Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-21
ECLI:NL:RBNHO:2025:1466
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,036 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/358513 / JU RK 24-1630
Datum uitspraak: 21 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
de moeder;
de begeleider van [de minderjarige] vanuit [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder]
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
[de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting apart een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 januari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 juni 2024 een machtiging tot
uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 11 juni 2024 tot 11 september 2024 en de beslissing ten aanzien van het meer verzochte aangehouden tot de pro forma datum van 21 augustus 2024.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 26 augustus 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 25 januari 2025.
2.5.
[de minderjarige] verblijft in het kader van voornoemde machtiging sinds september 2024 bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI onderbouwt het verzoek -samengevat- als volgt. [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij kampt met meerdere problemen waaronder autisme, Gilles de la Tourette, ODD en een disharmonisch IQ-profiel van gemiddeld 80/85. [de minderjarige] kan niet omgaan met gezag en hij houdt zich niet tot nauwelijks aan de regels. Ook is [de minderjarige] niet weerbaar genoeg tegen zijn dwanggedachtes wat hem in gevaarlijke situaties brengt. [de minderjarige] gedraagt zich door zijn dwang en persoonlijke problematiek agressief en verbaal naar zijn ouders en broer, wat zorgt voor onveilige situaties. [de minderjarige] heeft geen inzicht in zijn problematiek en ervaart kaders en grenzen als afwijzing. Sinds september 2024 verblijft [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Hij ontvangt op dit moment individuele therapie, die later zal worden geïntegreerd in een systeem therapeutische aanpak. Daarnaast krijgt [de minderjarige] ambulante begeleiding vanuit de Zware Jongens. [de minderjarige] vindt het lastig om over zijn toekomstperspectief te praten, omdat hij weet dat hij binnenkort achttien jaar wordt. De gemeente [gemeente] is betrokken en denkt mee over de periode na zijn 18e verjaardag. De focus ligt op een aanvraag voor een indicatie van verlengde Jeugdwet. De GI streeft ernaar om [de minderjarige] te ondersteunen in dit proces, zodat hij weloverwogen keuzes kan maken.
3.3.
Zowel de ouders als [de minderjarige] maken individueel vooruitgang, maar het is essentieel om in de toekomst nog verdere stappen te zetten. De ingezette hulpverlening voor het ontwikkelen van de sociale vaardigheden van [de minderjarige] hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. Daarnaast is de opvoedsituatie bij de ouders momenteel nog onvoldoende veilig. Ondanks de inspanningen van de ouders om een veilige opvoedsituatie te creëren, heeft dit nog niet het beoogde effect gehad. De GI is van mening dat, nu de directe veiligheid en rust van [de minderjarige] zijn gewaarborgd, het belangrijk is om deze situatie te handhaven en te continueren. Dit zal bijdragen aan het herstel van de relatie tussen de betrokken partijen en ervoor zorgen dat [de minderjarige] de juiste behandeling ontvangt.
3.4.
In aanvulling op het voorgaande heeft de GI op de zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Op dit moment heeft [de minderjarige] geen dagbesteding en/of werk, maar hij is hier wel naar op zoek. Het is voor [de minderjarige] nog onduidelijk waar hij gaat wonen als hij achttien jaar wordt. Het zou fijn zijn als hij voor een indicatie verlengde Jeugdwet in aanmerking komt, omdat hij dan ook na zijn achttiende bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan blijven. Als [de minderjarige] niet in aanmerking komt voor een indicatie verlengde Jeugdwet, dan wordt er een WMO-indicatie afgegeven. De GI heeft [de minderjarige] aangemeld voor een ambulante woning, maar hier zijn wachtlijsten voor. De GI gaat er vooralsnog vanuit dat [de minderjarige] ook na zijn achttiende kan verblijven bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
4De standpunten
Het standpunt van de ouders
4.1.
Door en namens de ouders is op de zitting aangegeven dat zij achter het verzoek van de GI staan. De ouders geven aan dat zij veel vertrouwen hebben in de GI en erg blij zijn met de gezinsvoogd.
5De mening van de minderjarige
5.1.
