Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-10-27
ECLI:NL:RBNHO:2025:12704
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
23,362 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:12704 text/xml public 2026-02-13T12:21:07 2025-11-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-10-27 AWB - 23 _ 4818 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12704 text/html public 2026-02-13T12:20:21 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:12704 Rechtbank Noord-Holland , 27-10-2025 / AWB - 23 _ 4818 Navorderingsaanslagen IB 2007 t/m 2016 en vergrijpboeten. Vermogen in het buitenland (Zwitserland en Verenigde Staten) niet in de aangifte opgenomen. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 23/4818, HAA 23/4819, HAA 23/4822, HAA 23/4823, HAA 24/6489, HAA 24/6490, HAA 24/6491, HAA 24/6492, HAA 24/6493, HAA 24/6494, HAA 24/6636 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2025 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2007 tot en met 2016 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen zijn – behalve ter zake van de navorderingsaanslag 2007 – vergrijpboeten opgelegd. Tevens is bij alle navorderingsaanslagen heffingsrente of belastingrente in rekening gebracht. Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen, de boete- en de rentebeschikkingen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 2 juni 2023 de navorderingsaanslagen 2009 en 2010 en de daarbij behorende beschikkingen gehandhaafd. Bij uitspraken op bezwaar van 5 juni 2023 heeft verweerder de navorderingsaanslagen 2007 en 2008 en de daarbij behorende beschikkingen verminderd. Eiser heeft verweerder aangaande het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 op 22 juli 2024 in gebreke gesteld. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 5 september 2024 de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2015 en de daarbij behorende beschikkingen verminderd en de navorderingsaanslag 2016 en de daarbij behorende beschikkingen gehandhaafd. Verweerder heeft op 17 september 2024 een dwangsombeschikking genomen. Eiser heeft tegen voornoemde uitspraken op bezwaar en tegen de dwangsombeschikking beroep ingesteld. Verweerder heeft met dagtekening 25 september 2024 een brief gestuurd met een beslissing omtrent de kostenvergoeding horend bij de uitspraken op bezwaar van 5 september 2024. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend in de zaken die zien op de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2025 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Eiser woonde in de onderhavige jaren in Nederland en heeft in de onderhavige jaren als binnenlands belastingplichtige in Nederland aangifte IB/PVV gedaan. 2. Bij brief van 28 januari 2019 heeft verweerder aan eiser gevraagd een ‘Verklaring vermogen in het buitenland’ in te vullen aangaande een bankrekening in Zwitserland bij [bank 1] en relevante (bank)stukken op te sturen. Verweerder heeft eiser daarbij gewezen op de op hem rustende informatieverplichting van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Eiser heeft op 22 februari 2019 de door verweerder toegezonden verklaring aan hem geretourneerd. Eiser heeft daarbij geen stukken gevoegd. Verweerder heeft eiser onder meer op 16 april 2019, 17 mei 2019, 13 januari 2020 en 27 april 2020 herinnerd aan het verzoek bankstukken op te sturen. Eiser heeft de gevraagde informatie niet verstrekt. 3. Naar aanleiding van een door de Belastingdienst via het Central Liaison Office gedaan verzoek aan Zwitserland, heeft de Nederlandse Belastingdienst op 18 augustus 2020 van de Zwitserse autoriteiten een renseignement ontvangen dat betrekking heeft op eiser. In het renseignement is onder meer het volgende opgenomen: Door eiser ingevulde en ondertekende formulieren van [bank 2] in Zwitserland getiteld ‘Declaration of Beneficial Ownership’ en ‘Declaration of Non US Status Switzerland’. Diverse formulieren van [bank 1] , waaronder formulieren ter aanvraag van een ‘savings account’ met gezamenlijke eigenaarschap, ingevuld door eiser en zijn moeder. Kopieën van de paspoorten van eiser en van zijn moeder. Een kopie van het rijbewijs van eiser. Een ‘portfolio management report’ van [bank 1] van het account [# 1] op naam van eiser met een overzicht per 1 maart 2010. In dit rapport wordt ook melding gemaakt van het account [# 3] op naam van eiser en het account [# 2] op naam van eiser en zijn moeder. Portfolio management reports van [bank 1] van het account [# 1] op naam van eiser met een overzicht steeds per 1 januari voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2017. Een brief van eiser met dagtekening 18 september 2016 aan [bank 1] SA met daarin het verzoek om het volledige saldo van zijn ‘Euro account number [# 1] / [# 2] / [# 3] ’ te converteren naar USD en over te maken naar zijn account bij [bank 3] met nummer [# 4] . 