Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-07-03
ECLI:NL:RBNHO:2025:15773
Civiel recht
Beschikking
6,178 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15773 text/xml public 2026-02-06T12:01:30 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-07-03 C/15/361730/ HA RK 25-15 Uitspraak Beschikking NL Alkmaar Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15773 text/html public 2026-02-06T11:58:09 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15773 Rechtbank Noord-Holland , 03-07-2025 / C/15/361730/ HA RK 25-15 Verzoekster verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen. Zij wil duidelijkheid over de vraag of er sprake was van onzorgvuldig handelen rondom haar operatie bij NWZ op 6 november 2017. Ook wenst verzoekster duidelijkheid te krijgen over de vraag of zij door dat handelen schade heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster belang heeft bij het verzoek en dat het verzoek voldoende bepaald is. De rechtbank stelt de aan de deskundige te stellen vragen vast. De rechtbank stelt ook vast dat verzoekster het voorschot van de te benoemen deskundige moet betalen. De deskundige waarover partijen het eens waren, blijkt niet meer als deskundige op te treden. Partijen krijgen daarom nog de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/361730 / HA RK 25-15 Beschikking van 3 juli 2025 (bij vervroeging) in de zaak van [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. R. Schoemaker, tegen NOORDWEST ZIEKENHUISGROEP , te Alkmaar, verwerende partij, hierna te noemen: NWZ, advocaat: mr. M. Roth. De zaak in het kort [verzoekster] verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen. Zij wil duidelijkheid over de vraag of er sprake was van onzorgvuldig handelen rondom haar operatie bij NWZ op 6 november 2017. Ook wenst [verzoekster] duidelijkheid te krijgen over de vraag of zij door dat handelen schade heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] belang heeft bij het verzoek en dat het verzoek voldoende bepaald is. De rechtbank stelt de aan de deskundige te stellen vragen vast. De rechtbank stelt ook vast dat [verzoekster] het voorschot van de te benoemen deskundige moet betalen. De deskundige waarover partijen het eens waren, blijkt niet meer als deskundige op te treden. Partijen krijgen daarom nog de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 4 februari 2025 en het herziene verzoekschrift van 10 maart 2025, - het verweerschrift, - de mondelinge behandeling van 17 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Schoemaker heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die hij tijdens de mondelinge behandeling aan de rechtbank heeft overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken. 2 Feiten 2.1. Op 6 november 2017 is [verzoekster] geopereerd in het NWZ waarbij haar baarmoeder werd verwijderd. [verzoekster] is op 8 november 2017 uit het ziekenhuis ontslagen. 2.2. Op 10 november 2017 heeft [verzoekster] contact opgenomen met het NWZ met vragen over de operatiewond. Zij is die dag ook op de huisartsenpost geweest om de wond te laten beoordelen. 2.3. Op 12 november 2017 is [verzoekster] in het ziekenhuis opgenomen in verband met Platzbauch. Zij is diezelfde dag geopereerd. Na deze operatie kreeg zij een SPICA-verband als buikwandondersteuning. [verzoekster] is op 15 september 2017 ontslagen uit het ziekenhuis. 2.4. [verzoekster] is tussen 15 november 2017 en 20 september 2019 meerdere keren naar het NWZ teruggegaan vanwege problemen met urineverlies en rondom het operatiegebied. Er werden geen gynaecologische problemen gevonden. 2.5. Op 6 juni 2018 heeft [verzoekster] NWZ aansprakelijk gesteld voor onzorgvuldig handelen rondom haar operatie op 6 november 2017. NWZ betwist aansprakelijk te zijn voor onzorgvuldig handelen. 2.6. De medisch adviseur van [verzoekster] , de heer [medisch adviseur] , heeft op 11 mei 2018 en 19 september 2019 een medisch advies uitgebracht. 