Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-19
ECLI:NL:RBNHO:2025:1538
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
12,801 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer: C/15/361008 / KG ZA 25-22
Vonnis in kort geding van 19 februari 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiseres]
,
gevestigd te [plaats] , Duitsland
eiseres,
advocaat mr. M.M. Dezfouli te Den Haag,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]
,
gevestigd te [plaats],
gedaagde,
advocaten mr. R.J.G. van Brakel en mr. R.T. Hofman te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de uitgebrachte dagvaarding van 23 januari 2025 met in totaal 11 producties
de akte houdende overlegging producties van [gedaagde] met in totaal 14 producties
de mondelinge behandeling op 5 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
de pleitnota van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] handelt in tweedehands vliegtuigonderdelen ten behoeve van particuliere (passagiers)luchtvaartuigen.
2.2.
Op 21 mei 2024 heeft [eiseres] een tweedehands vliegtuigmotor met nummer CFM56-3C1 (hierna: de vliegtuigmotor) gekocht van het in Ierland gevestigde bedrijf Falcon Wings Ltd., met het doel om deze door te verkopen aan een in Iran gevestigde partij.
2.3.
In de Engine Purchase Agreement van 21 mei 2024 is onder meer het volgende opgenomen:
2.4.
[eiseres] heeft vervolgens opdracht gegeven aan expediteur [gedaagde] om de vliegtuigmotor naar Iran te doen transporteren.
2.5.
Op 1 juli 2024 heeft de Nederlandse douane het transport van de vliegtuigmotor tegengehouden ter onderzoek naar een mogelijke overtreding van (artikel 2 lid 1 van) Verordening (EU) 2023/1529 (hierna: de Verordening), waarvan [gedaagde] [eiseres] bij brief van 3 juli 2024 op de hoogte heeft gebracht.
2.6.
Bij brief van 1 oktober 2024 heeft [gedaagde] [eiseres] aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij mocht lijden als gevolg van mogelijke overtreding van toepasselijke wet- en regelgeving met betrekking tot de vliegtuigmotor – waaronder de Verordening en de US Export Administration Regulations (hierna: de EAR) – en heeft zij [eiseres] onder meer geschreven:
We kindly request [eiseres] , ultimately on 8 October 2024 COB, to confirm in writing that:
(i) [eiseres] acknowledges liability vis-à-vis [gedaagde] for all damages including any fines imposed on [gedaagde] resulting from the violations set out in this letter; and
(ii) [eiseres] indemnifies [gedaagde] / holds [gedaagde] harmless against all third-party claims, including any fines imposed on [gedaagde] resulting from the violations set out in this letter.
2.7.
Bij brief van eveneens 1 oktober 2024 heeft [gedaagde] een Notification of Voluntary Self-Disclosure gestuurd aan (1) de U.S. Department of Commerce, Bureau of Industry and Security’s (BIS) Office of Export Enforcement (OEE) en (2) de U.S. Department of the Treasury, Office of Foreign Assets Control (OFAC), inzake de mogelijke overtreding van de EAR.
2.8.
[eiseres] heeft op enig moment daarna de overeenkomst met haar Iraanse wederpartij ontbonden en heeft een geïnteresseerde koper voor de vliegtuigmotor gevonden in Litouwen.
2.9.
Op 28 november 2024 heeft de Nederlandse douane met betrekking tot de vliegtuigmotor onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:
In overleg met het Openbaar Ministerie wordt [gedaagde] gewaarschuwd voor bovengenoemde overtreding. Als wordt vastgesteld dat door [gedaagde] wederom de voorschriften bepaald bij of krachtens de Sanctiewet 1977 niet worden nageleefd, kan er proces-verbaal worden opgemaakt.
2.10.
Bij brief van 10 december 2024 heeft (de advocaat van) [eiseres] aan [gedaagde] geschreven – kort gezegd – dat in dit geval wet- en regelgeving uit de Verenigde Staten binnen de EU niet rechtens afdwingbaar zijn en [eiseres] dus niet kan voldoen aan het gevraagde onder (i) en (ii) als bedoeld in de brief van [gedaagde] van 1 oktober 2024 (zie hierboven in 2.6), maar dat [eiseres] wel bereid is “to make a declaration that it will not ship the Engine to Iran or sell it to an Iranian person as long as the relevant EU and UN sanctions are in place, and that it will only sell the Engine if the buyer makes a similar declaration”.
2.11.
In diezelfde brief heeft [eiseres] aan [gedaagde] verzocht om de vliegtuigmotor uiterlijk op 17 december 2024 vrij te geven, aan welk verzoek [gedaagde] tot op heden niet heeft voldaan.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. gedaagde te gebieden om de motor 'CFM56-3C1 Engine', die in bezit is van gedaagde, vrij te geven op nadere instructies van eiseres;
2. te verklaren voor het recht dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld door niet vrij te geven van de motor in kwestie;
3. gedaagde te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure inbegrepen salariskosten van de advocaat en de na-kosten.
3.2.