4. Het saldo van de rekening van eiser bij [bank 1] met nummer [# 1] op de peildatum 1 januari bedraagt volgens de vanuit Zwitserland ontvangen documenten in de onderhavige jaren: Peildatum USD 1 januari 2011 249.743 1 januari 2012 240.234 1 januari 2013 245.277 1 januari 2014 254.594 1 januari 2015 197.069 1 januari 2016 175.323 5. Verweerder heeft eiser op 26 november 2020 en 23 februari 2021 nogmaals herinnerd aan het verzoek om informatie te verstrekken over zijn buitenlandse rekeningen, met inbegrip van een bankrekening in de Verenigde Staten bij [bank 3] . 6. Naar aanleiding van een door de Belastingdienst via het Central Liaison Office gedaan verzoek aan de Verenigde Staten, heeft de Nederlandse Belastingdienst op 12 augustus 2021 van de Amerikaanse autoriteiten een renseignement ontvangen dat betrekking heeft op eiser. In het renseignement is onder meer het volgende opgenomen: Een ‘personal signature card’ voor een ‘savings account’ bij [bank 3] op naam van eiser en zijn broer, ondertekend op 18 oktober 2012. Overzichten van diverse (spaar)rekeningen bij [bank 3] , gericht aan eiser, zijn broer en zijn moeder. 7. Het saldo volgens de gecombineerde overzichten van de rekeningen bij [bank 3] bedraagt op de volgende peildata: Peildatum USD 19 december 2013 256.166,72 19 december 2014 320.622,80 21 december 2015 159.315,66 8. Verweerder heeft in verband met het vermogen in het buitenland, waarvan eiser in zijn aangiften IB/PVV voor de onderhavige jaren geen aangifte heeft gedaan, de volgende navorderingsaanslagen IB/PVV en vergrijpboeten aan eiser opgelegd: Een navorderingsaanslag IB/PVV 2007 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 37.930 en waarbij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3) nader is vastgesteld op € 73.657. Daarbij is heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2008 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 42.908 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 73.668. Daarbij is een vergrijpboete van 75% opgelegd en heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2009 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 52.789 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 21.995. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2010 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 32.099 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 21.751. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2011 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 33.624 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 21.435.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:12704 text/xml public 2026-02-23T11:13:54 2025-11-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-10-27 AWB - 23 _ 4818 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021605 V-N Vandaag 2026/296 FutD 2026-0318 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12704 text/html public 2026-02-13T12:20:21 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:12704 Rechtbank Noord-Holland , 27-10-2025 / AWB - 23 _ 4818 Navorderingsaanslagen IB 2007 t/m 2016 en vergrijpboeten. Vermogen in het buitenland (Zwitserland en Verenigde Staten) niet in de aangifte opgenomen. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 23/4818, HAA 23/4819, HAA 23/4822, HAA 23/4823, HAA 24/6489, HAA 24/6490, HAA 24/6491, HAA 24/6492, HAA 24/6493, HAA 24/6494, HAA 24/6636 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2025 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2007 tot en met 2016 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen zijn – behalve ter zake van de navorderingsaanslag 2007 – vergrijpboeten opgelegd. Tevens is bij alle navorderingsaanslagen heffingsrente of belastingrente in rekening gebracht. Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen, de boete- en de rentebeschikkingen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 2 juni 2023 de navorderingsaanslagen 2009 en 2010 en de daarbij behorende beschikkingen gehandhaafd. Bij uitspraken op bezwaar van 5 juni 2023 heeft verweerder de navorderingsaanslagen 2007 en 2008 en de daarbij behorende beschikkingen verminderd. Eiser heeft verweerder aangaande het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 op 22 juli 2024 in gebreke gesteld. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 5 september 2024 de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2015 en de daarbij behorende beschikkingen verminderd en de navorderingsaanslag 2016 en de daarbij behorende beschikkingen gehandhaafd. Verweerder heeft op 17 september 2024 een dwangsombeschikking genomen. Eiser heeft tegen voornoemde uitspraken op bezwaar en tegen de dwangsombeschikking beroep ingesteld. Verweerder heeft met dagtekening 25 september 2024 een brief gestuurd met een beslissing omtrent de kostenvergoeding horend bij de uitspraken op bezwaar van 5 september 2024. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend in de zaken die zien op de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2025 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Eiser woonde in de onderhavige jaren in Nederland en heeft in de onderhavige jaren als binnenlands belastingplichtige in Nederland aangifte IB/PVV gedaan. 2. Bij brief van 28 januari 2019 heeft verweerder aan eiser gevraagd een ‘Verklaring vermogen in het buitenland’ in te vullen aangaande een bankrekening in Zwitserland bij [bank 1] en relevante (bank)stukken op te sturen. Verweerder heeft eiser daarbij gewezen op de op hem rustende informatieverplichting van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Eiser heeft op 22 februari 2019 de door verweerder toegezonden verklaring aan hem geretourneerd. Eiser heeft daarbij geen stukken gevoegd. Verweerder heeft eiser onder meer op 16 april 2019, 17 mei 2019, 13 januari 2020 en 27 april 2020 herinnerd aan het verzoek bankstukken op te sturen. Eiser heeft de gevraagde informatie niet verstrekt. 3. Naar aanleiding van een door de Belastingdienst via het Central Liaison Office gedaan verzoek aan Zwitserland, heeft de Nederlandse Belastingdienst op 18 augustus 2020 van de Zwitserse autoriteiten een renseignement ontvangen dat betrekking heeft op eiser. In het renseignement is onder meer het volgende opgenomen: Door eiser ingevulde en ondertekende formulieren van [bank 2] in Zwitserland getiteld ‘Declaration of Beneficial Ownership’ en ‘Declaration of Non US Status Switzerland’. Diverse formulieren van [bank 1] , waaronder formulieren ter aanvraag van een ‘savings account’ met gezamenlijke eigenaarschap, ingevuld door eiser en zijn moeder. Kopieën van de paspoorten van eiser en van zijn moeder. Een kopie van het rijbewijs van eiser. Een ‘portfolio management report’ van [bank 1] van het account [# 1] op naam van eiser met een overzicht per 1 maart 2010. In dit rapport wordt ook melding gemaakt van het account [# 3] op naam van eiser en het account [# 2] op naam van eiser en zijn moeder. Portfolio management reports van [bank 1] van het account [# 1] op naam van eiser met een overzicht steeds per 1 januari voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2017. Een brief van eiser met dagtekening 18 september 2016 aan [bank 1] SA met daarin het verzoek om het volledige saldo van zijn ‘Euro account number [# 1] / [# 2] / [# 3] ’ te converteren naar USD en over te maken naar zijn account bij [bank 3] met nummer [# 4] . 4. Het saldo van de rekening van eiser bij [bank 1] met nummer [# 1] op de peildatum 1 januari bedraagt volgens de vanuit Zwitserland ontvangen documenten in de onderhavige jaren: Peildatum USD 1 januari 2011 249.743 1 januari 2012 240.234 1 januari 2013 245.277 1 januari 2014 254.594 1 januari 2015 197.069 1 januari 2016 175.323 5. Verweerder heeft eiser op 26 november 2020 en 23 februari 2021 nogmaals herinnerd aan het verzoek om informatie te verstrekken over zijn buitenlandse rekeningen, met inbegrip van een bankrekening in de Verenigde Staten bij [bank 3] . 6. Naar aanleiding van een door de Belastingdienst via het Central Liaison Office gedaan verzoek aan de Verenigde Staten, heeft de Nederlandse Belastingdienst op 12 augustus 2021 van de Amerikaanse autoriteiten een renseignement ontvangen dat betrekking heeft op eiser. In het renseignement is onder meer het volgende opgenomen: Een ‘personal signature card’ voor een ‘savings account’ bij [bank 3] op naam van eiser en zijn broer, ondertekend op 18 oktober 2012. Overzichten van diverse (spaar)rekeningen bij [bank 3] , gericht aan eiser, zijn broer en zijn moeder. 7. Het saldo volgens de gecombineerde overzichten van de rekeningen bij [bank 3] bedraagt op de volgende peildata: Peildatum USD 19 december 2013 256.166,72 19 december 2014 320.622,80 21 december 2015 159.315,66 8. Verweerder heeft in verband met het vermogen in het buitenland, waarvan eiser in zijn aangiften IB/PVV voor de onderhavige jaren geen aangifte heeft gedaan, de volgende navorderingsaanslagen IB/PVV en vergrijpboeten aan eiser opgelegd: Een navorderingsaanslag IB/PVV 2007 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 37.930 en waarbij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (box 3) nader is vastgesteld op € 73.657. Daarbij is heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2008 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 42.908 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 73.668. Daarbij is een vergrijpboete van 75% opgelegd en heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2009 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 52.789 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 21.995. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2010 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 32.099 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 21.751. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2011 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 33.624 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 21.435.
