Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-12
ECLI:NL:RBNHO:2025:1380
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,106 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/322240 / FA RK 21-5523
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 12 februari 2025
in de zaak van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen: de vader,
advocaat mr. K. Withagen, kantoorhoudende te Amsterdam,
--tegen—
[de moeder]
zonder bekende woon- en of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,
hierna mede te noemen: de moeder.
De rechtbank merkt als informant aan:
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikkingen van deze rechtbank van 22 december 2021, 22 december 2022 en 27 september 2023, hersteld bij beschikking van 15 maart 2024;
- de openbare oproep van de moeder in de Staatscourant van 20 december 2024.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 januari 2025 in aanwezigheid van de vader, bijgestaan door mr. P. Minkes (namens mr. K. Withagen) en een tolk in de [taal] taal. Verder zijn verschenen [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2De verdere behandeling en beoordeling van de zaak
2.1.
Bij beschikking van 22 december 2021 is [bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator voor de minderjarige [de minderjarige] (thans genaamd [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna mede te noemen [de minderjarige] ).
2.2.
Bij beschikking van 22 december 2022 heeft de rechtbank een kenmerkenonderzoek middels DNA gelast ter beantwoording van de vraag of de heer [de vader] de biologische vader is van [de minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van 27 september 2023, hersteld bij beschikking van 15 maart 2024, heeft de rechtbank, voor zover hier van toepassing:
- de erkenning van [de minderjarige] , gedaan door [erkenner] op [datum] vernietigd;
- het ouderschap van [de vader] betreffende [de minderjarige] vastgesteld, onder de opschortende voorwaarde dat die beschikking - voor zover het betreft de vernietiging van de erkenning van [de minderjarige] door [erkenner] - is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
- [de vader] en de moeder veroordeeld in de kosten van het DNA-onderzoek, ieder voor de helft en bepaalt dat [de vader] en de moeder in verband daarmee ieder € 315 aan de griffier dient te voldoen, één en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 2.8. en 2.9. van die beschikking;
- de beslissing ten aanzien van het gezag aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
2.4.
De rechtbank neemt over hetgeen is overwogen en beslist in genoemde beschikkingen en overweegt en beslist in aanvulling daarop als volgt.
2.5.
De rechtbank merkt allereerst op dat de minderjarige als gevolg van de vernietiging van de erkenning en de vaststelling van het ouderschap thans als juridische ouders heeft: de moeder en de vader. Zij heeft van rechtswege de geslachtsnaam van de vader en is genaamd: [de minderjarige] .
2.6.
Aan de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , dan wel hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] .
2.7.
Bij beschikking van de kinderrechter van 14 februari 2020 is [de minderjarige] met ingang van 13 februari 2020 voorlopig onder toezicht gesteld en die ondertoezichtstelling is vervolgens definitief uitgesproken. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt nog tot 11 maart 2025.
2.8.
De kinderrechter heeft op 13 februari 2020 ook een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg en die machtiging is verlengd tot 13 mei 2020. Bij beschikking van 12 mei 2020 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de biologische vader (zonder gezag) en die machtiging is vervolgens steeds verlengd en duurt nog tot 11 maart 2025.
2.9.
Sinds mei 2020 woont [de minderjarige] (op grond van de voornoemde machtiging) bij de biologische vader en haar halfzus, [halfzus] .
bevoegdheid en toepasselijk recht
2.10.
Nu uit de stukken kan worden afgeleid dat de vader, de moeder en [de minderjarige] de [nationaliteit] nationaliteit bezitten, hebben de verzoeken een internationaal karakter en dient eerst de vraag beantwoord te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is op de verzoeken.
Het verzoek betreft een geschil over de het gezag en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter).
Ingevolge artikel 7, eerste lid, Brussel II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
Nu de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland had op het tijdstip van indiening van het verzoek en thans nog steeds heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Ingevolge artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht toepasselijk.
2.11.
De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden welk recht van toepassing is op de vraag wie van rechtswege het gezag over [de minderjarige] heeft. Artikel 16, eerste lid, van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de minderjarige in Nederland, te weten de gemeente [gemeente] , is geboren. Zij heeft sindsdien onafgebroken in Nederland gewoond. De rechtbank stelt dan ook vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is. Hieruit volgt dat de vraag wie van rechtswege het gezag over [de minderjarige] heeft, wordt beheerst door Nederlands recht.
Ten tijde van haar geboorte stond [de minderjarige] in een familierechtelijke betrekking tot de moeder en de (voormalige) erkenner [erkenner] . Bij de geboorte heeft de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] verkregen. De erkenning is vernietigd. Het eenhoofdig gezag van de moeder over [de minderjarige] is daarna in stand gebleven. De vader is door de beschikking van deze rechtbank van 27 september 2024 de juridische vader van [de minderjarige] geworden. Daarmee is voor hem echter niet van rechtswege ouderlijk gezag over [de minderjarige] ontstaan. Dat betekent dat de moeder nog steeds is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
2.12.
De rechtbank dient thans het verzoek van de vader te beoordelen waarin hij heeft verzocht om hem met eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten, dan wel hem met de moeder te belasten met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] . De vader heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat het in het belang van [de minderjarige] is om hem te belasten met het eenhoofdig gezag. De vader is al geruime tijd belast met de zorg en opvoeding van [de minderjarige] en wenst ook formeel de bevoegdheid te verkrijgen om beslissingen over haar te nemen.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
belast de vader met het eenhoofdig gezag over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
3.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R.A.R. Sitaldin, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Krijgsheld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/322240 / FA RK 21-5523
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 12 februari 2025
in de zaak van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen: de vader,
advocaat mr. K. Withagen, kantoorhoudende te Amsterdam,
--tegen—
[de moeder]
zonder bekende woon- en of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,
hierna mede te noemen: de moeder.