Aan haar vordering legt [eiseres] – samengevat – ten grondslag dat een overtreding juist is voorkómen door de vliegtuigmotor niet meer te leveren aan het Iraanse bedrijf, als gevolg waarvan ook geen sprake kan zijn van sancties waarvoor [eiseres] jegens [gedaagde] aansprakelijk is. Voor handhaving door [gedaagde] van haar retentierecht is dan ook geen grondslag (meer), aldus [eiseres] .
3.3.
[gedaagde] voert tot haar verweer – kort gezegd – dat [gedaagde] op grond van de van toepassing zijnde Fenex-voorwaarden een retentierecht op de vliegtuigmotor heeft voor álle vorderingen die zij nu heeft en in de toekomst nog zal verkrijgen op [eiseres] als gevolg van overtredingen van de toepasselijke sanctie- en exportcontrolewetgeving. De door [eiseres] aan [gedaagde] opgedragen transporten betroffen (onderdelen van) de vliegtuigmotoren die onder meer vallen onder de EAR. Deze regelgeving is van toepassing omdat de toepasselijkheid van het Amerikaanse recht de oorsprong van de goederen volgt. Zowel de BIS als de OFAC (zie 2.7) kunnen afzonderlijk civielrechtelijke sancties opleggen aan [gedaagde] voor overtredingen van de EAR, welke boetes potentieel miljoenen euro’s kunnen bedragen. Omdat [eiseres] haar aansprakelijkheid voor deze boetes jegens [gedaagde] ten onrechte van de hand heeft gewezen, heeft [gedaagde] dus recht op en belang bij haar beroep op het retentierecht, aldus [gedaagde].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
Nu [eiseres] een rechtspersoon naar buitenlands recht is en in Duitsland is gevestigd, draagt de vordering een internationaal karakter. Allereerst dient de voorzieningenrechter dan ook de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en zo ja, welk recht op de vordering van toepassing is.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat hij zijn internationale bevoegdheid moet vaststellen aan de hand van de herschikte EEX-Verordening. Op grond van artikel 4 lid 1 hiervan worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. In artikel 21 lid 2 van de Fenex-voorwaarden, die tussen partijen van toepassing zijn verklaard, is voorts opgenomen dat als plaats van vereffening en schaderegeling geldt de plaats van vestiging van de Expediteur. Nu [gedaagde] in [plaats] is gevestigd, is de voorzieningenrechter van deze rechtbank dus bevoegd om van dit geschil kennis te nemen onder toepassing van Nederlands recht (artikel 21 lid 1 van de Fenex-voorwaarden).
Spoedeisend belang
4.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.4.
Zolang de vliegtuigmotor nog onder het retentierecht van [gedaagde] valt, kan [eiseres] daarover niet beschikken en kan zij deze niet vrijelijk (door)verkopen aan derde partijen. [gedaagde] heeft niet (voldoende gemotiveerd) weersproken de stelling van [eiseres] dat de vliegtuigmotor een voor haar bedrijfsvoering relatief hoge waarde vertegenwoordigt die overeenkomt met een aanzienlijk deel van haar jaarlijkse omzet. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Inhoudelijk
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat op de door [eiseres] aan [gedaagde] gegeven opdracht tot verzending van de vliegtuigmotor de Nederlandse Expeditievoorwaarden (hierna: de Fenex-voorwaarden) van toepassing zijn. In (de Nederlandse versie van) de Fenex-voorwaarden is onder meer het volgende opgenomen:
Artikel 11. Aansprakelijkheid
(…)
7. De Opdrachtgever is tegenover de Expediteur aansprakelijk voor alle schade
– waaronder maar niet beperkt tot materiële schade, immateriële schade, gevolgschade, boeten, interesten, alsmede straffen en verbeurdverklaringen, daaronder begrepen gevolgen wegens niet of niet tijdige aanzuivering van douanedocumenten en aanspraken wegens productaansprakelijkheid en/of intellectuele eigendomsrechten – die de Expediteur direct dan wel indirect lijdt ten gevolge van onder meer de niet nakoming door Opdrachtgever van enige verplichting op grond van de Overeenkomst of op grond van toepasselijke nationale en/of internationale wet- en regelgeving, ten gevolge van enig voorval dat in de risicosfeer van Opdrachtgever is gelegen, alsmede ten gevolge van de schuld of nalatigheid in het algemeen van de Opdrachtgever en/of diens ondergeschikten en/of door hem ingeschakelde en/of werkzame derden.
8. De Opdrachtgever zal de Expediteur te allen tijde vrijwaren tegen aanspraken van derden, waaronder begrepen ondergeschikten van zowel de Expediteur als de Opdrachtgever, die verband houden met of voortvloeien uit de in het vorige lid bedoelde schade.
(…)
Artikel 17. Zekerheden
(…)
2. De Expediteur heeft een retentierecht op alle Zaken, documenten en gelden die hij uit welke hoofde en met welke bestemming ook onder zich heeft of zal krijgen, voor alle vorderingen die de Expediteur ten laste van de Opdrachtgever en / of de eigenaar van de Zaken heeft of zal krijgen, ook ten aanzien van vorderingen welke geen betrekking hebben op die Zaken.