Volledig
Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2012 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 32.147 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 21.268. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2013 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 13.676 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 is vastgesteld op € 20.149. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 22.451 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 18.469. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 22.443 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 19.820. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 22.685 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 15.158. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. 9. Bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de navorderingsaanslagen en bijbehorende beschikkingen voor de jaren 2007, 2008 en 2011 tot en met 2015 verminderd. Deze navorderingsaanslagen zijn als volgt verminderd: In de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 22.057. De heffingsrente is overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 22.068. De heffingsrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 9.436. De heffingsrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 9.269. De belastingrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 13.770. De belastingrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 17.191. De belastingrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 19.478. De belastingrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. De overige navorderingsaanslagen zijn bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd. 10. Eiser heeft verweerder aangaande de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 van het doen van uitspraak in gebreke gesteld. Verweerder heeft met dagtekening 17 september 2024 een dwangsombesluit genomen waarin, omdat volgens verweerder sprake is van nagenoeg identieke procedures, éénmaal een dwangsom is berekend van € 974. 11. Met dagtekening 25 september 2024 heeft verweerder aangaande de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 een brief gestuurd aan eiser met een kostenbesluit. In deze brief is een kostenvergoeding berekend van in totaal € 1.872 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 624 en een factor 1,5 wegens samenhang). Geschil 12. In geschil is of de navorderingsaanslagen 2007 tot en met 2016 evenals de bijbehorende boetebeschikkingen en rentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd dan wel berekend. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de navorderingsaanslag 2009 en de bijbehorende boete- en rentebeschikkingen moeten worden vernietigd. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Verder is meer specifiek in geschil: of met betrekking tot alle navorderingsaanslagen aan het voortvarendheidsvereiste is voldaan; of verweerder voor de jaren 2007, 2008 en 2010 terecht uitgaat van een schatting van de hoogte van het buitenlandse vermogen en of daarbij de rechtszekerheid in het geding is; of per navorderingsaanslag een kostenvergoeding had moeten worden toegekend bij de uitspraken op bezwaar over de jaren 2011 tot en met 2016; en of zesmaal een dwangsom is verbeurd aangaande de uitspraken op bezwaar over de jaren 2011 tot en met 2016. 13. Eiser stelt dat verweerder alleen informatie heeft over zijn buitenlandse vermogen in de jaren vanaf 2011 en dat verweerder voor de jaren daarvóór ten onrechte uitgaat van een schatting. Eiser stelt dat voor de jaren 2007, 2008 en 2010 voor hem geen bewaarplicht geldt. Volgens eiser heeft verweerder bij het opleggen van alle navorderingsaanslagen niet aan het voortvarendheidsvereiste voldaan en is de rechtszekerheid in het geding. Ook heeft verweerder volgens eiser met betrekking tot de vergrijpboeten ten onrechte niet gemotiveerd waarom eiser een verwijt valt te maken. Eiser stelt tot slot dat aangaande de bezwaarprocedure voor de jaren 2011 tot en met 2016 zesmaal een kostenvergoeding en dwangsom had moeten worden toegekend in plaats van éénmaal wegens samenhang. 