De rechtbank merkt als informant aan:
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikkingen van deze rechtbank van 22 december 2021, 22 december 2022 en 27 september 2023, hersteld bij beschikking van 15 maart 2024;
- de openbare oproep van de moeder in de Staatscourant van 20 december 2024.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 januari 2025 in aanwezigheid van de vader, bijgestaan door mr. P. Minkes (namens mr. K. Withagen) en een tolk in de [taal] taal. Verder zijn verschenen [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2De verdere behandeling en beoordeling van de zaak
2.1.
Bij beschikking van 22 december 2021 is [bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator voor de minderjarige [de minderjarige] (thans genaamd [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna mede te noemen [de minderjarige] ).
2.2.
Bij beschikking van 22 december 2022 heeft de rechtbank een kenmerkenonderzoek middels DNA gelast ter beantwoording van de vraag of de heer [de vader] de biologische vader is van [de minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van 27 september 2023, hersteld bij beschikking van 15 maart 2024, heeft de rechtbank, voor zover hier van toepassing:
- de erkenning van [de minderjarige] , gedaan door [erkenner] op [datum] vernietigd;
- het ouderschap van [de vader] betreffende [de minderjarige] vastgesteld, onder de opschortende voorwaarde dat die beschikking - voor zover het betreft de vernietiging van de erkenning van [de minderjarige] door [erkenner] - is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
- [de vader] en de moeder veroordeeld in de kosten van het DNA-onderzoek, ieder voor de helft en bepaalt dat [de vader] en de moeder in verband daarmee ieder € 315 aan de griffier dient te voldoen, één en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 2.8. en 2.9. van die beschikking;
- de beslissing ten aanzien van het gezag aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
2.4.
De rechtbank neemt over hetgeen is overwogen en beslist in genoemde beschikkingen en overweegt en beslist in aanvulling daarop als volgt.
2.5.
De rechtbank merkt allereerst op dat de minderjarige als gevolg van de vernietiging van de erkenning en de vaststelling van het ouderschap thans als juridische ouders heeft: de moeder en de vader. Zij heeft van rechtswege de geslachtsnaam van de vader en is genaamd: [de minderjarige] .
2.6.
Aan de rechtbank ligt nog voor het verzoek van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , dan wel hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] .
2.7.
Bij beschikking van de kinderrechter van 14 februari 2020 is [de minderjarige] met ingang van 13 februari 2020 voorlopig onder toezicht gesteld en die ondertoezichtstelling is vervolgens definitief uitgesproken. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt nog tot 11 maart 2025.
2.8.
De kinderrechter heeft op 13 februari 2020 ook een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg en die machtiging is verlengd tot 13 mei 2020. Bij beschikking van 12 mei 2020 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de biologische vader (zonder gezag) en die machtiging is vervolgens steeds verlengd en duurt nog tot 11 maart 2025.
2.9.
Sinds mei 2020 woont [de minderjarige] (op grond van de voornoemde machtiging) bij de biologische vader en haar halfzus, [halfzus] .
bevoegdheid en toepasselijk recht
2.10.
Nu uit de stukken kan worden afgeleid dat de vader, de moeder en [de minderjarige] de [nationaliteit] nationaliteit bezitten, hebben de verzoeken een internationaal karakter en dient eerst de vraag beantwoord te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is op de verzoeken.
Het verzoek betreft een geschil over de het gezag en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter).
Ingevolge artikel 7, eerste lid, Brussel II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
Nu de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland had op het tijdstip van indiening van het verzoek en thans nog steeds heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Ingevolge artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht toepasselijk.
2.11.
De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden welk recht van toepassing is op de vraag wie van rechtswege het gezag over [de minderjarige] heeft. Artikel 16, eerste lid, van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de minderjarige in Nederland, te weten de gemeente [gemeente] , is geboren. Zij heeft sindsdien onafgebroken in Nederland gewoond. De rechtbank stelt dan ook vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is. Hieruit volgt dat de vraag wie van rechtswege het gezag over [de minderjarige] heeft, wordt beheerst door Nederlands recht.
Ten tijde van haar geboorte stond [de minderjarige] in een familierechtelijke betrekking tot de moeder en de (voormalige) erkenner [erkenner] . Bij de geboorte heeft de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] verkregen. De erkenning is vernietigd. Het eenhoofdig gezag van de moeder over [de minderjarige] is daarna in stand gebleven. De vader is door de beschikking van deze rechtbank van 27 september 2024 de juridische vader van [de minderjarige] geworden. Daarmee is voor hem echter niet van rechtswege ouderlijk gezag over [de minderjarige] ontstaan. Dat betekent dat de moeder nog steeds is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
2.12.
De rechtbank dient thans het verzoek van de vader te beoordelen waarin hij heeft verzocht om hem met eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten, dan wel hem met de moeder te belasten met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] . De vader heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat het in het belang van [de minderjarige] is om hem te belasten met het eenhoofdig gezag. De vader is al geruime tijd belast met de zorg en opvoeding van [de minderjarige] en wenst ook formeel de bevoegdheid te verkrijgen om beslissingen over haar te nemen.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
belast de vader met het eenhoofdig gezag over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
3.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R.A.R. Sitaldin, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Krijgsheld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.