(…)
6. De Expediteur kan de in dit artikel genoemde rechten (pandrecht, retentie recht en recht om afgifte te weigeren) eveneens uitoefenen voor hetgeen hem door de Opdrachtgever nog verschuldigd is in verband met voorgaande opdrachten en voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
4.6.
Vooropgesteld wordt dat het in (art. 17 lid 2 van) het bovenstaande citaat bedoelde retentierecht van [gedaagde] op grond van de Fenex-voorwaarden zeer ruim is omschreven en daarmee veelomvattend is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een door de BIS of de OFAC aan [gedaagde] op te leggen boete dan ook te begrijpen als ‘vorderingen die de Expediteur ten laste van de Opdrachtgever heeft of zal krijgen’ uit hoofde van ‘boeten’. Ter zitting heeft (de advocaat van) [eiseres] ook erkend dat áls er een dergelijke boete mocht worden opgelegd aan [gedaagde] wegens overtreding van de EAR, [eiseres] op grond van de Fenex-voorwaarden daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld door [gedaagde]. Ook met betrekking tot toekomstige of ‘voorgaande opdrachten’ geldt dat [gedaagde] daarvoor haar retentierecht kan inroepen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat [gedaagde] al eerder vliegtuigmotoren in opdracht van [eiseres] naar Iran heeft verscheept.
4.7.
Het verweer van [eiseres] dat zij in het kader van die eerdere verschepingen van vliegtuigmotoren naar Iran door [gedaagde] nooit een (voorbeeld)boete heeft gezien, zodat het niet waarschijnlijk is dat die in het onderhavige geval wel zal worden opgelegd, treft geen doel. Ter zitting heeft de advocaat van [gedaagde] in dat kader immers onweersproken aangevoerd dat in Duitsland wél al boetes zijn opgelegd voor overtreding van dezelfde sanctiebepalingen. De kans dat dergelijke boetes ook in Nederland (kunnen) worden opgelegd, is dus geenszins denkbeeldig. Daar komt bij dat (de advocaat van) [gedaagde] ter zitting eveneens onweersproken heeft gesteld dat er inmiddels een zienswijze is ingediend bij de BIS c.q. de OFAC, waarvoor nu een antwoordtermijn van 180 dagen loopt. Bij die stand van zaken is voorshands onvoldoende aannemelijk dat géén boete kan of zal worden opgelegd. Niet in geschil tussen partijen is zoals gezegd dat bij oplegging van een boete aan [gedaagde] [eiseres] daar op grond van de overeengekomen bepalingen in de Fenex-voorwaarden voor aansprakelijk is jegens [gedaagde]. Ter zekerheidstelling van díe (eventuele) boete(s) heeft [gedaagde] het retentierecht ingeroepen. Voorts is ter zitting gebleken dat [eiseres] niet in staat is om vervangende zekerheid te bieden ter dekking van (het risico op) de eventuele oplegging van boete(s).
4.8.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij handhaving van het retentierecht zwaarder weegt dan het belang van [eiseres] bij opheffing daarvan en vrijgave van de vliegtuigmotor. Dat leidt ertoe dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.
4.9.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 19 februari 2025.
Verordening (EU) 2023/1529 van de Raad van 20 juli 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de militaire steun van Iran aan de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (‘Brussel I-bis’).
Nederlandse Expeditievoorwaarden van 1 mei 2018 zoals gedeponeerd bij de rechtbank te Amsterdam onder nummer 23/2018 en bij de rechtbank te Rotterdam onder nummer 16/2018.
Conc.: 936
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer: C/15/361008 / KG ZA 25-22
Vonnis in kort geding van 19 februari 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiseres]
,
gevestigd te [plaats] , Duitsland
eiseres,
advocaat mr. M.M. Dezfouli te Den Haag,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]
,
gevestigd te [plaats],
gedaagde,
advocaten mr. R.J.G. van Brakel en mr. R.T. Hofman te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de uitgebrachte dagvaarding van 23 januari 2025 met in totaal 11 producties
de akte houdende overlegging producties van [gedaagde] met in totaal 14 producties
de mondelinge behandeling op 5 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
de pleitnota van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] handelt in tweedehands vliegtuigonderdelen ten behoeve van particuliere (passagiers)luchtvaartuigen.
2.2.
Op 21 mei 2024 heeft [eiseres] een tweedehands vliegtuigmotor met nummer CFM56-3C1 (hierna: de vliegtuigmotor) gekocht van het in Ierland gevestigde bedrijf Falcon Wings Ltd., met het doel om deze door te verkopen aan een in Iran gevestigde partij.
2.3.
In de Engine Purchase Agreement van 21 mei 2024 is onder meer het volgende opgenomen:
2.4.
[eiseres] heeft vervolgens opdracht gegeven aan expediteur [gedaagde] om de vliegtuigmotor naar Iran te doen transporteren.
2.5.
Op 1 juli 2024 heeft de Nederlandse douane het transport van de vliegtuigmotor tegengehouden ter onderzoek naar een mogelijke overtreding van (artikel 2 lid 1 van) Verordening (EU) 2023/1529 (hierna: de Verordening), waarvan [gedaagde] [eiseres] bij brief van 3 juli 2024 op de hoogte heeft gebracht.
