Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-12-31
ECLI:NL:RBNHO:2025:14366
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,981 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:14366 text/xml public 2026-03-19T14:50:58 2025-12-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-31 11328652 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14366 text/html public 2026-03-19T14:50:38 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:14366 Rechtbank Noord-Holland , 31-12-2025 / 11328652 Verdrag van Montreal. De vervoerder moet de kosten van de zelf geboekte alternatieve vlucht vergoeden, omdat hij de passagiers geen redelijk alternatief heeft aangeboden. De overige verblijfs- en vervoerskosten worden slechts gedeeltelijk toegewezen, omdat de passagiers niet over kwitanties beschikken. Het had op de weg van de passagiers gelegen om de door henzelf georganiseerde reis zoveel mogelijk te documenteren. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11328652 \ CV EXPL 24-6868 Uitspraakdatum: 31 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser 1], pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind [minderjarige], [eiser 2], [eiser 3], allen wonende te [plaats] eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. H.E. Sluis tegen de naamloze vennootschap Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V. gevestigd te Paramaribo (Suriname) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. A.J.F. Gonesh 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - het verwijzingsvonnis van rechtbank Amsterdam; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 26 en 27 augustus 2023 vervoeren van Georgetown (Guyana) via Paramaribo (Suriname) naar Amsterdam, hierna: de vlucht. 2.2. De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. 2.3. De passagiers hebben op 29 augustus 2023 zelf alternatief vervoer geregeld met als vertrekdatum 30 augustus 2023. 2.4. De vervoerder heeft de ticketprijs van de ongebruikte tickets (€ 2.008,44) aan de passagiers terugbetaald. 3 Het geschil 3.1. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 4.657,49, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 708,30 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. De passagiers stellen dat zij als gevolg van de annulering kosten hebben moeten maken. Deze kosten bestaan uit vervoer van de luchthaven naar Berbice, twee hotelovernachtingen in Berbice, alternatief vervoer vanuit Berbice naar Paramaribo (bestaande uit taxiritten en een boottocht) en een alternatieve vlucht uit Paramaribo naar Amsterdam. Volgens de passagiers is de vervoerder gehouden om deze kosten te vergoeden. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2. De kantonrechter begrijpt dat de passagiers bij conclusie van repliek hun eis hebben gewijzigd, in die zin dat zij een beroep hebben gedaan op het Verdrag van Montreal. De vervoerder heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze grondslagwijziging. 4.3. Artikel 19 van het Verdrag van Montreal bepaalt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van ‘schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen’ . De vervoerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de passagiers na de annulering van de vlucht(en) alsnog zonder vertraging op de eindbestemming hadden kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de schade van de passagiers voortvloeit uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’. 4.4. De vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd konden worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De passagiers hebben zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de vervoerder hen geen redelijk alternatief heeft aangeboden. Daarover wordt als volgt overwogen. 4.5. Het is vaste rechtspraak dat indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen, dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Hoewel dit arrest ziet op de uitleg van de Verordening, is dit arrest ook relevant voor de beantwoording van de vraag of de vervoerder zich kan beroepen op de ‘tenzij-uitzondering’ zoals bedoeld in artikel 19 van het Verdrag van Montreal. 4.6. Op het moment dat duidelijk werd dat de vervoerder de passagiers niet binnen een redelijke termijn met zijn eigen vloot naar Amsterdam zou kunnen vervoeren, had hij ook de opties bij andere luchtvaartmaatschappijen en/of via andere vervoersmiddelen moeten onderzoeken en aanbieden. De vervoerder heeft met zijn verweer niet aangetoond dat hij aan die verplichting heeft voldaan, noch dat het onmogelijk was om daaraan te voldoen. De vervoerder is daarom in beginsel gehouden om de door de passagiers geleden schade te voldoen. 