2.7. [verzoekster] heeft bij het regionaal tuchtcollege geklaagd over de handelswijze van de behandelend gynaecoloog in het NWZ. Het regionaal tuchtcollege heeft de klacht van [verzoekster] bij beslissing van 21 juni 2021 ongegrond verklaard. [verzoekster] heeft tegen de beslissing van het regionaal tuchtcollege beroep ingediend bij het centraal tuchtcollege. Zij werd in dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. 3 De beoordeling 3.1. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen. [verzoekster] stelt dat NWZ voorafgaande, tijdens en na de operatie op 6 november 2017 onvoldoende rekening heeft gehouden met haar epilepsie en/of COPD-allergie voor huisstofmijtallergie. Zij stelt dat zij daardoor na de operatie veel heeft moeten niezen waardoor mogelijk de Platzbauch is ontstaan. [verzoekster] verzoekt een deskundigenonderzoek te gelasten zodat zij duidelijkheid kan krijgen over de vragen of (1) er sprake is van onzorgvuldig handelen en (2) [verzoekster] daardoor schade heeft opgelopen. NWZ betwist dat er sprake is van onzorgvuldig handelen. Naar mening van NWZ moet het verzoek van [verzoekster] worden afgewezen omdat zij onvoldoende belang heeft bij het verzoek en het verzoek onvoldoende bepaald is. 3.2. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] voldoende belang heeft bij het verzoek. [verzoekster] is het niet eens met de beslissing van het regionaal tuchtcollege naar aanleiding van haar klacht over het handelen van de gynaecoloog. Anders dan NWZ aanvoert, betekent het feit dat het regionaal tuchtcollege de klacht van [verzoekster] ongegrond heeft verklaard niet dat [verzoekster] geen belang heeft bij een deskundigenonderzoek. Volgens vaste rechtspraak moet een rechter, als hij bij de beoordeling van het medisch handelen van een arts komt tot een oordeel dat afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter zijn oordeel zodanig motiveren dat dit ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan een motivering met behulp van verklaringen van één of meer, zo nodig door de rechter te benoemen, deskundigen. Deze deskundige zal zich tijdens zijn onderzoek moeten baseren op de informatie zoals die blijkt uit het medische dossier. De rechtbank volgt niet de stelling van NWZ dat op basis van die informatie niet kan worden gekomen tot het oordeel dat onzorgvuldig is gehandeld. Dat moet een deskundige nu juist beoordelen. [verzoekster] heeft dus een belang bij een voorlopig deskundigenbericht om haar proceskansen in een civiele procedure te kunnen inschatten. 3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek van [verzoekster] ook voldoende bepaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] toegelicht dat door de te benoemen deskundige moet worden beoordeeld of het handelen van NWZ voor, tijdens en na de operatie op 6 november 2017 al dan niet zorgvuldig is geweest. Daar komt bij dat uit de door NWZ voorgestelde vraagstelling blijkt welk handelen getoetst moet worden en dat dit haar duidelijk is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] ingestemd met deze vraagstelling. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] voldoende bepaald is. 3.4. Het verzoek van [verzoekster] een deskundige te benoemen zal dan ook worden toegewezen. Persoon deskundige 3.5. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld in te kunnen stemmen met benoeming van prof. dr. F.W. Jansen , gynaecoloog in het LUMC (hierna: prof. Jansen ). De rechtbank heeft prof. Jansen benaderd. Het is de rechtbank gebleken, zoals mr. Schoemaker ook al tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, dat prof. Jansen met pensioen is en niet meer als deskundige kan worden benoemd. 3.6. Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid dat prof. Jansen niet als deskundige zou kunnen worden benoemd door de rechter met partijen besproken.