2.6.
Bij brief van 1 oktober 2024 heeft [gedaagde] [eiseres] aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij mocht lijden als gevolg van mogelijke overtreding van toepasselijke wet- en regelgeving met betrekking tot de vliegtuigmotor – waaronder de Verordening en de US Export Administration Regulations (hierna: de EAR) – en heeft zij [eiseres] onder meer geschreven:
We kindly request [eiseres] , ultimately on 8 October 2024 COB, to confirm in writing that:
(i) [eiseres] acknowledges liability vis-à-vis [gedaagde] for all damages including any fines imposed on [gedaagde] resulting from the violations set out in this letter; and
(ii) [eiseres] indemnifies [gedaagde] / holds [gedaagde] harmless against all third-party claims, including any fines imposed on [gedaagde] resulting from the violations set out in this letter.
2.7.
Bij brief van eveneens 1 oktober 2024 heeft [gedaagde] een Notification of Voluntary Self-Disclosure gestuurd aan (1) de U.S. Department of Commerce, Bureau of Industry and Security’s (BIS) Office of Export Enforcement (OEE) en (2) de U.S. Department of the Treasury, Office of Foreign Assets Control (OFAC), inzake de mogelijke overtreding van de EAR.
2.8.
[eiseres] heeft op enig moment daarna de overeenkomst met haar Iraanse wederpartij ontbonden en heeft een geïnteresseerde koper voor de vliegtuigmotor gevonden in Litouwen.
2.9.
Op 28 november 2024 heeft de Nederlandse douane met betrekking tot de vliegtuigmotor onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:
In overleg met het Openbaar Ministerie wordt [gedaagde] gewaarschuwd voor bovengenoemde overtreding. Als wordt vastgesteld dat door [gedaagde] wederom de voorschriften bepaald bij of krachtens de Sanctiewet 1977 niet worden nageleefd, kan er proces-verbaal worden opgemaakt.
2.10.
Bij brief van 10 december 2024 heeft (de advocaat van) [eiseres] aan [gedaagde] geschreven – kort gezegd – dat in dit geval wet- en regelgeving uit de Verenigde Staten binnen de EU niet rechtens afdwingbaar zijn en [eiseres] dus niet kan voldoen aan het gevraagde onder (i) en (ii) als bedoeld in de brief van [gedaagde] van 1 oktober 2024 (zie hierboven in 2.6), maar dat [eiseres] wel bereid is “to make a declaration that it will not ship the Engine to Iran or sell it to an Iranian person as long as the relevant EU and UN sanctions are in place, and that it will only sell the Engine if the buyer makes a similar declaration”.
2.11.
In diezelfde brief heeft [eiseres] aan [gedaagde] verzocht om de vliegtuigmotor uiterlijk op 17 december 2024 vrij te geven, aan welk verzoek [gedaagde] tot op heden niet heeft voldaan.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. gedaagde te gebieden om de motor 'CFM56-3C1 Engine', die in bezit is van gedaagde, vrij te geven op nadere instructies van eiseres;
2. te verklaren voor het recht dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld door niet vrij te geven van de motor in kwestie;
3. gedaagde te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure inbegrepen salariskosten van de advocaat en de na-kosten.
3.2.
Aan haar vordering legt [eiseres] – samengevat – ten grondslag dat een overtreding juist is voorkómen door de vliegtuigmotor niet meer te leveren aan het Iraanse bedrijf, als gevolg waarvan ook geen sprake kan zijn van sancties waarvoor [eiseres] jegens [gedaagde] aansprakelijk is. Voor handhaving door [gedaagde] van haar retentierecht is dan ook geen grondslag (meer), aldus [eiseres] .
3.3.
[gedaagde] voert tot haar verweer – kort gezegd – dat [gedaagde] op grond van de van toepassing zijnde Fenex-voorwaarden een retentierecht op de vliegtuigmotor heeft voor álle vorderingen die zij nu heeft en in de toekomst nog zal verkrijgen op [eiseres] als gevolg van overtredingen van de toepasselijke sanctie- en exportcontrolewetgeving. De door [eiseres] aan [gedaagde] opgedragen transporten betroffen (onderdelen van) de vliegtuigmotoren die onder meer vallen onder de EAR. Deze regelgeving is van toepassing omdat de toepasselijkheid van het Amerikaanse recht de oorsprong van de goederen volgt. Zowel de BIS als de OFAC (zie 2.7) kunnen afzonderlijk civielrechtelijke sancties opleggen aan [gedaagde] voor overtredingen van de EAR, welke boetes potentieel miljoenen euro’s kunnen bedragen. Omdat [eiseres] haar aansprakelijkheid voor deze boetes jegens [gedaagde] ten onrechte van de hand heeft gewezen, heeft [gedaagde] dus recht op en belang bij haar beroep op het retentierecht, aldus [gedaagde].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
Nu [eiseres] een rechtspersoon naar buitenlands recht is en in Duitsland is gevestigd, draagt de vordering een internationaal karakter. Allereerst dient de voorzieningenrechter dan ook de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en zo ja, welk recht op de vordering van toepassing is.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat hij zijn internationale bevoegdheid moet vaststellen aan de hand van de herschikte EEX-Verordening. Op grond van artikel 4 lid 1 hiervan worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. In artikel 21 lid 2 van de Fenex-voorwaarden, die tussen partijen van toepassing zijn verklaard, is voorts opgenomen dat als plaats van vereffening en schaderegeling geldt de plaats van vestiging van de Expediteur. Nu [gedaagde] in [plaats] is gevestigd, is de voorzieningenrechter van deze rechtbank dus bevoegd om van dit geschil kennis te nemen onder toepassing van Nederlands recht (artikel 21 lid 1 van de Fenex-voorwaarden).