4.7. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan KLM € 5.972,44 hebben betaald voor de vervangende vliegtikets van Paramaribo naar Amsterdam, zodat dit bedrag in beginsel toewijsbaar is. 4.8. Ten aanzien van de overige verblijfs- en vervoerskosten hebben de passagiers gesteld dat zij niet over kwitanties beschikken, omdat zij deze kosten contant hebben afgerekend. De vervoerder heeft terecht aangevoerd dat het niet valt uit te sluiten dat de passagiers door familie van- en naar de vliegveld zijn gebracht en dat zij bij familie hebben geslapen. De kantonrechter is van oordeel dat de passagiers de gestelde taxikosten (van en naar het vliegveld en de haven in Nickerie) en hotelkosten in Georgetown (tegenover de betwisting door de vervoerder) onvoldoende hebben onderbouwd. Wel vindt de kantonrechter het aannemelijk dat de passagiers kosten hebben gemaakt voor een ferryoversteek van Guyana naar Suriname. Het gevorderde bedrag van € 50,00 per passagier komt de kantonrechter niet onredelijk voor, zodat dit zal worden toegewezen. Voor wat betreft de vervoers- en verblijfkosten in Suriname (na de oversteek) geldt dat de passagiers opnieuw op geen enkele wijze hebben onderbouwd dat zij gebruik hebben gemaakt van een taxi’s en hotels (in plaats van bijvoorbeeld het openbaar vervoer, vrienden of familie). Het had op de weg van de passagiers gelegen om de door henzelf georganiseerde reis zoveel mogelijk te documenteren. Dat zij dit niet hebben gedaan, komt voor hun eigen rekening en risico. 4.9. Er kan slechts sprake zijn van ‘schade’ voor zover de gemaakte kosten (€ 6.172,44) het reeds gerestitueerde bedrag (€ 2.008,44) overschrijden. Dat betekent dat de passagiers nog recht hebben op een schadevergoeding ter hoogte van € 4.164,00. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, en voor het overige worden afgewezen. 4.10. De passagiers vorderen de wettelijke handelsrente. Nu de passagiers echter niet de nakoming van een handelsovereenkomst aan de vordering ten grondslag leggen, is geen plaats voor toewijzing van de wettelijke rente bij handelsovereenkomsten in de zin van artikel 6:119a BW. Daarom zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen. 4.11. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:14366 text/xml public 2026-03-19T14:50:58 2025-12-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-31 11328652 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14366 text/html public 2026-03-19T14:50:38 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:14366 Rechtbank Noord-Holland , 31-12-2025 / 11328652 Verdrag van Montreal. De vervoerder moet de kosten van de zelf geboekte alternatieve vlucht vergoeden, omdat hij de passagiers geen redelijk alternatief heeft aangeboden. De overige verblijfs- en vervoerskosten worden slechts gedeeltelijk toegewezen, omdat de passagiers niet over kwitanties beschikken. Het had op de weg van de passagiers gelegen om de door henzelf georganiseerde reis zoveel mogelijk te documenteren. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 11328652 \ CV EXPL 24-6868 Uitspraakdatum: 31 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser 1], pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind [minderjarige], [eiser 2], [eiser 3], allen wonende te [plaats] eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. H.E. Sluis tegen de naamloze vennootschap Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V. gevestigd te Paramaribo (Suriname) gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. A.J.F. Gonesh 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding: - het verwijzingsvonnis van rechtbank Amsterdam; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 26 en 27 augustus 2023 vervoeren van Georgetown (Guyana) via Paramaribo (Suriname) naar Amsterdam, hierna: de vlucht. 2.2. De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. 2.3. De passagiers hebben op 29 augustus 2023 zelf alternatief vervoer geregeld met als vertrekdatum 30 augustus 2023. 2.4. De vervoerder heeft de ticketprijs van de ongebruikte tickets (€ 2.008,44) aan de passagiers terugbetaald. 3 Het geschil 3.1. De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 4.657,49, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 708,30 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. De passagiers stellen dat zij als gevolg van de annulering kosten hebben moeten maken. Deze kosten bestaan uit vervoer van de luchthaven naar Berbice, twee hotelovernachtingen in Berbice, alternatief vervoer vanuit Berbice naar Paramaribo (bestaande uit taxiritten en een boottocht) en een alternatieve vlucht uit Paramaribo naar Amsterdam. Volgens de passagiers is de vervoerder gehouden om deze kosten te vergoeden. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2. De kantonrechter begrijpt dat de passagiers bij conclusie van repliek hun eis hebben gewijzigd, in die zin dat zij een beroep hebben gedaan op het Verdrag van Montreal. De vervoerder heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze grondslagwijziging. 4.3. Artikel 19 van het Verdrag van Montreal bepaalt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van ‘schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen’ . De vervoerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de passagiers na de annulering van de vlucht(en) alsnog zonder vertraging op de eindbestemming hadden kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de schade van de passagiers voortvloeit uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’. 4.4. De vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd konden worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De passagiers hebben zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de vervoerder hen geen redelijk alternatief heeft aangeboden. Daarover wordt als volgt overwogen. 4.5. Het is vaste rechtspraak dat indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen, dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Hoewel dit arrest ziet op de uitleg van de Verordening, is dit arrest ook relevant voor de beantwoording van de vraag of de vervoerder zich kan beroepen op de ‘tenzij-uitzondering’ zoals bedoeld in artikel 19 van het Verdrag van Montreal. 4.6. Op het moment dat duidelijk werd dat de vervoerder de passagiers niet binnen een redelijke termijn met zijn eigen vloot naar Amsterdam zou kunnen vervoeren, had hij ook de opties bij andere luchtvaartmaatschappijen en/of via andere vervoersmiddelen moeten onderzoeken en aanbieden. De vervoerder heeft met zijn verweer niet aangetoond dat hij aan die verplichting heeft voldaan, noch dat het onmogelijk was om daaraan te voldoen. De vervoerder is daarom in beginsel gehouden om de door de passagiers geleden schade te voldoen. 4.7. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan KLM € 5.972,44 hebben betaald voor de vervangende vliegtikets van Paramaribo naar Amsterdam, zodat dit bedrag in beginsel toewijsbaar is. 4.8. Ten aanzien van de overige verblijfs- en vervoerskosten hebben de passagiers gesteld dat zij niet over kwitanties beschikken, omdat zij deze kosten contant hebben afgerekend. De vervoerder heeft terecht aangevoerd dat het niet valt uit te sluiten dat de passagiers door familie van- en naar de vliegveld zijn gebracht en dat zij bij familie hebben geslapen. De kantonrechter is van oordeel dat de passagiers de gestelde taxikosten (van en naar het vliegveld en de haven in Nickerie) en hotelkosten in Georgetown (tegenover de betwisting door de vervoerder) onvoldoende hebben onderbouwd. Wel vindt de kantonrechter het aannemelijk dat de passagiers kosten hebben gemaakt voor een ferryoversteek van Guyana naar Suriname. Het gevorderde bedrag van € 50,00 per passagier komt de kantonrechter niet onredelijk voor, zodat dit zal worden toegewezen. Voor wat betreft de vervoers- en verblijfkosten in Suriname (na de oversteek) geldt dat de passagiers opnieuw op geen enkele wijze hebben onderbouwd dat zij gebruik hebben gemaakt van een taxi’s en hotels (in plaats van bijvoorbeeld het openbaar vervoer, vrienden of familie). Het had op de weg van de passagiers gelegen om de door henzelf georganiseerde reis zoveel mogelijk te documenteren. Dat zij dit niet hebben gedaan, komt voor hun eigen rekening en risico. 4.9. Er kan slechts sprake zijn van ‘schade’ voor zover de gemaakte kosten (€ 6.172,44) het reeds gerestitueerde bedrag (€ 2.008,44) overschrijden. Dat betekent dat de passagiers nog recht hebben op een schadevergoeding ter hoogte van € 4.164,00. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, en voor het overige worden afgewezen. 4.10. De passagiers vorderen de wettelijke handelsrente. Nu de passagiers echter niet de nakoming van een handelsovereenkomst aan de vordering ten grondslag leggen, is geen plaats voor toewijzing van de wettelijke rente bij handelsovereenkomsten in de zin van artikel 6:119a BW. Daarom zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen. 4.11. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II.