[de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij achter het verzoek van de GI staat. [de minderjarige] wil graag bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijven en vanuit daar door wil naar begeleid wonen. [de minderjarige] is hard op zoek naar werk.
Beoordeling
Ondertoezichtstelling
6.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ondanks dat [de minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt wordt hij nog altijd in zijn ontwikkeling bedreigd.
6.2.
[de minderjarige] wordt binnenkort achttien jaar en het is nog onduidelijk wat zijn toekomstperspectief is nu er nog geen zekerheid is waar hij kan verblijven na zijn achttiende. [de minderjarige] is door de GI aangemeld voor begeleid wonen, maar hier zijn wachtlijsten voor. Het zou in het belang van [de minderjarige] zijn als hij in aanmerking komt voor de indicatie verlenging Jeugdwet, want dan kan hij ook na zijn achttiende bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijven wonen. Mocht een indicatie niet mogelijk zijn dan komt er een WMO-indicatie. De GI heeft op de zitting aangegeven dat de gemeente [gemeente] inmiddels zo goed als bevestigd heeft dat [de minderjarige] na zijn achttiende bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan blijven, ook als de WMO-indicatie niet wordt overgenomen door de gemeente [gemeente] . De kinderrechter acht het van belang dat [de minderjarige] hier zo snel mogelijk zekerheid over krijgt en weet waar hij na zijn achttiende gaat wonen.
[de minderjarige] heeft op de zitting aangegeven dat hij op zoek is naar werk en de kinderrechter vertrouwt erop dat [de minderjarige] al dan niet met ondersteuning vanuit de GI op korte termijn een passende baan of andere vorm van dagbesteding zal vinden.
6.3.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] .
Uithuisplaatsing
6.4.
De kinderrechter is tevens van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Om zijn positieve ontwikkeling te kunnen voortzetten is het belangrijk dat [de minderjarige] op een rustige, stabiele en veilige plek verblijft waar hij structuur heeft. Deze plek heeft [de minderjarige] op dit moment bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en het is belangrijk dat dit gewaarborgd blijft.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot [datum] ;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot [datum] ;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025 door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van der Linden als griffier, en op schrift gesteld op 3 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/358513 / JU RK 24-1630
Datum uitspraak: 21 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
de moeder;
de begeleider van [de minderjarige] vanuit [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder]
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
[de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting apart een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 januari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 juni 2024 een machtiging tot
uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 11 juni 2024 tot 11 september 2024 en de beslissing ten aanzien van het meer verzochte aangehouden tot de pro forma datum van 21 augustus 2024.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 26 augustus 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 25 januari 2025.
2.5.
[de minderjarige] verblijft in het kader van voornoemde machtiging sinds september 2024 bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI onderbouwt het verzoek -samengevat- als volgt. [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij kampt met meerdere problemen waaronder autisme, Gilles de la Tourette, ODD en een disharmonisch IQ-profiel van gemiddeld 80/85. [de minderjarige] kan niet omgaan met gezag en hij houdt zich niet tot nauwelijks aan de regels. Ook is [de minderjarige] niet weerbaar genoeg tegen zijn dwanggedachtes wat hem in gevaarlijke situaties brengt. [de minderjarige] gedraagt zich door zijn dwang en persoonlijke problematiek agressief en verbaal naar zijn ouders en broer, wat zorgt voor onveilige situaties. [de minderjarige] heeft geen inzicht in zijn problematiek en ervaart kaders en grenzen als afwijzing. Sinds september 2024 verblijft [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Hij ontvangt op dit moment individuele therapie, die later zal worden geïntegreerd in een systeem therapeutische aanpak. Daarnaast krijgt [de minderjarige] ambulante begeleiding vanuit de Zware Jongens. [de minderjarige] vindt het lastig om over zijn toekomstperspectief te praten, omdat hij weet dat hij binnenkort achttien jaar wordt. De gemeente [gemeente] is betrokken en denkt mee over de periode na zijn 18e verjaardag. De focus ligt op een aanvraag voor een indicatie van verlengde Jeugdwet. De GI streeft ernaar om [de minderjarige] te ondersteunen in dit proces, zodat hij weloverwogen keuzes kan maken.
3.3.