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15773 text/xml public 2026-02-16T14:23:39 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-07-03 C/15/361730/ HA RK 25-15 Uitspraak Beschikking NL Alkmaar Civiel recht Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2026-0092 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15773 text/html public 2026-02-06T11:58:09 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15773 Rechtbank Noord-Holland , 03-07-2025 / C/15/361730/ HA RK 25-15 Verzoekster verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen. Zij wil duidelijkheid over de vraag of er sprake was van onzorgvuldig handelen rondom haar operatie bij NWZ op 6 november 2017. Ook wenst verzoekster duidelijkheid te krijgen over de vraag of zij door dat handelen schade heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster belang heeft bij het verzoek en dat het verzoek voldoende bepaald is. De rechtbank stelt de aan de deskundige te stellen vragen vast. De rechtbank stelt ook vast dat verzoekster het voorschot van de te benoemen deskundige moet betalen. De deskundige waarover partijen het eens waren, blijkt niet meer als deskundige op te treden. Partijen krijgen daarom nog de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/361730 / HA RK 25-15 Beschikking van 3 juli 2025 (bij vervroeging) in de zaak van [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. R. Schoemaker, tegen NOORDWEST ZIEKENHUISGROEP , te Alkmaar, verwerende partij, hierna te noemen: NWZ, advocaat: mr. M. Roth. De zaak in het kort [verzoekster] verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen. Zij wil duidelijkheid over de vraag of er sprake was van onzorgvuldig handelen rondom haar operatie bij NWZ op 6 november 2017. Ook wenst [verzoekster] duidelijkheid te krijgen over de vraag of zij door dat handelen schade heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] belang heeft bij het verzoek en dat het verzoek voldoende bepaald is. De rechtbank stelt de aan de deskundige te stellen vragen vast. De rechtbank stelt ook vast dat [verzoekster] het voorschot van de te benoemen deskundige moet betalen. De deskundige waarover partijen het eens waren, blijkt niet meer als deskundige op te treden. Partijen krijgen daarom nog de gelegenheid zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 4 februari 2025 en het herziene verzoekschrift van 10 maart 2025, - het verweerschrift, - de mondelinge behandeling van 17 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Schoemaker heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die hij tijdens de mondelinge behandeling aan de rechtbank heeft overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken. 2 Feiten 2.1. Op 6 november 2017 is [verzoekster] geopereerd in het NWZ waarbij haar baarmoeder werd verwijderd. [verzoekster] is op 8 november 2017 uit het ziekenhuis ontslagen. 2.2. Op 10 november 2017 heeft [verzoekster] contact opgenomen met het NWZ met vragen over de operatiewond. Zij is die dag ook op de huisartsenpost geweest om de wond te laten beoordelen. 2.3. Op 12 november 2017 is [verzoekster] in het ziekenhuis opgenomen in verband met Platzbauch. Zij is diezelfde dag geopereerd. Na deze operatie kreeg zij een SPICA-verband als buikwandondersteuning. [verzoekster] is op 15 september 2017 ontslagen uit het ziekenhuis. 2.4. [verzoekster] is tussen 15 november 2017 en 20 september 2019 meerdere keren naar het NWZ teruggegaan vanwege problemen met urineverlies en rondom het operatiegebied. Er werden geen gynaecologische problemen gevonden. 2.5. Op 6 juni 2018 heeft [verzoekster] NWZ aansprakelijk gesteld voor onzorgvuldig handelen rondom haar operatie op 6 november 2017. NWZ betwist aansprakelijk te zijn voor onzorgvuldig handelen. 2.6. De medisch adviseur van [verzoekster] , de heer [medisch adviseur] , heeft op 11 mei 2018 en 19 september 2019 een medisch advies uitgebracht. 