Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2025-12-23
ECLI:NL:RBNHO:2025:15905
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/8368 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft met dagtekening 15 augustus 2024 aan eiser over het tijdvak 22 juni 2023 tot en met 21 juni 2024 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) opgelegd van € 2.412 (de naheffingsaanslag) en een boete van € 1.206 (de boetebeschikking). Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.379 en de boetebeschikking verminderd tot € 237. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2025 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden drs. [naam 2] en [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Eiser is sinds 2014 houder van een [automerk] , type [type] met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De geldigheid van het kentekenbewijs van de auto is geschorst vanaf 2 maart 2023. 2. Op 11 juni 2024, omstreeks 16:30 uur, is via camerabeelden geconstateerd dat met de auto gebruikgemaakt werd van de weg op de A2, rechterzijde, ter hoogte van hectometerpaal 72.4, Vianen. 3. Met dagtekening 1 juli 2024 is aan eiser een ‘vooraankondiging naheffingsaanslag/boetebeschikking’ gestuurd. Aan eiser is de gelegenheid geboden om vóór 22 juli 2024 te reageren op de vooraankondiging. Verweerder heeft de reactie op 25 juli 2024 ontvangen. Toen waren de naheffingsaanslag en boetebeschikking al aangemaakt in het systeem van verweerder. Daarom heeft verweerder de reactie in behandeling genomen als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking. 4. In de uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.379. Daarnaast is de boetebeschikking in verband met de financiële omstandigheden van eiser gematigd tot € 237 (10% van de nageheven belasting). 5. Eiser heeft een rekening MRB over de periode 22 juni 2024 tot 22 september 2024 ontvangen van € 608 (de rekening MRB). Geschil 6. In geschil is of de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de rekening MRB in stand kunnen blijven. Meer specifiek is in geschil of eiser zich kan beroepen op een vrijstelling in verband met een APK-keuring (artikel 72, lid 1, aanhef en onder m, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (de Wet MRB)). 7. Eiser betoogt dat hij met zijn geschorste auto gebruik mocht maken van de weg, omdat hij de auto voor een APK-keuring naar de garage heeft gebracht en voor ritten ten behoeve van een APK-keuring een vrijstelling van MRB geldt. Ook voert eiser aan dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom niets is gedaan met zijn betoog dat sprake is van een geoorloofde APK-rit. Eiser concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de rekening MRB. 8. Volgens verweerder zijn de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht opgelegd, omdat met de auto is gebruikgemaakt van de weg tijdens een schorsing van het kenteken. De vrijstelling voor de APK-keuring is niet van toepassing omdat op de dag van de constatering weggebruik geen APK-keuring heeft plaatsgevonden en eiser bovendien niet via de kortste route naar de keuringslocatie is gereden. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beroep tegen de rekening MRB is niet mogelijk en dat beroep is daarom niet-ontvankelijk. Beoordeling van het geschil De naheffingsaanslag Wettelijk kader 9. Aan het schorsen van de tenaamstelling van een kenteken zijn voorwaarden verbonden. Eén van de voorwaarden is dat geen gebruik van de auto wordt gemaakt op de openbare weg (§ 6, Hoofdstuk IV, van de Wegenverkeerswet 1994). Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB wordt tijdens een schorsing voor dat motorrijtuig geen motorrijtuigenbelasting geheven. Op gr Dit betekent echter niet dat ook de juridische ruimte bestaat om de naheffingsaanslag te verminderen. Een vermindering van de naheffingsaanslag kan immers niet worden gebaseerd op een andere uitleg van artikel 35 van de Wet MRB. De bepaling is vervat in een wet in formele zin, terwijl de wetgever omstandigheden als die van eiser heeft betrokken bij de afwegingen die tot de totstandkoming van die bepaling hebben geleid (vergelijk Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973). De wetgever heeft weloverwogen gekozen voor een regeling zonder mogelijkheid van tegenbewijs. Van een niet door de wetgever voorziene hardheid of ruwheid van de regeling is daarom geen sprake. Zo is ook geoordeeld door Gerechtshof Amsterdam, 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3126, r.o. 5.6.3. De rechtbank acht zich daarom niet bevoegd de bepaling buiten toepassing te laten. Dit zou de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan. De rechtbank sluit zich daarbij aan bij de strikte lijn die in de jurisprudentie wordt gevolgd ten aanzien van de naheffingsperiode van vier tijdvakken (zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 15 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2297 en Rechtbank Zeeland-West Brabant 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6968). De naheffingsaanslag blijft dus in stand. De verzuimboete 15. De boete is in overeenstemming met de wet opgelegd (artikel 67c, Algemene wet inzake rijksbelastingen). Het beboetbare feit is begaan. Eiser heeft namelijk de motorrijtuigenbelasting niet (tijdig) voldaan. Opmerking verdient verder dat voor het opleggen van de boete opzet of schuld niet vereist is. Wel moet een boete achterwege blijven bij een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas). Dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas is gesteld noch gebleken. 16. De rechtbank dient ook te beoordelen of de opgelegde boete gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden passend en geboden is. Uit het hierboven overwogene volgt dat de rechtbank de naheffing onevenredig acht, omdat deze voor een jaar is opgelegd, terwijl slechts voor twee dagen in strijd met de schorsingsvoorwaarden is gehandeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zich juist aan de regels wilde houden maar dat het door de hoge reparatiekosten anders is gelopen. De rechtbank acht de ernst van de overtreding dermate gering dat deze een boete van nihil rechtvaardigt. Motiveringsbeginsel 17. Eiser stelt dat verweerder in de uitspraak op bezwaar niet heeft gemotiveerd waarom hij de bezwaren van eiser tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete terzijde schuift. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in de uitspraak op bezwaar voldoende ingegaan op wat eiser heeft aangevoerd. Verweerder heeft namelijk toegelicht dat op de dag van de APK-keuring naar die keuring toe mag worden gereden. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd. Rekening MRB 18. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat voor de periode 22 juni 2024 tot 22 september 2024 geen naheffingsaanslag is opgelegd, maar dat wel een rekening is verstuurd en dat dit moet worden gezien als een service van de Belastingdienst. Eiser heeft het bedrag nog niet betaald. De rechtbank is van oordeel dat tegen de rekening zelf geen bezwaar en beroep open staat. Eiser kan (pas) bezwaar maken binnen zes weken na betaling van de rekening (voldoening op aangifte) of na ontvangst van een naheffingsaanslag. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk. Slotsom 19. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen wordt het beroep gegrond verklaard. De naheffingsaanslag blijft in stand maar de boete wordt verminderd naar nihil. Proceskosten en griffierecht 20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Wel dient het griffierecht van € 51 aan eiser te worden vergoed. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar; - handhaaft de uitspraak op