Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2025-11-18
ECLI:NL:RBNHO:2025:13332
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/7007 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit Heiloo, eisers (gemachtigde: mr. K. Hollenberg), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo (gemachtigde: mr. A. Guarracino). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een garage. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren op grond van de goede ruimtelijke ordening. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden en de inhoud van het bestreden besluit. Onder 4 staat het toetsingskader. Onder 5 en 6 volgt de bespreking van de beroepsgronden. Daarbij gaat de rechtbank in op de strijdigheid met het bestemmingsplan en de volgende vraag: Is sprake van een goede ruimtelijke ordening? Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een garage. Het college heeft deze vergunning met het besluit van 6 februari 2024 geweigerd. Met het bestreden besluit van 17 september 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de weigering gebleven. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben een nader stuk ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden en het bestreden besluit 3. Eisers zijn eigenaars en bewoners van het perceel [perceel] in Heiloo (hierna: het perceel). Zij zijn ook eigenaars van een stuk grond (hierna: de strook) gelegen op zo’n 3,5 meter naast de zijgevel van hun woning op het perceel. De strook heeft een breedte van ongeveer 2 meter. Eisers hebben hiervoor een koopovereenkomst met de gemeente Heiloo afgesloten op 7 november 2023. In de koopovereenkomst is opgenomen dat eisers de verkochte strook als siertuin en/of erf, behorende bij de woning, dienen in te richten en als zodanig ingericht dienen te houden. Daarbij is opgemerkt dat de huidige enkelbestemming van het verkochte volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Heiloo Middengebied’ de bestemming ‘Verkeer’ is. 3.1. Op 17 september 2023 hebben eisers een omgevingsvergunning gevraagd om op hun perceel en de strook een garage te realiseren. 3.2. De aanvraag heeft betrekking op de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik . Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de beoogde garage in strijd is met artikelen 12.2, onder a, 13.1, 13.2, onder a, aanhef en onder 1, en 14.2, onder b, aanhef en onder 2, van het bestemmingsplan. Op het perceel en de strook gelden de bestemmingen ‘Tuin’, ‘Verkeer’, ‘Wonen’ en ‘Waarde-archeologie-2’. Het college heeft getoetst aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Volgens het college zorgt een garage van 5 meter breed ervoor dat het straatbeeld onevenredig nadelig wordt verstoord en wordt de groenstrook naast de woning dusdanig beperkt dat dit het karakter van de wijk nadelig beïnvloedt. Het college trekt de grens bij een garage van maximaal 4 meter breed. Da De aspecten die moeten worden afgewogen bij het al dan niet toepassen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid komen ook aan de orde bij de vraag of het bouwplan niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening in het kader van het Bor. Eisers hebben dus terecht voorgedragen dat ook via de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid een omgevingsvergunning had kunnen worden verleend, maar op zichzelf leidt dit nog niet tot de conclusie dat het college dit ook had moeten doen. 5.3. Het college wil medewerking verlenen aan een garage met een maximale breedte van 4 meter. Eisers hebben onderbouwd dat zij een garage met een breedte van 5 meter nodig hebben. De beoordeling van de rechtbank spitst zich, gelet hierop, toe op de vraag of een garage van 1 meter breder dan het college wil toestaan strijd oplevert met de goede ruimtelijke ordening. Is sprake van een goede ruimtelijke ordening? 6. Eisers betogen dat het bouwplan niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Het perceel en de strook zijn niet bestemd voor ‘Groen-1’ of ‘Groen-2’. Er is dus geen sprake van een ‘hoofdgroenstructuur’ of ‘overig structurerend groen’. In dit geval is sprake van snippergroen. Kennelijk is de afweging gemaakt om de (hoofd)groenstructuur niet nader te waarborgen in de planvoorschriften. Het college heeft ook onvoldoende rekening gehouden met een aantal andere omstandigheden. Het bestemmingsplan en de koopovereenkomst bieden eisers al bouw- en gebruiksmogelijkheden als gevolg waarvan het open en groene karakter van de strook verloren gaat, waaronder een speelhuisje of verharding ten behoeve van parkeren. Een (stedenbouwkundig) oordeel of motivering op dit punt ontbreekt en de gevolgen van de alternatieve mogelijkheden met de grond zijn onvoldoende afgewogen tegen het bouwplan. Tot slot stellen eisers dat een daadkrachtige motivering van het stedenbouwkundige advies, waaruit volgt dat de garage niet breder mag zijn dan 4 meter, ontbreekt. Bij een garage van 5 meter breed blijft een groenstrook van 2,5 meter over. Bij een garage van 4 meter breed blijft een strook van 3,5 meter over. Waarom de laatste afmeting wel voldoende is en de andere niet, is niet door het college gemotiveerd. Ook is nog onduidelijk waarom de stedenbouwkundige grens op maximaal 4 meter is gesteld. 6.1. In het verweerschrift stelt het college, onder verwijzing naar afbeelding 4 van de toelichting bij het bestemmingsplan, dat de strook onder de ‘hoofdgroenstructuur’ valt. Dat snippers niet specifiek bestemd zijn als groen, maar ook mogelijk zijn binnen andere bestemmingen, maakt niet dat de hoofdgroenstructuur wordt verlaten. Deze wordt juist uitgebreid. De burgemeester heeft met artikel 9 van de koopovereenkomst het open karakter beoogd te waarborgen. Dit komt overeen met het bestemmingsplan, want op gronden met de bestemming ‘Verkeer’ is ook geen bebouwing toegestaan. Deze gronden zijn bestemd voor verkeersdoeleinden, verblijfsdoeleinden, fiets- en wandelpaden, bermen, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en speelvoorzieningen. Deze zaken hebben alle een relatief open karakter. Een massief speelhuisje valt hier niet onder. Het straatbeeld wordt onevenredig nadelig verstoord bij een garage van 5 meter breed waarbij tevens de groenstrook dusdanig beperkt wordt dat dit het karakter van de wijk nadelig beïnvloedt. Ook vanuit ruimtelijk perspectief wordt een groter belang gehecht aan het behouden van het karakter van de wijk en een brede strook. De garage moet een zekere stedenbouwkundige ondergeschiktheid hebben in relatie met het hoofdgebouw. Het college trekt de grens bij een breedte van 4 meter, in combinatie met een groenstrook die het gebouw maskeert vanuit de openbare ruimte. 6.2. De beroepsgrond slaagt. Het college heeft op zich geen bezwaar tegen een garage aan de zijkant van de woning van eisers, maar wil dat een garage maximaal 4 meter breed is, zodat de helft van de strook van 2 meter breed vrij blijft. Dat een garage over de volle breedt