2.7. [verzoekster] heeft bij het regionaal tuchtcollege geklaagd over de handelswijze van de behandelend gynaecoloog in het NWZ. Het regionaal tuchtcollege heeft de klacht van [verzoekster] bij beslissing van 21 juni 2021 ongegrond verklaard. [verzoekster] heeft tegen de beslissing van het regionaal tuchtcollege beroep ingediend bij het centraal tuchtcollege. Zij werd in dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. 3 De beoordeling 3.1. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen. [verzoekster] stelt dat NWZ voorafgaande, tijdens en na de operatie op 6 november 2017 onvoldoende rekening heeft gehouden met haar epilepsie en/of COPD-allergie voor huisstofmijtallergie. Zij stelt dat zij daardoor na de operatie veel heeft moeten niezen waardoor mogelijk de Platzbauch is ontstaan. [verzoekster] verzoekt een deskundigenonderzoek te gelasten zodat zij duidelijkheid kan krijgen over de vragen of (1) er sprake is van onzorgvuldig handelen en (2) [verzoekster] daardoor schade heeft opgelopen. NWZ betwist dat er sprake is van onzorgvuldig handelen. Naar mening van NWZ moet het verzoek van [verzoekster] worden afgewezen omdat zij onvoldoende belang heeft bij het verzoek en het verzoek onvoldoende bepaald is. 3.2. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] voldoende belang heeft bij het verzoek. [verzoekster] is het niet eens met de beslissing van het regionaal tuchtcollege naar aanleiding van haar klacht over het handelen van de gynaecoloog. Anders dan NWZ aanvoert, betekent het feit dat het regionaal tuchtcollege de klacht van [verzoekster] ongegrond heeft verklaard niet dat [verzoekster] geen belang heeft bij een deskundigenonderzoek. Volgens vaste rechtspraak moet een rechter, als hij bij de beoordeling van het medisch handelen van een arts komt tot een oordeel dat afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter zijn oordeel zodanig motiveren dat dit ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter voldoende begrijpelijk is. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan een motivering met behulp van verklaringen van één of meer, zo nodig door de rechter te benoemen, deskundigen. Deze deskundige zal zich tijdens zijn onderzoek moeten baseren op de informatie zoals die blijkt uit het medische dossier. De rechtbank volgt niet de stelling van NWZ dat op basis van die informatie niet kan worden gekomen tot het oordeel dat onzorgvuldig is gehandeld. Dat moet een deskundige nu juist beoordelen. [verzoekster] heeft dus een belang bij een voorlopig deskundigenbericht om haar proceskansen in een civiele procedure te kunnen inschatten. 3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek van [verzoekster] ook voldoende bepaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] toegelicht dat door de te benoemen deskundige moet worden beoordeeld of het handelen van NWZ voor, tijdens en na de operatie op 6 november 2017 al dan niet zorgvuldig is geweest. Daar komt bij dat uit de door NWZ voorgestelde vraagstelling blijkt welk handelen getoetst moet worden en dat dit haar duidelijk is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] ingestemd met deze vraagstelling. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] voldoende bepaald is. 3.4. Het verzoek van [verzoekster] een deskundige te benoemen zal dan ook worden toegewezen. Persoon deskundige 3.5. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld in te kunnen stemmen met benoeming van prof. dr. F.W. Jansen , gynaecoloog in het LUMC (hierna: prof. Jansen ). De rechtbank heeft prof. Jansen benaderd. Het is de rechtbank gebleken, zoals mr. Schoemaker ook al tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, dat prof. Jansen met pensioen is en niet meer als deskundige kan worden benoemd. 3.6. Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid dat prof. Jansen niet als deskundige zou kunnen worden benoemd door de rechter met partijen besproken.