14. Verweerder stelt dat de navorderingsaanslagen 2007, 2008 en 2010 en de bijbehorende rente- en boetebeschikkingen moeten worden verminderd omdat onzeker is of de rekening bij [bank 3] op dat moment al bestond. Dit leidt tot een grondslagvermindering van € 300.000 voor zowel 2007, 2008 als 2010. De overige navorderingsaanslagen en bijbehorende rente- en boetebeschikkingen moeten volgens verweerder worden gehandhaafd. Het voortvarendheidsvereiste is niet van toepassing. De kostenvergoeding en dwangsom zijn volgens verweerder tot het juiste bedrag vastgesteld. Beoordeling van het geschil Vooraf 15. In een aantal van de door verweerder overgelegde gedingstukken zitten (deels) zwartgelakte teksten. Verweerder heeft voor deze stukken geen verzoek om geheimhouding ingediend op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij heeft verklaard dat de stukken grotendeels al zwartgelakt zijn ingediend door buitenlandse instanties. Daarnaast heeft hij zelf een aantal woorden zwartgelakt uit brieven van en aan het Central Liaison Office van de Belastingdienst. De rechtbank ziet, gelet op het navolgende, geen aanleiding om hieraan gevolgen te verbinden. Voor de door buitenlandse instanties aangeleverde en door die instanties zwartgelakte teksten, hoeft geen verzoek om geheimhouding te worden ingediend. Verweerder heeft immers ook geen toegang tot de daarin zwartgelakte teksten zodat geen sprake is van een ongelijke procespositie. De woorden die verweerder zelf heeft zwartgelakt, betreffen contactgegevens van medewerkers van het Central Liaison Office. Deze gegevens zijn niet relevant voor de beoordeling van de onderhavige beroepen. De rechtbank verbindt hier dan ook verder geen gevolgen aan op de voet van artikel 8:31 van de Awb. 16. Eiser stelt dat de uitspraken op bezwaar niet zijn genomen door een daartoe bevoegd persoon omdat ze niet zijn ondertekend. Deze beroepsgrond faalt. De (motiveringen van de) uitspraken op bezwaar zijn voorzien van de naam van de persoon die heeft getekend. Gesteld noch gebleken is dat die persoon niet bevoegd was om namens verweerder de uitspraken op bezwaar te doen. Er is verder geen rechtsregel die bepaalt dat een uitspraak op bezwaar moet worden ondertekend. Voortvarendheidseis 17. Eiser stelt dat bij het opleggen van alle navorderingsaanslagen niet aan de voortvarendheidseis is voldaan omdat sprake is van onverklaarbare vertragingen van meer dan zes maanden. Eiser wijst voor de navorderingsaanslagen 2011 en verder onder meer op de al eerder opgelegde navorderingsaanslagen over de jaren 2007 tot en met 2010. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voortvarendheidseis niet van toepassing is omdat sprake is van een derde land. 18. De rechtbank overweegt als volgt.
Volledig
Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en heffingsrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2012 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 32.147 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 21.268. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2013 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 13.676 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 is vastgesteld op € 20.149. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 22.451 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 18.469. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 22.443 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 19.820. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. Een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 naar een belastbaar inkomen uit box 1 van € 22.685 en waarbij het belastbare inkomen uit box 3 nader is vastgesteld op € 15.158. Daarbij is een vergrijpboete van 225% opgelegd en belastingrente over de nagevorderde belasting berekend. 9. Bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de navorderingsaanslagen en bijbehorende beschikkingen voor de jaren 2007, 2008 en 2011 tot en met 2015 verminderd. Deze navorderingsaanslagen zijn als volgt verminderd: In de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 22.057. De heffingsrente is overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 22.068. De heffingsrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 9.436. De heffingsrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 9.269. De belastingrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 13.770. De belastingrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 17.191. De belastingrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. In de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 is het belastbare inkomen uit box 3 nader vastgesteld op € 19.478. De belastingrente en vergrijpboete zijn overeenkomstig verminderd. De overige navorderingsaanslagen zijn bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd. 10. Eiser heeft verweerder aangaande de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 van het doen van uitspraak in gebreke gesteld. Verweerder heeft met dagtekening 17 september 2024 een dwangsombesluit genomen waarin, omdat volgens verweerder sprake is van nagenoeg identieke procedures, éénmaal een dwangsom is berekend van € 974. 