Spoedeisend belang
4.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.4.
Zolang de vliegtuigmotor nog onder het retentierecht van [gedaagde] valt, kan [eiseres] daarover niet beschikken en kan zij deze niet vrijelijk (door)verkopen aan derde partijen. [gedaagde] heeft niet (voldoende gemotiveerd) weersproken de stelling van [eiseres] dat de vliegtuigmotor een voor haar bedrijfsvoering relatief hoge waarde vertegenwoordigt die overeenkomt met een aanzienlijk deel van haar jaarlijkse omzet. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Inhoudelijk
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat op de door [eiseres] aan [gedaagde] gegeven opdracht tot verzending van de vliegtuigmotor de Nederlandse Expeditievoorwaarden (hierna: de Fenex-voorwaarden) van toepassing zijn. In (de Nederlandse versie van) de Fenex-voorwaarden is onder meer het volgende opgenomen:
Artikel 11. Aansprakelijkheid
(…)
7. De Opdrachtgever is tegenover de Expediteur aansprakelijk voor alle schade
– waaronder maar niet beperkt tot materiële schade, immateriële schade, gevolgschade, boeten, interesten, alsmede straffen en verbeurdverklaringen, daaronder begrepen gevolgen wegens niet of niet tijdige aanzuivering van douanedocumenten en aanspraken wegens productaansprakelijkheid en/of intellectuele eigendomsrechten – die de Expediteur direct dan wel indirect lijdt ten gevolge van onder meer de niet nakoming door Opdrachtgever van enige verplichting op grond van de Overeenkomst of op grond van toepasselijke nationale en/of internationale wet- en regelgeving, ten gevolge van enig voorval dat in de risicosfeer van Opdrachtgever is gelegen, alsmede ten gevolge van de schuld of nalatigheid in het algemeen van de Opdrachtgever en/of diens ondergeschikten en/of door hem ingeschakelde en/of werkzame derden.
8. De Opdrachtgever zal de Expediteur te allen tijde vrijwaren tegen aanspraken van derden, waaronder begrepen ondergeschikten van zowel de Expediteur als de Opdrachtgever, die verband houden met of voortvloeien uit de in het vorige lid bedoelde schade.
(…)
Artikel 17. Zekerheden
(…)
2. De Expediteur heeft een retentierecht op alle Zaken, documenten en gelden die hij uit welke hoofde en met welke bestemming ook onder zich heeft of zal krijgen, voor alle vorderingen die de Expediteur ten laste van de Opdrachtgever en / of de eigenaar van de Zaken heeft of zal krijgen, ook ten aanzien van vorderingen welke geen betrekking hebben op die Zaken.
(…)
6. De Expediteur kan de in dit artikel genoemde rechten (pandrecht, retentie recht en recht om afgifte te weigeren) eveneens uitoefenen voor hetgeen hem door de Opdrachtgever nog verschuldigd is in verband met voorgaande opdrachten en voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
4.6.
Vooropgesteld wordt dat het in (art. 17 lid 2 van) het bovenstaande citaat bedoelde retentierecht van [gedaagde] op grond van de Fenex-voorwaarden zeer ruim is omschreven en daarmee veelomvattend is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een door de BIS of de OFAC aan [gedaagde] op te leggen boete dan ook te begrijpen als ‘vorderingen die de Expediteur ten laste van de Opdrachtgever heeft of zal krijgen’ uit hoofde van ‘boeten’. Ter zitting heeft (de advocaat van) [eiseres] ook erkend dat áls er een dergelijke boete mocht worden opgelegd aan [gedaagde] wegens overtreding van de EAR, [eiseres] op grond van de Fenex-voorwaarden daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld door [gedaagde]. Ook met betrekking tot toekomstige of ‘voorgaande opdrachten’ geldt dat [gedaagde] daarvoor haar retentierecht kan inroepen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat [gedaagde] al eerder vliegtuigmotoren in opdracht van [eiseres] naar Iran heeft verscheept.
4.7.