Volledig
Afgesproken is dat [verzoekster] in die situatie de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of zij kan instemmen met het benoemen van de andere deskundige die NWZ heeft voorgesteld, prof. dr. J.P.W.R. Roovers, urogynaecoloog in het Amsterdam UMC/ MediLibra. Indien [verzoekster] niet kan instemmen met benoeming van prof. dr. Roovers als deskundige dienen partijen te onderzoeken of zij in onderling overleg overeenstemming kunnen krijgen over de persoon van de te benoemen deskundige. Indien dat niet mogelijk blijkt, dienen partijen beiden één naam van een deskundige aan de rechtbank door te geven en zal de rechtbank uit deze twee personen een deskundige benaderen en zo mogelijk benoemen. Om partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken wie als deskundige in deze zaak kan worden benoemd, zal de rechtbank de behandeling van de zaak aanhouden met zes weken. In het geval partijen geen overeenstemming bereiken over een te benoemen deskundige, zal iedere partij schriftelijk mogen reageren op de voordracht die de andere partij doet, voordat de rechtbank verder zal beslissen. Aan de deskundige te stellen vragen 3.7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] ingestemd met de vragen zoals deze door NWZ in het verweerschrift zijn opgenomen. [verzoekster] heeft voorgesteld twee aanvullende vragen op te nemen, te weten: Is er een juiste dikte en juiste materiaal hechtdraad gebruikt? Is er op een juiste wijze geopereerd namelijk met een doorlopende hechting en had er niet een onderbroken hechtingsmethodiek moeten plaatsvinden? NWZ heeft betwist dat deze vragen aan de te benoemen deskundige gesteld zouden moeten worden. NWZ wijst in dat verband op de beslissing van het regionaal tuchtcollege. 3.8. Uit wat de rechtbank onder 3.2 heeft overwogen, volgt dat het feit dat het regionaal tuchtcollege een beslissing heeft genomen, niet tot gevolg heeft dat het verzoek van [verzoekster] een voorlopig deskundigenbericht te gelasten moet worden afgewezen. Dit argument geldt ook voor de aanvullende vragen die [verzoekster] aan de deskundige wil stellen. [verzoekster] wenst deze vragen te stellen omdat zij ten tijde van de operatie een te hoog BMI had en, zo stelt zij, een grotere kans liep op hoesten en/of een forse niesbui na de operatie vanwege haar allergie. Het feit dat het regionaal tuchtcollege van oordeel was dat er geen sprake was van een allergie dan wel een verhoogd risico daarop, maakt niet dat de aanvullende vragen daarom niet aan de te benoemen deskundige gesteld kunnen worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hierboven vermelde vragen ook aan de deskundige gesteld moeten worden. In plaats van deze vragen aan vraag 7 toe te voegen, zal de rechtbank deze vragen aan vraag 6 toevoegen. 3.9. Aan vraag 11 van de door NWZ geformuleerde vragen zal de rechtbank de woorden ‘op uw vakgebied’ toevoegen. Daarnaast zal de rechtbank aan het einde van de vragen een nieuwe alinea toevoegen dat ‘ Waar in de vraagstelling wordt gevraagd uw oordeel te baseren op de professionele standaard, wordt de professionele standaard bedoeld geldend tijdens de operatie 6 november 2017.’ Te betalen voorschot 3.10. [verzoekster] verzoekt NWZ in de kosten van het deskundigenbericht te veroordelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [verzoekster] moeten worden betaald. 4 De beslissing De rechtbank 4.1. stelt partijen in de gelegenheid om zich uiterlijk op 14 augustus 2025 uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, zoals weergegeven onder 3.6, 4.2. stelt partijen, in het geval zij geen overeenstemming hebben bereikt over een te benoemen deskundige, in de gelegenheid om zich vervolgens uiterlijk op 28 augustus 2025 uit te laten over de voordracht die de andere partij heeft gedaan, 4.3. houdt de zaak voor het overige aan in afwachting van de schriftelijke reacties van partijen. Deze beschikking is gegeven door mr. N. Boots en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025. MKG/ NB Platzbauch is een littekenbreuk in de buikwand waardoor de wond open gaat. Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532
