Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-12-31
ECLI:NL:RBNHO:2025:14678
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,971 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:14678 text/xml public 2026-04-09T12:37:13 2025-12-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-31 11133863 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14678 text/html public 2026-04-09T12:36:47 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:14678 Rechtbank Noord-Holland , 31-12-2025 / 11133863 Meer dan 24 uur vertraging. De enkele (niet onderbouwde) stellingen van de vervoerder dat er per dag slechts een beperkt aantal vluchten op de route wordt uitgevoerd en dat er (vanwege de beperkingen) een groot aantal passagiers moest worden omgeboekt, zijn onvoldoende. Voor zover de vervoerder meent dat alle eerdere vluchten vol zaten, is het aan hem om dat te bewijzen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11133863 \ CV EXPL 24-3551 Uitspraakdatum: 31 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1], 2. [eiser 2], beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor hun minderjarige kinderen 3. [eiser 3] en 4. [eiser 4], allen wonende te [plaats] (Duitsland), eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: Yource B.V. tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Delta Air Lines Inc. gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 28 juni 2022 vervoeren van Amsterdam via Boston (Verenigde Staten) naar Fort Lauderdale (Verenigde Staten). 2.2. Vlucht KL6017 van Amsterdam naar Boston (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben hun aansluitende vlucht gemist. Zij zijn omgeboekt naar vlucht DL29070, waarmee zij 29 uur en 33 minuten later dan oorspronkelijk gepland in Fort Lauderdale zijn aangekomen. 2.3. De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3 Het geschil 3.1. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; - € 435,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten en de nakosten. 3.2. Daarnaast vorderen de passagiers afgifte van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening. 3.3. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). 3.4. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2. De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De kantonrechter overweegt dat wat daar ook van zij, niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen dan wel te beperken. Het is vaste rechtspraak dat indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen, dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. 4.3. De passagiers zijn met ruim 29 uur vertraging aangekomen in Fort Lauderdale. Het is aan de vervoerder om in een dergelijk geval voldoende aannemelijk te maken dat er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de aangeboden vlucht. De enkele (niet onderbouwde) stellingen van de vervoerder dat er per dag slechts een beperkt aantal vluchten tussen Boston en Fort Lauderdale wordt uitgevoerd en dat er (vanwege de beperkingen) een groot aantal passagiers moest worden omgeboekt, zijn daartoe onvoldoende. Voor zover de vervoerder meent dat alle eerdere vluchten vol zaten, is het aan hem om dat te bewijzen. De vervoerder is daar niet in geslaagd. Zodoende heeft de vervoerder naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk gemaakt dat de alternatief aangeboden vlucht een redelijke maatregel vormt in de zin van bovengenoemd arrest. 4.4. Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is de compensatie te betalen in verband met de vertraging op de eindbestemming. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen. 4.5. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is eveneens toewijsbaar, met ingang van de datum waarop de passagiers schade hebben geleden. Dat is de datum waarop de passagiers op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 28 juni 2022. 4.6. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen. 4.7. Het gevorderde certificaat wordt bij gebrek aan belang afgewezen. 4.8. De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagiers worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 248,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 893,97 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 juni 2022 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag; 5.2. veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 893,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Hof van Justitie van 11 juni 2020 (C-74/19). Artikel 6:83 sub b BW.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:14678 text/xml public 2026-04-09T12:37:13 2025-12-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-31 11133863 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14678 text/html public 2026-04-09T12:36:47 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:14678 Rechtbank Noord-Holland , 31-12-2025 / 11133863 Meer dan 24 uur vertraging. De enkele (niet onderbouwde) stellingen van de vervoerder dat er per dag slechts een beperkt aantal vluchten op de route wordt uitgevoerd en dat er (vanwege de beperkingen) een groot aantal passagiers moest worden omgeboekt, zijn onvoldoende. Voor zover de vervoerder meent dat alle eerdere vluchten vol zaten, is het aan hem om dat te bewijzen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11133863 \ CV EXPL 24-3551 Uitspraakdatum: 31 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1], 2. [eiser 2], beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor hun minderjarige kinderen 3. [eiser 3] en 4. [eiser 4], allen wonende te [plaats] (Duitsland), eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: Yource B.V. tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Delta Air Lines Inc. gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 28 juni 2022 vervoeren van Amsterdam via Boston (Verenigde Staten) naar Fort Lauderdale (Verenigde Staten). 2.2. Vlucht KL6017 van Amsterdam naar Boston (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben hun aansluitende vlucht gemist. Zij zijn omgeboekt naar vlucht DL29070, waarmee zij 29 uur en 33 minuten later dan oorspronkelijk gepland in Fort Lauderdale zijn aangekomen. 2.3. De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht. De vervoerder heeft niet uitbetaald. 3 Het geschil 3.1. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;- € 435,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten. 3.2. Daarnaast vorderen de passagiers afgifte van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening. 3.3. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). 3.4. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2. De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De kantonrechter overweegt dat wat daar ook van zij, niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen dan wel te beperken. Het is vaste rechtspraak dat indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen, dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. 4.3. De passagiers zijn met ruim 29 uur vertraging aangekomen in Fort Lauderdale. Het is aan de vervoerder om in een dergelijk geval voldoende aannemelijk te maken dat er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de aangeboden vlucht. De enkele (niet onderbouwde) stellingen van de vervoerder dat er per dag slechts een beperkt aantal vluchten tussen Boston en Fort Lauderdale wordt uitgevoerd en dat er (vanwege de beperkingen) een groot aantal passagiers moest worden omgeboekt, zijn daartoe onvoldoende. Voor zover de vervoerder meent dat alle eerdere vluchten vol zaten, is het aan hem om dat te bewijzen. De vervoerder is daar niet in geslaagd. Zodoende heeft de vervoerder naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk gemaakt dat de alternatief aangeboden vlucht een redelijke maatregel vormt in de zin van bovengenoemd arrest. 4.4. Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is de compensatie te betalen in verband met de vertraging op de eindbestemming. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen. 4.5. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is eveneens toewijsbaar, met ingang van de datum waarop de passagiers schade hebben geleden. Dat is de datum waarop de passagiers op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 28 juni 2022. 4.6. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen. 4.7. Het gevorderde certificaat wordt bij gebrek aan belang afgewezen. 4.8. De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagiers worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 248,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 893,97 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 juni 2022 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag; 5.2. veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 893,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Hof van Justitie van 11 juni 2020 (C-74/19). Artikel 6:83 sub b BW.