Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-12-12
ECLI:NL:RBNHO:2025:15955
Civiel recht; Arbeidsrecht
Kort geding
4,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15955 text/xml public 2026-03-24T15:23:43 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-12 11985102 Uitspraak Kort geding NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0422 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15955 text/html public 2026-03-16T14:30:20 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15955 Rechtbank Noord-Holland , 12-12-2025 / 11985102 loonvordering wordt toegezen. Ogv art 7:629 BW heeft de zieke werknemer recht op het wettelijk mininumloon omdat 70% van het overeengekomen lager is dan dit wettelijk minimum. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11985102 \ VV EXPL 25-177 Vonnis in kort geding van 12 december 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. R.J. Bouwmeester, tegen 1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1] , te [plaats 2], verder te noemen: werkgever 2. [gedaagde 2] , te [plaats 2], 3. [gedaagde 3] , te [plaats 2], gedaagde partijen, procederend in persoon. De zaak in het kort Deze zaak gaat over een vordering van werkneemster tot loondoorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. Omdat 70% van het overeengekomen loon minder is dan het wettelijk minimumloon, heeft werkneemster op grond van artikel 7:629 lid 1 BW recht op het wettelijk minimumloon. Omdat werkgever het loon zonder deugdelijke reden te laat heeft betaald, moet hij over het achterstallig loon ook wettelijke verhoging (30%) en wettelijke rente betalen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [eiser]. 2 Feiten 2.1. [eiser] is sinds 1 september 2024 bij werkgever in dienst in de functie van medewerkster hondengedrag op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is op 29 augustus 2025 met 12 maanden, tot 1 september 2026, verlengd. Het overeengekomen loon bedraagt € 1.799,55 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, op basis van 27 uur per week. De vaste werkdagen van [eiser] zijn dinsdag, donderdag en vrijdag. 2.2. Op 31 augustus 2025 heeft [eiser] zich na een ongeval ziekgemeld met een whiplash. 2.3. Het loon werd sinds 1 september 2025 niet uitbetaald. 2.4. [eiser] heeft bij e-mail van 23 september 2025 verzocht om inschakeling van een Arbo-arts en bij brief van 1 september 2025 om betaling van het achterstallige loon vanaf 1 september 2025. 2.5. Bij brief van 16 oktober 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] werkgever verzocht om het (achterstallige) loon vanaf 1 september 2025 te betalen, bij gebreke waarvan een kort geding wordt gestart waarin naast het loon ook wettelijke verhoging wordt gevorderd. 2.6. Op 4 december 2025 heeft werkgever een bedrag van € 4.952,45 netto aan [eiser] overgemaakt met als omschrijving ‘loon september, oktober, november’. Ter zitting heeft werkgever de bijbehorende loonstroken aan [eiser] overhandigd. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, werkgever en haar firmanten [betrokkene] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis: I. het achterstallige loon over de maanden september, oktober en november 2025, ter hoogte van € 5.291,42 bruto inclusief vakantietoeslag, alsmede alle toekomstige loonbetalingen tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, aan [eiser] te voldoen; II. de (maximale) wettelijke verhoging van de onder I genoemde bedragen en de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot de dag van algehele voldoening te betalen; III. de proceskosten, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 250,- en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening te betalen. 3.2. [eiser] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij sinds haar ziekmelding op 31 augustus 2025 recht heeft op loondoorbetaling op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat 70% van het overeengekomen loon minder is dan het wettelijk minimumloon, moet het wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag (€ 1.819,58 bruto) worden doorbetaald, hetgeen over de maanden september, oktober en november 2025 neerkomt op in totaal € 5.291,42 bruto. Werkgever is hierover ook wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd. [eiser] vordert verder € 250,- aan buitengerechtelijke kosten, omdat [eiser] ter voorkoming van een gerechtelijke procedure geprobeerd heeft via ARAG de vordering incasseren. 3.3. Werkgever heeft mondeling (op de zitting) verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, aangezien het gaat om een loonvordering en [eiser] sinds 1 september 2025 geen loon meer ontvangt. 4.2. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 4.3. Werkgever heeft ter zitting toegelicht dat het loon aanvankelijk niet is uitbetaald omdat het onrechtvaardig voelt dat [eiser] zich ziek meldde twee dagen na verlenging van haar contract en op de dag voordat het nieuwe contract in ging. Inmiddels erkent werkgever dat [eiser] recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte. Werkgever stelt dat het verschuldigde loon inmiddels aan [eiser] is overgemaakt. 4.4. Ter zitting heeft werkgever salarisspecificaties overgelegd, waaruit blijkt dat in september, oktober en november 2025 de volgende (bruto) loonbedragen (wat neerkomt op in totaal € 4.952,45 netto) zijn uitbetaald: september: € 1.425,60 + € 114,05 vakantietoeslag o.b.v. 99 verloonde uren oktober: € 1.814,40 + € 145,15 vakantietoeslag o.b.v. 126 verloonde uren november: € 1.555,20 + € 124,42 o.b.v. 108 verloonde uren. De uren zijn uitbetaald tegen een basisuurloon van € 14,40 bruto. 4.5. Gevraagd naar de oorzaak van het verschil tussen deze bedragen, heeft werkgever een e-mail van zijn boekhouder getoond waaruit volgt dat dit komt doordat het aantal loondagen op basis van de standaardwerkdagen van [eiser] per maand verschilt. Bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid gelden bovendien twee wachtdagen. De gemachtigde van [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en gesteld dat een vast maandloon moet worden uitbetaald omdat in de arbeidsovereenkomst een vast (bruto)maandloon is overeengekomen, ongeacht het aantal werkbare dagen, is overeengekomen. 4.6. Het is op zichzelf juist dat in de arbeidsovereenkomst een vast maandloon (ongeacht het aantal werkbare dagen) is afgesproken. In het geval van [eiser] is 70% van dit maandloon (inclusief vakantietoeslag ) echter minder dan het wettelijk minimumloon. Daarom moet, zoals [eiser] zelf heeft betoogd, tijdens (de eerste 52 weken van) de arbeidsongeschiktheid niet 70% van het overeengekomen loon worden doorbetaald, maar het geldende wettelijk minimumloon. Het wettelijk minimum uurloon bedraagt sinds 1 juli 2025 € 14,40 bruto exclusief vakantietoeslag en dat is blijkens de loonstroken ook het door werkgever gehanteerde uurloon (zie 4.4 hiervoor). Sinds 2024 zijn er geen vaste minimum maand-, week- en daglonen meer, maar hangt het minimumloon per week of maand af van het aantal gewerkte uren (de arbeidsduur). De arbeidsduur kan elke maand anders zijn, doordat de ene maand meer werkdagen heeft dan de andere. Het aantal werkdagen per maand wordt daarmee dus – zoals de boekhouder ook heeft gedaan - bepaald door het rooster van de medewerker en de kalender. 4.7.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15955 text/xml public 2026-03-24T15:23:43 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-12 11985102 Uitspraak Kort geding NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0422 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15955 text/html public 2026-03-16T14:30:20 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15955 Rechtbank Noord-Holland , 12-12-2025 / 11985102 loonvordering wordt toegezen. Ogv art 7:629 BW heeft de zieke werknemer recht op het wettelijk mininumloon omdat 70% van het overeengekomen lager is dan dit wettelijk minimum. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11985102 \ VV EXPL 25-177 Vonnis in kort geding van 12 december 2025 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. R.J. Bouwmeester, tegen 1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1] , te [plaats 2],verder te noemen: werkgever2. [gedaagde 2] , te [plaats 2],3. [gedaagde 3] , te [plaats 2], gedaagde partijen, procederend in persoon. De zaak in het kort Deze zaak gaat over een vordering van werkneemster tot loondoorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. Omdat 70% van het overeengekomen loon minder is dan het wettelijk minimumloon, heeft werkneemster op grond van artikel 7:629 lid 1 BW recht op het wettelijk minimumloon. Omdat werkgever het loon zonder deugdelijke reden te laat heeft betaald, moet hij over het achterstallig loon ook wettelijke verhoging (30%) en wettelijke rente betalen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser]. 2 Feiten 2.1. [eiser] is sinds 1 september 2024 bij werkgever in dienst in de functie van medewerkster hondengedrag op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is op 29 augustus 2025 met 12 maanden, tot 1 september 2026, verlengd. Het overeengekomen loon bedraagt € 1.799,55 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, op basis van 27 uur per week. De vaste werkdagen van [eiser] zijn dinsdag, donderdag en vrijdag. 2.2. Op 31 augustus 2025 heeft [eiser] zich na een ongeval ziekgemeld met een whiplash. 2.3. Het loon werd sinds 1 september 2025 niet uitbetaald. 2.4. [eiser] heeft bij e-mail van 23 september 2025 verzocht om inschakeling van een Arbo-arts en bij brief van 1 september 2025 om betaling van het achterstallige loon vanaf 1 september 2025. 