Volledig
Afgesproken is dat [verzoekster] in die situatie de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of zij kan instemmen met het benoemen van de andere deskundige die NWZ heeft voorgesteld, prof. dr. J.P.W.R. Roovers, urogynaecoloog in het Amsterdam UMC/ MediLibra. Indien [verzoekster] niet kan instemmen met benoeming van prof. dr. Roovers als deskundige dienen partijen te onderzoeken of zij in onderling overleg overeenstemming kunnen krijgen over de persoon van de te benoemen deskundige. Indien dat niet mogelijk blijkt, dienen partijen beiden één naam van een deskundige aan de rechtbank door te geven en zal de rechtbank uit deze twee personen een deskundige benaderen en zo mogelijk benoemen. Om partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken wie als deskundige in deze zaak kan worden benoemd, zal de rechtbank de behandeling van de zaak aanhouden met zes weken. In het geval partijen geen overeenstemming bereiken over een te benoemen deskundige, zal iedere partij schriftelijk mogen reageren op de voordracht die de andere partij doet, voordat de rechtbank verder zal beslissen. Aan de deskundige te stellen vragen 3.7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] ingestemd met de vragen zoals deze door NWZ in het verweerschrift zijn opgenomen. [verzoekster] heeft voorgesteld twee aanvullende vragen op te nemen, te weten: Is er een juiste dikte en juiste materiaal hechtdraad gebruikt? Is er op een juiste wijze geopereerd namelijk met een doorlopende hechting en had er niet een onderbroken hechtingsmethodiek moeten plaatsvinden? NWZ heeft betwist dat deze vragen aan de te benoemen deskundige gesteld zouden moeten worden. NWZ wijst in dat verband op de beslissing van het regionaal tuchtcollege. 3.8. Uit wat de rechtbank onder 3.2 heeft overwogen, volgt dat het feit dat het regionaal tuchtcollege een beslissing heeft genomen, niet tot gevolg heeft dat het verzoek van [verzoekster] een voorlopig deskundigenbericht te gelasten moet worden afgewezen. Dit argument geldt ook voor de aanvullende vragen die [verzoekster] aan de deskundige wil stellen. [verzoekster] wenst deze vragen te stellen omdat zij ten tijde van de operatie een te hoog BMI had en, zo stelt zij, een grotere kans liep op hoesten en/of een forse niesbui na de operatie vanwege haar allergie. Het feit dat het regionaal tuchtcollege van oordeel was dat er geen sprake was van een allergie dan wel een verhoogd risico daarop, maakt niet dat de aanvullende vragen daarom niet aan de te benoemen deskundige gesteld kunnen worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hierboven vermelde vragen ook aan de deskundige gesteld moeten worden. In plaats van deze vragen aan vraag 7 toe te voegen, zal de rechtbank deze vragen aan vraag 6 toevoegen. 3.9. Aan vraag 11 van de door NWZ geformuleerde vragen zal de rechtbank de woorden ‘op uw vakgebied’ toevoegen. Daarnaast zal de rechtbank aan het einde van de vragen een nieuwe alinea toevoegen dat ‘ Waar in de vraagstelling wordt gevraagd uw oordeel te baseren op de professionele standaard, wordt de professionele standaard bedoeld geldend tijdens de operatie 6 november 2017.’ Te betalen voorschot 3.10. [verzoekster] verzoekt NWZ in de kosten van het deskundigenbericht te veroordelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [verzoekster] moeten worden betaald. 4 De beslissing De rechtbank 4.1. stelt partijen in de gelegenheid om zich uiterlijk op 14 augustus 2025 uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, zoals weergegeven onder 3.6, 4.2. stelt partijen, in het geval zij geen overeenstemming hebben bereikt over een te benoemen deskundige, in de gelegenheid om zich vervolgens uiterlijk op 28 augustus 2025 uit te laten over de voordracht die de andere partij heeft gedaan, 4.3. houdt de zaak voor het overige aan in afwachting van de schriftelijke reacties van partijen. Deze beschikking is gegeven door mr. N. Boots en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025. MKG/ NB Platzbauch is een littekenbreuk in de buikwand waardoor de wond open gaat. Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532