Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-11-19
ECLI:NL:RBNHO:2025:13125
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Bodemzaak
3,088 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/367651 / HA ZA 25-426
Bevelschrift van 19 november 2025
in de zaak van
ALTERNATIEF VOOR VAKBOND,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: AVV,
advocaat mr. P. de Ruiter,
tegen
TRANSAVIA AIRLINES C.V.,
te Schiphol,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Transavia,
advocaat: mr. J.M. van Slooten.
Procesverloop
1.1.
AVV heeft een zaak aanhangig gemaakt tegen Transavia bij de kantonrechter, locatie Haarlem.
1.2.
Transavia heeft de kantonrechter verzocht de zaak op grond van artikel 71 lid 1 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) te verwijzen naar een kamer voor de behandeling van andere zaken dan kantonzaken. AVV heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
Bij verwijzingsvonnis van 2 juli 2025 heeft de kantonrechter de zaak in de stand waarin zij zich bevond verwezen naar de rol van 30 juli 2025 van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank.
1.3.
Bij B14-formulier van 30 juli 2025 heeft AVV een verzoek intrekken voor eerst dienende dag ingediend. Mr. Van Slooten heeft zich (bij B2 formulier van 17 juli 2025) voor de rolzitting van 30 juli 2025 gesteld als advocaat van Transavia. Per abuis is dit door de griffie niet tijdig opgemerkt en is de zaak op 30 juli 2025 ambtshalve doorgehaald.
1.4.
Bij brief van 15 augustus 2025 heeft (de advocaat van) Transavia de rechtbank verzocht om op grond van artikel 250 lid 4 Rv een (uitvoerbaar bij voorraad te verklaren) bevelschrift uit te vaardigen dat strekt tot betaling van € 8.714,00 aan proceskosten. Volgens Transavia was de eerst dienende dag 19 maart 2025, zodat AVV te laat was met haar verzoek tot intrekken van de zaak voor de eerst dienende dag en moet het verzoek van AVV daarom worden opgevat als een akte strekkende tot het doen van afstand van instantie op grond van artikel 249 lid 1 Rv. Transavia wenst daarom aanspraak te maken op betaling van de proceskosten op grond van artikel 249 Rv.
1.5.
AVV heeft hierop bij brief van 8 september 2025 gereageerd. Zij heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de roldatum van 30 juli 2025 uitsluitend een roldatum was om te stellen en dat de zaak niet verder is gekomen dan het stadium van verschijning. Voor het geval de rechtbank het verzoek van AVV aanmerkt als afstand van instantie in de zin van artikel 249 lid 1 Rv heeft AVV aangevoerd dat alleen de gemaakte proceskosten in het bevoegdheidsincident bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking komen. Tot slot voert AVV aan dat de vordering van AVV een vordering van onbepaalde waarde was en dat de proceskosten moeten worden begroot volgens het liquidatietarief kanton, althans het civiele liquidatietarief II (onbepaalde waarde).
Beoordeling
2.1.
Met Transavia is de rechtbank van oordeel dat 19 maart 2025 de eerst dienende dag was, zodat het voor AVV niet meer mogelijk was de zaak op 30 juli 2025 in te trekken. De kantonrechter heeft de zaak bij vonnis van 2 juli 2025 immers verwezen in de stand waarin deze zich toen bevond.
Omdat Transavia nog niet van antwoord had gediend kon AVV nog wel afstand doen van instantie als bedoeld in artikel 249 lid 1 Rv. De rechtbank vat het verzoek intrekken voor eerst dienende dag dan ook op als afstand van instantie. Op grond van artikel 249 lid 2 Rv is AVV verplicht de proceskosten van Transavia te betalen. De rechtbank zal daarom overeenkomstig het verlangen van Transavia een bevelschrift uitvaardigen op grond van artikel 250 lid 4 Rv.
2.2.
De rechtbank begroot de proceskosten op € 714,00 aan griffierecht, op 1 punt van het toepasselijke liquidatietarief kanton wegens het incident bij de kantonrechter en een halve punt van het toepasselijk liquidatietarief civiel wegens het verzoek tot het uitvaardigen van dit bevelschrift.
De rechtbank volgt Transavia niet in haar betoog dat in deze zaak het hoogste liquidatietarief (categorie VIII) van toepassing is omdat de geldswaarde van de zaak een bedrag van € 1.000.000,- ruimschoots zou overschrijden noch in haar betoog dat zij aanspraak kan maken op 2 punten. In het petitum van de dagvaarding zijn immers geen vorderingen ingesteld die op dit moment op een geldswaarde waardeerbaar zijn. Daarom moet deze zaak worden aangemerkt als een zaak van onbepaalde waarde en is voor de kosten van het incident bij de kantonrechter tarief € 271,00 per punt van toepassing en voor de kosten van het verzoek tot het uitvaardigen van dit bevelschrift tarief II van het liquidatietarief, € 614,- per punt, waarbij de rechtbank het verzoek om dit bevelschrift uit te vaardigen begroot op een halve punt van dit tarief.
Dit leidt tot de volgende begroting van de proceskosten van Transavia tot op heden:
griffierecht € 714,00
salaris gemachtigde € 271,00 (1 punt x € 271)
salaris advocaat € 307,00 (0,5 x € 614)
nakosten € 178,00
Totaal € 1.470,00
Dictum
De rechtbank
3.1.
beveelt de betaling door AVV aan Transavia van de door Transavia gemaakte proceskosten en stelt deze vast op € 1.470,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als AVV niet tijdig aan de veroordeling voldoet en dit bevelschrift daarna wordt betekend,
3.2.
verstaat dat deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad is op grond van artikel 250, vierde lid, Rv,
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit bevelschrift is uitgevaardigd door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
1155
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/367651 / HA ZA 25-426
Bevelschrift van 19 november 2025
in de zaak van
ALTERNATIEF VOOR VAKBOND,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: AVV,
advocaat mr. P. de Ruiter,
tegen
TRANSAVIA AIRLINES C.V.,
te Schiphol,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Transavia,
advocaat: mr. J.M. van Slooten.