2.5. Bij brief van 16 oktober 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] werkgever verzocht om het (achterstallige) loon vanaf 1 september 2025 te betalen, bij gebreke waarvan een kort geding wordt gestart waarin naast het loon ook wettelijke verhoging wordt gevorderd. 2.6. Op 4 december 2025 heeft werkgever een bedrag van € 4.952,45 netto aan [eiser] overgemaakt met als omschrijving ‘loon september, oktober, november’. Ter zitting heeft werkgever de bijbehorende loonstroken aan [eiser] overhandigd. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, werkgever en haar firmanten [betrokkene] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis: I. het achterstallige loon over de maanden september, oktober en november 2025, ter hoogte van € 5.291,42 bruto inclusief vakantietoeslag, alsmede alle toekomstige loonbetalingen tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, aan [eiser] te voldoen; II. de (maximale) wettelijke verhoging van de onder I genoemde bedragen en de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot de dag van algehele voldoening te betalen; III. de proceskosten, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 250,- en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening te betalen. 3.2. [eiser] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij sinds haar ziekmelding op 31 augustus 2025 recht heeft op loondoorbetaling op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Omdat 70% van het overeengekomen loon minder is dan het wettelijk minimumloon, moet het wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag (€ 1.819,58 bruto) worden doorbetaald, hetgeen over de maanden september, oktober en november 2025 neerkomt op in totaal € 5.291,42 bruto. Werkgever is hierover ook wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd. [eiser] vordert verder € 250,- aan buitengerechtelijke kosten, omdat [eiser] ter voorkoming van een gerechtelijke procedure geprobeerd heeft via ARAG de vordering incasseren. 3.3. Werkgever heeft mondeling (op de zitting) verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, aangezien het gaat om een loonvordering en [eiser] sinds 1 september 2025 geen loon meer ontvangt. 4.2. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 4.3. Werkgever heeft ter zitting toegelicht dat het loon aanvankelijk niet is uitbetaald omdat het onrechtvaardig voelt dat [eiser] zich ziek meldde twee dagen na verlenging van haar contract en op de dag voordat het nieuwe contract in ging. Inmiddels erkent werkgever dat [eiser] recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte. Werkgever stelt dat het verschuldigde loon inmiddels aan [eiser] is overgemaakt. 4.4. Ter zitting heeft werkgever salarisspecificaties overgelegd, waaruit blijkt dat in september, oktober en november 2025 de volgende (bruto) loonbedragen (wat neerkomt op in totaal € 4.952,45 netto) zijn uitbetaald: september: € 1.425,60 + € 114,05 vakantietoeslag o.b.v. 99 verloonde uren oktober: € 1.814,40 + € 145,15 vakantietoeslag o.b.v. 126 verloonde uren november: € 1.555,20 + € 124,42 o.b.v. 108 verloonde uren.De uren zijn uitbetaald tegen een basisuurloon van € 14,40 bruto. 4.5. Gevraagd naar de oorzaak van het verschil tussen deze bedragen, heeft werkgever een e-mail van zijn boekhouder getoond waaruit volgt dat dit komt doordat het aantal loondagen op basis van de standaardwerkdagen van [eiser] per maand verschilt. Bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid gelden bovendien twee wachtdagen. De gemachtigde van [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en gesteld dat een vast maandloon moet worden uitbetaald omdat in de arbeidsovereenkomst een vast (bruto)maandloon is overeengekomen, ongeacht het aantal werkbare dagen, is overeengekomen. 4.6. Het is op zichzelf juist dat in de arbeidsovereenkomst een vast maandloon (ongeacht het aantal werkbare dagen) is afgesproken. In het geval van [eiser] is 70% van dit maandloon (inclusief vakantietoeslag ) echter minder dan het wettelijk minimumloon. Daarom moet, zoals [eiser] zelf heeft betoogd, tijdens (de eerste 52 weken van) de arbeidsongeschiktheid niet 70% van het overeengekomen loon worden doorbetaald, maar het geldende wettelijk minimumloon. Het wettelijk minimum uurloon bedraagt sinds 1 juli 2025 € 14,40 bruto exclusief vakantietoeslag en dat is blijkens de loonstroken ook het door werkgever gehanteerde uurloon (zie 4.4 hiervoor). Sinds 2024 zijn er geen vaste minimum maand-, week- en daglonen meer, maar hangt het minimumloon per week of maand af van het aantal gewerkte uren (de arbeidsduur). De arbeidsduur kan elke maand anders zijn, doordat de ene maand meer werkdagen heeft dan de andere. Het aantal werkdagen per maand wordt daarmee dus – zoals de boekhouder ook heeft gedaan - bepaald door het rooster van de medewerker en de kalender. 4.7.