Zowel de ouders als [de minderjarige] maken individueel vooruitgang, maar het is essentieel om in de toekomst nog verdere stappen te zetten. De ingezette hulpverlening voor het ontwikkelen van de sociale vaardigheden van [de minderjarige] hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. Daarnaast is de opvoedsituatie bij de ouders momenteel nog onvoldoende veilig. Ondanks de inspanningen van de ouders om een veilige opvoedsituatie te creëren, heeft dit nog niet het beoogde effect gehad. De GI is van mening dat, nu de directe veiligheid en rust van [de minderjarige] zijn gewaarborgd, het belangrijk is om deze situatie te handhaven en te continueren. Dit zal bijdragen aan het herstel van de relatie tussen de betrokken partijen en ervoor zorgen dat [de minderjarige] de juiste behandeling ontvangt.
3.4.
In aanvulling op het voorgaande heeft de GI op de zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Op dit moment heeft [de minderjarige] geen dagbesteding en/of werk, maar hij is hier wel naar op zoek. Het is voor [de minderjarige] nog onduidelijk waar hij gaat wonen als hij achttien jaar wordt. Het zou fijn zijn als hij voor een indicatie verlengde Jeugdwet in aanmerking komt, omdat hij dan ook na zijn achttiende bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan blijven. Als [de minderjarige] niet in aanmerking komt voor een indicatie verlengde Jeugdwet, dan wordt er een WMO-indicatie afgegeven. De GI heeft [de minderjarige] aangemeld voor een ambulante woning, maar hier zijn wachtlijsten voor. De GI gaat er vooralsnog vanuit dat [de minderjarige] ook na zijn achttiende kan verblijven bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
4De standpunten
Het standpunt van de ouders
4.1.
Door en namens de ouders is op de zitting aangegeven dat zij achter het verzoek van de GI staan. De ouders geven aan dat zij veel vertrouwen hebben in de GI en erg blij zijn met de gezinsvoogd.
5De mening van de minderjarige
5.1.
[de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij achter het verzoek van de GI staat. [de minderjarige] wil graag bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijven en vanuit daar door wil naar begeleid wonen. [de minderjarige] is hard op zoek naar werk.
Beoordeling
Ondertoezichtstelling
6.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ondanks dat [de minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt wordt hij nog altijd in zijn ontwikkeling bedreigd.
6.2.
[de minderjarige] wordt binnenkort achttien jaar en het is nog onduidelijk wat zijn toekomstperspectief is nu er nog geen zekerheid is waar hij kan verblijven na zijn achttiende. [de minderjarige] is door de GI aangemeld voor begeleid wonen, maar hier zijn wachtlijsten voor. Het zou in het belang van [de minderjarige] zijn als hij in aanmerking komt voor de indicatie verlenging Jeugdwet, want dan kan hij ook na zijn achttiende bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijven wonen. Mocht een indicatie niet mogelijk zijn dan komt er een WMO-indicatie. De GI heeft op de zitting aangegeven dat de gemeente [gemeente] inmiddels zo goed als bevestigd heeft dat [de minderjarige] na zijn achttiende bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan blijven, ook als de WMO-indicatie niet wordt overgenomen door de gemeente [gemeente] . De kinderrechter acht het van belang dat [de minderjarige] hier zo snel mogelijk zekerheid over krijgt en weet waar hij na zijn achttiende gaat wonen.
[de minderjarige] heeft op de zitting aangegeven dat hij op zoek is naar werk en de kinderrechter vertrouwt erop dat [de minderjarige] al dan niet met ondersteuning vanuit de GI op korte termijn een passende baan of andere vorm van dagbesteding zal vinden.
6.3.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] .
Uithuisplaatsing
6.4.
De kinderrechter is tevens van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Om zijn positieve ontwikkeling te kunnen voortzetten is het belangrijk dat [de minderjarige] op een rustige, stabiele en veilige plek verblijft waar hij structuur heeft. Deze plek heeft [de minderjarige] op dit moment bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en het is belangrijk dat dit gewaarborgd blijft.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot [datum] ;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot [datum] ;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025 door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van der Linden als griffier, en op schrift gesteld op 3 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.