11. Met dagtekening 25 september 2024 heeft verweerder aangaande de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 een brief gestuurd aan eiser met een kostenbesluit. In deze brief is een kostenvergoeding berekend van in totaal € 1.872 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 624 en een factor 1,5 wegens samenhang). Geschil 12. In geschil is of de navorderingsaanslagen 2007 tot en met 2016 evenals de bijbehorende boetebeschikkingen en rentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd dan wel berekend. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de navorderingsaanslag 2009 en de bijbehorende boete- en rentebeschikkingen moeten worden vernietigd. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Verder is meer specifiek in geschil: of met betrekking tot alle navorderingsaanslagen aan het voortvarendheidsvereiste is voldaan; of verweerder voor de jaren 2007, 2008 en 2010 terecht uitgaat van een schatting van de hoogte van het buitenlandse vermogen en of daarbij de rechtszekerheid in het geding is; of per navorderingsaanslag een kostenvergoeding had moeten worden toegekend bij de uitspraken op bezwaar over de jaren 2011 tot en met 2016; en of zesmaal een dwangsom is verbeurd aangaande de uitspraken op bezwaar over de jaren 2011 tot en met 2016. 13. Eiser stelt dat verweerder alleen informatie heeft over zijn buitenlandse vermogen in de jaren vanaf 2011 en dat verweerder voor de jaren daarvóór ten onrechte uitgaat van een schatting. Eiser stelt dat voor de jaren 2007, 2008 en 2010 voor hem geen bewaarplicht geldt. Volgens eiser heeft verweerder bij het opleggen van alle navorderingsaanslagen niet aan het voortvarendheidsvereiste voldaan en is de rechtszekerheid in het geding. Ook heeft verweerder volgens eiser met betrekking tot de vergrijpboeten ten onrechte niet gemotiveerd waarom eiser een verwijt valt te maken. Eiser stelt tot slot dat aangaande de bezwaarprocedure voor de jaren 2011 tot en met 2016 zesmaal een kostenvergoeding en dwangsom had moeten worden toegekend in plaats van éénmaal wegens samenhang. 14. Verweerder stelt dat de navorderingsaanslagen 2007, 2008 en 2010 en de bijbehorende rente- en boetebeschikkingen moeten worden verminderd omdat onzeker is of de rekening bij [bank 3] op dat moment al bestond. Dit leidt tot een grondslagvermindering van € 300.000 voor zowel 2007, 2008 als 2010. De overige navorderingsaanslagen en bijbehorende rente- en boetebeschikkingen moeten volgens verweerder worden gehandhaafd. Het voortvarendheidsvereiste is niet van toepassing. De kostenvergoeding en dwangsom zijn volgens verweerder tot het juiste bedrag vastgesteld. Beoordeling van het geschil Vooraf 15. In een aantal van de door verweerder overgelegde gedingstukken zitten (deels) zwartgelakte teksten. Verweerder heeft voor deze stukken geen verzoek om geheimhouding ingediend op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij heeft verklaard dat de stukken grotendeels al zwartgelakt zijn ingediend door buitenlandse instanties. Daarnaast heeft hij zelf een aantal woorden zwartgelakt uit brieven van en aan het Central Liaison Office van de Belastingdienst. De rechtbank ziet, gelet op het navolgende, geen aanleiding om hieraan gevolgen te verbinden. Voor de door buitenlandse instanties aangeleverde en door die instanties zwartgelakte teksten, hoeft geen verzoek om geheimhouding te worden ingediend. Verweerder heeft immers ook geen toegang tot de daarin zwartgelakte teksten zodat geen sprake is van een ongelijke procespositie. De woorden die verweerder zelf heeft zwartgelakt, betreffen contactgegevens van medewerkers van het Central Liaison Office. Deze gegevens zijn niet relevant voor de beoordeling van de onderhavige beroepen. De rechtbank verbindt hier dan ook verder geen gevolgen aan op de voet van artikel 8:31 van de Awb. 16. Eiser stelt dat de uitspraken op bezwaar niet zijn genomen door een daartoe bevoegd persoon omdat ze niet zijn ondertekend. Deze beroepsgrond faalt. De (motiveringen van de) uitspraken op bezwaar zijn voorzien van de naam van de persoon die heeft getekend. Gesteld noch gebleken is dat die persoon niet bevoegd was om namens verweerder de uitspraken op bezwaar te doen. Er is verder geen rechtsregel die bepaalt dat een uitspraak op bezwaar moet worden ondertekend. Voortvarendheidseis 17. Eiser stelt dat bij het opleggen van alle navorderingsaanslagen niet aan de voortvarendheidseis is voldaan omdat sprake is van onverklaarbare vertragingen van meer dan zes maanden. Eiser wijst voor de navorderingsaanslagen 2011 en verder onder meer op de al eerder opgelegde navorderingsaanslagen over de jaren 2007 tot en met 2010. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voortvarendheidseis niet van toepassing is omdat sprake is van een derde land. 18. De rechtbank overweegt als volgt.