Het verweer van [eiseres] dat zij in het kader van die eerdere verschepingen van vliegtuigmotoren naar Iran door [gedaagde] nooit een (voorbeeld)boete heeft gezien, zodat het niet waarschijnlijk is dat die in het onderhavige geval wel zal worden opgelegd, treft geen doel. Ter zitting heeft de advocaat van [gedaagde] in dat kader immers onweersproken aangevoerd dat in Duitsland wél al boetes zijn opgelegd voor overtreding van dezelfde sanctiebepalingen. De kans dat dergelijke boetes ook in Nederland (kunnen) worden opgelegd, is dus geenszins denkbeeldig. Daar komt bij dat (de advocaat van) [gedaagde] ter zitting eveneens onweersproken heeft gesteld dat er inmiddels een zienswijze is ingediend bij de BIS c.q. de OFAC, waarvoor nu een antwoordtermijn van 180 dagen loopt. Bij die stand van zaken is voorshands onvoldoende aannemelijk dat géén boete kan of zal worden opgelegd. Niet in geschil tussen partijen is zoals gezegd dat bij oplegging van een boete aan [gedaagde] [eiseres] daar op grond van de overeengekomen bepalingen in de Fenex-voorwaarden voor aansprakelijk is jegens [gedaagde]. Ter zekerheidstelling van díe (eventuele) boete(s) heeft [gedaagde] het retentierecht ingeroepen. Voorts is ter zitting gebleken dat [eiseres] niet in staat is om vervangende zekerheid te bieden ter dekking van (het risico op) de eventuele oplegging van boete(s).
4.8.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij handhaving van het retentierecht zwaarder weegt dan het belang van [eiseres] bij opheffing daarvan en vrijgave van de vliegtuigmotor. Dat leidt ertoe dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.
4.9.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 19 februari 2025.
Verordening (EU) 2023/1529 van de Raad van 20 juli 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de militaire steun van Iran aan de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (‘Brussel I-bis’).
Nederlandse Expeditievoorwaarden van 1 mei 2018 zoals gedeponeerd bij de rechtbank te Amsterdam onder nummer 23/2018 en bij de rechtbank te Rotterdam onder nummer 16/2018.
Conc.: 936
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer: C/15/361008 / KG ZA 25-22
Vonnis in kort geding van 19 februari 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiseres]
,
gevestigd te [plaats] , Duitsland
eiseres,
advocaat mr. M.M. Dezfouli te Den Haag,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]
,
gevestigd te [plaats],
gedaagde,
advocaten mr. R.J.G. van Brakel en mr. R.T. Hofman te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de uitgebrachte dagvaarding van 23 januari 2025 met in totaal 11 producties
de akte houdende overlegging producties van [gedaagde] met in totaal 14 producties
de mondelinge behandeling op 5 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
de pleitnota van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] handelt in tweedehands vliegtuigonderdelen ten behoeve van particuliere (passagiers)luchtvaartuigen.
2.2.
Op 21 mei 2024 heeft [eiseres] een tweedehands vliegtuigmotor met nummer CFM56-3C1 (hierna: de vliegtuigmotor) gekocht van het in Ierland gevestigde bedrijf Falcon Wings Ltd., met het doel om deze door te verkopen aan een in Iran gevestigde partij.
2.3.
In de Engine Purchase Agreement van 21 mei 2024 is onder meer het volgende opgenomen:
2.4.
[eiseres] heeft vervolgens opdracht gegeven aan expediteur [gedaagde] om de vliegtuigmotor naar Iran te doen transporteren.
2.5.
Op 1 juli 2024 heeft de Nederlandse douane het transport van de vliegtuigmotor tegengehouden ter onderzoek naar een mogelijke overtreding van (artikel 2 lid 1 van) Verordening (EU) 2023/1529 (hierna: de Verordening), waarvan [gedaagde] [eiseres] bij brief van 3 juli 2024 op de hoogte heeft gebracht.
2.6.
Bij brief van 1 oktober 2024 heeft [gedaagde] [eiseres] aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij mocht lijden als gevolg van mogelijke overtreding van toepasselijke wet- en regelgeving met betrekking tot de vliegtuigmotor – waaronder de Verordening en de US Export Administration Regulations (hierna: de EAR) – en heeft zij [eiseres] onder meer geschreven:
We kindly request [eiseres] , ultimately on 8 October 2024 COB, to confirm in writing that:
(i) [eiseres] acknowledges liability vis-à-vis [gedaagde] for all damages including any fines imposed on [gedaagde] resulting from the violations set out in this letter; and
(ii) [eiseres] indemnifies [gedaagde] / holds [gedaagde] harmless against all third-party claims, including any fines imposed on [gedaagde] resulting from the violations set out in this letter.
2.7.
Bij brief van eveneens 1 oktober 2024 heeft [gedaagde] een Notification of Voluntary Self-Disclosure gestuurd aan (1) de U.S. Department of Commerce, Bureau of Industry and Security’s (BIS) Office of Export Enforcement (OEE) en (2) de U.S. Department of the Treasury, Office of Foreign Assets Control (OFAC), inzake de mogelijke overtreding van de EAR.
2.8.
[eiseres] heeft op enig moment daarna de overeenkomst met haar Iraanse wederpartij ontbonden en heeft een geïnteresseerde koper voor de vliegtuigmotor gevonden in Litouwen.
2.9.
Op 28 november 2024 heeft de Nederlandse douane met betrekking tot de vliegtuigmotor onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:
In overleg met het Openbaar Ministerie wordt [gedaagde] gewaarschuwd voor bovengenoemde overtreding. Als wordt vastgesteld dat door [gedaagde] wederom de voorschriften bepaald bij of krachtens de Sanctiewet 1977 niet worden nageleefd, kan er proces-verbaal worden opgemaakt.