Procesverloop
1.1.
AVV heeft een zaak aanhangig gemaakt tegen Transavia bij de kantonrechter, locatie Haarlem.
1.2.
Transavia heeft de kantonrechter verzocht de zaak op grond van artikel 71 lid 1 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) te verwijzen naar een kamer voor de behandeling van andere zaken dan kantonzaken. AVV heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
Bij verwijzingsvonnis van 2 juli 2025 heeft de kantonrechter de zaak in de stand waarin zij zich bevond verwezen naar de rol van 30 juli 2025 van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank.
1.3.
Bij B14-formulier van 30 juli 2025 heeft AVV een verzoek intrekken voor eerst dienende dag ingediend. Mr. Van Slooten heeft zich (bij B2 formulier van 17 juli 2025) voor de rolzitting van 30 juli 2025 gesteld als advocaat van Transavia. Per abuis is dit door de griffie niet tijdig opgemerkt en is de zaak op 30 juli 2025 ambtshalve doorgehaald.
1.4.
Bij brief van 15 augustus 2025 heeft (de advocaat van) Transavia de rechtbank verzocht om op grond van artikel 250 lid 4 Rv een (uitvoerbaar bij voorraad te verklaren) bevelschrift uit te vaardigen dat strekt tot betaling van € 8.714,00 aan proceskosten. Volgens Transavia was de eerst dienende dag 19 maart 2025, zodat AVV te laat was met haar verzoek tot intrekken van de zaak voor de eerst dienende dag en moet het verzoek van AVV daarom worden opgevat als een akte strekkende tot het doen van afstand van instantie op grond van artikel 249 lid 1 Rv. Transavia wenst daarom aanspraak te maken op betaling van de proceskosten op grond van artikel 249 Rv.
1.5.
AVV heeft hierop bij brief van 8 september 2025 gereageerd. Zij heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de roldatum van 30 juli 2025 uitsluitend een roldatum was om te stellen en dat de zaak niet verder is gekomen dan het stadium van verschijning. Voor het geval de rechtbank het verzoek van AVV aanmerkt als afstand van instantie in de zin van artikel 249 lid 1 Rv heeft AVV aangevoerd dat alleen de gemaakte proceskosten in het bevoegdheidsincident bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking komen. Tot slot voert AVV aan dat de vordering van AVV een vordering van onbepaalde waarde was en dat de proceskosten moeten worden begroot volgens het liquidatietarief kanton, althans het civiele liquidatietarief II (onbepaalde waarde).
Beoordeling
2.1.
Met Transavia is de rechtbank van oordeel dat 19 maart 2025 de eerst dienende dag was, zodat het voor AVV niet meer mogelijk was de zaak op 30 juli 2025 in te trekken. De kantonrechter heeft de zaak bij vonnis van 2 juli 2025 immers verwezen in de stand waarin deze zich toen bevond.
Omdat Transavia nog niet van antwoord had gediend kon AVV nog wel afstand doen van instantie als bedoeld in artikel 249 lid 1 Rv. De rechtbank vat het verzoek intrekken voor eerst dienende dag dan ook op als afstand van instantie. Op grond van artikel 249 lid 2 Rv is AVV verplicht de proceskosten van Transavia te betalen. De rechtbank zal daarom overeenkomstig het verlangen van Transavia een bevelschrift uitvaardigen op grond van artikel 250 lid 4 Rv.
2.2.
De rechtbank begroot de proceskosten op € 714,00 aan griffierecht, op 1 punt van het toepasselijke liquidatietarief kanton wegens het incident bij de kantonrechter en een halve punt van het toepasselijk liquidatietarief civiel wegens het verzoek tot het uitvaardigen van dit bevelschrift.
De rechtbank volgt Transavia niet in haar betoog dat in deze zaak het hoogste liquidatietarief (categorie VIII) van toepassing is omdat de geldswaarde van de zaak een bedrag van € 1.000.000,- ruimschoots zou overschrijden noch in haar betoog dat zij aanspraak kan maken op 2 punten. In het petitum van de dagvaarding zijn immers geen vorderingen ingesteld die op dit moment op een geldswaarde waardeerbaar zijn. Daarom moet deze zaak worden aangemerkt als een zaak van onbepaalde waarde en is voor de kosten van het incident bij de kantonrechter tarief € 271,00 per punt van toepassing en voor de kosten van het verzoek tot het uitvaardigen van dit bevelschrift tarief II van het liquidatietarief, € 614,- per punt, waarbij de rechtbank het verzoek om dit bevelschrift uit te vaardigen begroot op een halve punt van dit tarief.
Dit leidt tot de volgende begroting van de proceskosten van Transavia tot op heden:
griffierecht € 714,00
salaris gemachtigde € 271,00 (1 punt x € 271)
salaris advocaat € 307,00 (0,5 x € 614)
nakosten € 178,00
Totaal € 1.470,00
Dictum
De rechtbank
3.1.
beveelt de betaling door AVV aan Transavia van de door Transavia gemaakte proceskosten en stelt deze vast op € 1.470,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als AVV niet tijdig aan de veroordeling voldoet en dit bevelschrift daarna wordt betekend,
3.2.
verstaat dat deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad is op grond van artikel 250, vierde lid, Rv,
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit bevelschrift is uitgevaardigd door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
1155