blij ervan af te zijn. [de minderjarige] heeft verder naar voren gebracht dat hij er niet voor open staat om naar een open groep bij Kenter te gaan, wanneer hij niet direct bij een kamertrainingscentrum terecht kan. Mocht het niet mogelijk blijken om naar een kamertrainingscentrum bij Kenter te gaan, wil hij ook wel naar de Studio’s van [gesloten accommodatie voor jeugdhulp] .
het standpunt van de vader
4.2.
De vader heeft aangegeven dat hij het eens is met het verzoek van de GI en het uiteindelijke doel van [de minderjarige] om naar Kenter te gaan. De vader vindt dat het goed gaat met [de minderjarige] , maar dat de positieve ontwikkelingen nog wel pril en kwetsbaar zijn.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling
5.2.
[de minderjarige] wordt nog steeds in zijn ontwikkeling bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn de onduidelijk over het toekomstperspectief van [de minderjarige] , de relatie tussen [de minderjarige] en zijn ouders en de mogelijke beïnvloedbaarheid van [de minderjarige] . Hoewel het de kinderrechter duidelijk is geworden dat [de minderjarige] mooie stappen heeft gezet en hard heeft gewerkt aan de gestelde doelen, zijn de ontwikkelingen nog pril en is er verdere regie van de GI nodig. In het proces van contactherstel tussen de ouders en [de minderjarige] is er begeleiding nodig om het vertrouwen tussen [de minderjarige] en de ouders verder op te bouwen.
De kinderrechter vindt het positief dat [de minderjarige] een duidelijk beeld heeft over zijn toekomst en ook hard heeft gewerkt aan zijn schoolgang, werk en stage in de afgelopen periode. Toch blijft er onzekerheid over de vervolgplek van [de minderjarige] . Nu het nog niet duidelijk is of en op welke termijn [de minderjarige] bij een kamertrainingscentrum van Kenter terecht kan, is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, om de aanmelding en mogelijke plaatsing bij Kenter verder te begeleiden en hier regie op te voeren.
Daarnaast heeft [de minderjarige] aangegeven niet open te staan voor hulpverlening voor zijn drugsgebruik, omdat hij vindt dat dit niet nodig is, nu hij geen harddrugs meer gebruikt. De kinderrechter vindt het heel positief dat [de minderjarige] inziet dat zijn (hard)drugsgebruik hem niets heeft gebracht en dat hij hiermee gestopt is. Toch is de kinderrechter van oordeel dat het belangrijk is dat de GI erop toeziet dat deze positieve ontwikkeling zich voortzet, met name omdat de GI heeft aangegeven dat de beïnvloedbaarheid van [de minderjarige] nog steeds een grote zorg is.
5.3.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW). Deze periode is noodzakelijk om regie te voeren op de positieve ontwikkelingen die gaande zijn.
Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.5.
De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Het is de kinderrechter gebleken dat [de minderjarige] niet terug naar huis kan gaan. De ouders en [de minderjarige] hebben aangegeven dat zij hier ook geen wens toe hebben. [de minderjarige] heeft een duidelijk plan wat betreft zijn toekomstperspectief. De kinderrechter vindt het positief dat [de minderjarige] de benodigde stappen zet om dit plan te realiseren en duidelijk is over wat hij wil en niet wil. De kinderrechter hoopt voor [de minderjarige] dat hij op korte termijn naar een kamertrainingscentrum van Kenter kan verhuizen. Echter, bestaat er onzekerheid over de termijn waarop een eventuele plaatsing bij Kenter mogelijk is. Om deze reden acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd, zodat [de minderjarige] vanuit de open groep bij [locatie] kan toewerken naar een eventuele plaatsing bij Kenter of een andere begeleid-wonen voorziening.
5.6.
Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 15 februari 2026.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige: [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] met een jaar, tot 15 februari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige, in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot 15 februari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025, in aanwezigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.