2.10.
Bij brief van 10 december 2024 heeft (de advocaat van) [eiseres] aan [gedaagde] geschreven – kort gezegd – dat in dit geval wet- en regelgeving uit de Verenigde Staten binnen de EU niet rechtens afdwingbaar zijn en [eiseres] dus niet kan voldoen aan het gevraagde onder (i) en (ii) als bedoeld in de brief van [gedaagde] van 1 oktober 2024 (zie hierboven in 2.6), maar dat [eiseres] wel bereid is “to make a declaration that it will not ship the Engine to Iran or sell it to an Iranian person as long as the relevant EU and UN sanctions are in place, and that it will only sell the Engine if the buyer makes a similar declaration”.
2.11.
In diezelfde brief heeft [eiseres] aan [gedaagde] verzocht om de vliegtuigmotor uiterlijk op 17 december 2024 vrij te geven, aan welk verzoek [gedaagde] tot op heden niet heeft voldaan.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. gedaagde te gebieden om de motor 'CFM56-3C1 Engine', die in bezit is van gedaagde, vrij te geven op nadere instructies van eiseres;
2. te verklaren voor het recht dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld door niet vrij te geven van de motor in kwestie;
3. gedaagde te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure inbegrepen salariskosten van de advocaat en de na-kosten.
3.2.
Aan haar vordering legt [eiseres] – samengevat – ten grondslag dat een overtreding juist is voorkómen door de vliegtuigmotor niet meer te leveren aan het Iraanse bedrijf, als gevolg waarvan ook geen sprake kan zijn van sancties waarvoor [eiseres] jegens [gedaagde] aansprakelijk is. Voor handhaving door [gedaagde] van haar retentierecht is dan ook geen grondslag (meer), aldus [eiseres] .
3.3.
[gedaagde] voert tot haar verweer – kort gezegd – dat [gedaagde] op grond van de van toepassing zijnde Fenex-voorwaarden een retentierecht op de vliegtuigmotor heeft voor álle vorderingen die zij nu heeft en in de toekomst nog zal verkrijgen op [eiseres] als gevolg van overtredingen van de toepasselijke sanctie- en exportcontrolewetgeving. De door [eiseres] aan [gedaagde] opgedragen transporten betroffen (onderdelen van) de vliegtuigmotoren die onder meer vallen onder de EAR. Deze regelgeving is van toepassing omdat de toepasselijkheid van het Amerikaanse recht de oorsprong van de goederen volgt. Zowel de BIS als de OFAC (zie 2.7) kunnen afzonderlijk civielrechtelijke sancties opleggen aan [gedaagde] voor overtredingen van de EAR, welke boetes potentieel miljoenen euro’s kunnen bedragen. Omdat [eiseres] haar aansprakelijkheid voor deze boetes jegens [gedaagde] ten onrechte van de hand heeft gewezen, heeft [gedaagde] dus recht op en belang bij haar beroep op het retentierecht, aldus [gedaagde].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
Nu [eiseres] een rechtspersoon naar buitenlands recht is en in Duitsland is gevestigd, draagt de vordering een internationaal karakter. Allereerst dient de voorzieningenrechter dan ook de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en zo ja, welk recht op de vordering van toepassing is.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat hij zijn internationale bevoegdheid moet vaststellen aan de hand van de herschikte EEX-Verordening. Op grond van artikel 4 lid 1 hiervan worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. In artikel 21 lid 2 van de Fenex-voorwaarden, die tussen partijen van toepassing zijn verklaard, is voorts opgenomen dat als plaats van vereffening en schaderegeling geldt de plaats van vestiging van de Expediteur. Nu [gedaagde] in [plaats] is gevestigd, is de voorzieningenrechter van deze rechtbank dus bevoegd om van dit geschil kennis te nemen onder toepassing van Nederlands recht (artikel 21 lid 1 van de Fenex-voorwaarden).
Spoedeisend belang
4.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiseres] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.4.
Zolang de vliegtuigmotor nog onder het retentierecht van [gedaagde] valt, kan [eiseres] daarover niet beschikken en kan zij deze niet vrijelijk (door)verkopen aan derde partijen. [gedaagde] heeft niet (voldoende gemotiveerd) weersproken de stelling van [eiseres] dat de vliegtuigmotor een voor haar bedrijfsvoering relatief hoge waarde vertegenwoordigt die overeenkomt met een aanzienlijk deel van haar jaarlijkse omzet. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Inhoudelijk
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat op de door [eiseres] aan [gedaagde] gegeven opdracht tot verzending van de vliegtuigmotor de Nederlandse Expeditievoorwaarden (hierna: de Fenex-voorwaarden) van toepassing zijn. In (de Nederlandse versie van) de Fenex-voorwaarden is onder meer het volgende opgenomen:
Artikel 11. Aansprakelijkheid
(…)
7. De Opdrachtgever is tegenover de Expediteur aansprakelijk voor alle schade
– waaronder maar niet beperkt tot materiële schade, immateriële schade, gevolgschade, boeten, interesten, alsmede straffen en verbeurdverklaringen, daaronder begrepen gevolgen wegens niet of niet tijdige aanzuivering van douanedocumenten en aanspraken wegens productaansprakelijkheid en/of intellectuele eigendomsrechten – die de Expediteur direct dan wel indirect lijdt ten gevolge van onder meer de niet nakoming door Opdrachtgever van enige verplichting op grond van de Overeenkomst of op grond van toepasselijke nationale en/of internationale wet- en regelgeving, ten gevolge van enig voorval dat in de risicosfeer van Opdrachtgever is gelegen, alsmede ten gevolge van de schuld of nalatigheid in het algemeen van de Opdrachtgever en/of diens ondergeschikten en/of door hem ingeschakelde en/of werkzame derden.
8. De Opdrachtgever zal de Expediteur te allen tijde vrijwaren tegen aanspraken van derden, waaronder begrepen ondergeschikten van zowel de Expediteur als de Opdrachtgever, die verband houden met of voortvloeien uit de in het vorige lid bedoelde schade.
(…)
Artikel 17. Zekerheden
(…)
2. De Expediteur heeft een retentierecht op alle Zaken, documenten en gelden die hij uit welke hoofde en met welke bestemming ook onder zich heeft of zal krijgen, voor alle vorderingen die de Expediteur ten laste van de Opdrachtgever en / of de eigenaar van de Zaken heeft of zal krijgen, ook ten aanzien van vorderingen welke geen betrekking hebben op die Zaken.
(…)
6. De Expediteur kan de in dit artikel genoemde rechten (pandrecht, retentie recht en recht om afgifte te weigeren) eveneens uitoefenen voor hetgeen hem door de Opdrachtgever nog verschuldigd is in verband met voorgaande opdrachten en voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
4.6.
Vooropgesteld wordt dat het in (art. 17 lid 2 van) het bovenstaande citaat bedoelde retentierecht van [gedaagde] op grond van de Fenex-voorwaarden zeer ruim is omschreven en daarmee veelomvattend is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een door de BIS of de OFAC aan [gedaagde] op te leggen boete dan ook te begrijpen als ‘vorderingen die de Expediteur ten laste van de Opdrachtgever heeft of zal krijgen’ uit hoofde van ‘boeten’. Ter zitting heeft (de advocaat van) [eiseres] ook erkend dat áls er een dergelijke boete mocht worden opgelegd aan [gedaagde] wegens overtreding van de EAR, [eiseres] op grond van de Fenex-voorwaarden daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld door [gedaagde]. Ook met betrekking tot toekomstige of ‘voorgaande opdrachten’ geldt dat [gedaagde] daarvoor haar retentierecht kan inroepen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat [gedaagde] al eerder vliegtuigmotoren in opdracht van [eiseres] naar Iran heeft verscheept.
4.7.
Het verweer van [eiseres] dat zij in het kader van die eerdere verschepingen van vliegtuigmotoren naar Iran door [gedaagde] nooit een (voorbeeld)boete heeft gezien, zodat het niet waarschijnlijk is dat die in het onderhavige geval wel zal worden opgelegd, treft geen doel. Ter zitting heeft de advocaat van [gedaagde] in dat kader immers onweersproken aangevoerd dat in Duitsland wél al boetes zijn opgelegd voor overtreding van dezelfde sanctiebepalingen. De kans dat dergelijke boetes ook in Nederland (kunnen) worden opgelegd, is dus geenszins denkbeeldig. Daar komt bij dat (de advocaat van) [gedaagde] ter zitting eveneens onweersproken heeft gesteld dat er inmiddels een zienswijze is ingediend bij de BIS c.q. de OFAC, waarvoor nu een antwoordtermijn van 180 dagen loopt. Bij die stand van zaken is voorshands onvoldoende aannemelijk dat géén boete kan of zal worden opgelegd. Niet in geschil tussen partijen is zoals gezegd dat bij oplegging van een boete aan [gedaagde] [eiseres] daar op grond van de overeengekomen bepalingen in de Fenex-voorwaarden voor aansprakelijk is jegens [gedaagde]. Ter zekerheidstelling van díe (eventuele) boete(s) heeft [gedaagde] het retentierecht ingeroepen. Voorts is ter zitting gebleken dat [eiseres] niet in staat is om vervangende zekerheid te bieden ter dekking van (het risico op) de eventuele oplegging van boete(s).
4.8.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij handhaving van het retentierecht zwaarder weegt dan het belang van [eiseres] bij opheffing daarvan en vrijgave van de vliegtuigmotor. Dat leidt ertoe dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.
4.9.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 19 februari 2025.
Verordening (EU) 2023/1529 van de Raad van 20 juli 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de militaire steun van Iran aan de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (‘Brussel I-bis’).
Nederlandse Expeditievoorwaarden van 1 mei 2018 zoals gedeponeerd bij de rechtbank te Amsterdam onder nummer 23/2018 en bij de rechtbank te Rotterdam onder nummer 16/2018.
Conc.: 936
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.