Volledig
De voortvarendheidseis is alleen aan de orde in gevallen waarin het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is (zie Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843). De navorderingsaanslagen hebben betrekking op spaartegoeden van bankrekeningen in Zwitserland en in de Verenigde Staten. Deze landen zijn geen lid van de Europese Unie en evenmin van de EER. Het zijn daarom zogenoemde derde landen. De Unierechtelijke voortvarendheidseis is in deze dus niet van toepassing. 19. Eiser stelt dat verweerder desalniettemin niet voortvarend heeft gehandeld en dat de rechtszekerheid in het geding is. Hij beroept zich in dit verband op jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie over de voortvarendheidseis die volgens hem naar analogie moet worden toegepast. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Bij het verlenen van de bevoegdheid tot navorderen heeft de wetgever onder strikte voorwaarden een inbreuk op de rechtszekerheid van een belastingplichtige toegestaan. Die voorwaarden zijn uitputtend geregeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Een navorderingsaanslag kan dan niet meer met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel worden bestreden. Ook anderszins is niet gebleken dat verweerder heeft gehandeld in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur. Vermogen in Zwitserland en de Verenigde Staten 20. Nu de rechtbank aan de hand van de gedingstukken niet kan vaststellen of eiser is uitgenodigd tot het doen van de aangiften voor de onderhavige belastingjaren, houdt de rechtbank het ervoor dat hiervan geen sprake is geweest. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan in de zin van artikel 27e van de AWR. Dit brengt mee dat omkering van de bewijslast niet aan de orde is. 21. Met inachtneming van de normale regels van stelplicht en bewijslast moet verweerder aannemelijk maken dat de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld dan wel verminderd bij uitspraak op bezwaar. Verweerder kan met een of meer niet-ontzenuwde bewijsvermoedens voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Een bewijsvermoeden moet berusten op vaststaande feiten en omstandigheden en redelijkerwijs uit die feiten en omstandigheden voortvloeien. Vervolgens ligt het op de weg van eiser om een dergelijk vermoeden te ontzenuwen. Daarbij hoeft hij niet aannemelijk te maken dat het vermoeden onjuist is, maar hij kan volstaan met het wekken van redelijke twijfel aan de redengevende kracht van het bewijsvermoeden (vgl. Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63). 22. Verweerder heeft geen informatie van eiser ontvangen over zijn buitenlands vermogen in de onderhavige jaren. Verweerder heeft van de buitenlandse autoriteiten enkel informatie ontvangen over banktegoeden in Zwitserland vanaf 2011 en de Verenigde Staten vanaf medio 2012 op naam van (onder meer) eiser. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat de Zwitserse bankrekeningen zijn geopend in het guldentijdperk, dus vóór 2002. Uit de door verweerder ingebrachte renseignementen blijkt dat eiser formeel als (mede-)eigenaar bevoegd is om over de gelden op de buitenlandse bankrekeningen in Zwitserland en de Verenigde Staten te beschikken. Eiser heeft dat niet ontkend. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat het vermogen op de buitenlandse bankrekeningen zoals blijkt uit de renseignementen aan eiser toebehoorde, tenzij eiser redelijke twijfel wekt. 23. Eiser voert aan dat het buitenlandse vermogen niet van hem was. Al het buitenlandse vermogen is eigendom van zijn broer, die in de onderhavige periode in de Verenigde Staten woonde. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het geld oorspronkelijk uit India afkomstig is. Eiser kon vanwege zijn dienstverband bij een vliegmaatschappij goedkoop vliegen en vloog daarom een paar keer per jaar naar India om het geld in delen op te halen. Hij heeft het geld in opdracht van zijn broer op een Zwitserse bankrekening gestort en het vermogen aldaar voor zijn broer beschikbaar gehouden. Zijn broer kon dat in die periode niet zelf doen, omdat hij in de Verenigde Staten op een verblijfsvergunning wachtte. Het geld is eerst gestort op een rekening bij [bank 2] en daarna op een rekening bij [bank 1] . Later is het geld overgemaakt naar een bankrekening van zijn broer in de Verenigde Staten. Gelet op deze omstandigheden kan het vermogen volgens eiser niet bij hem in de belastingheffing worden betrokken. 24. Met deze enkele verklaring heeft eiser, gelet op hetgeen uit de gedingstukken volgt, het vermoeden niet ontzenuwd dat het geld op de buitenlandse bankrekeningen niet (deels) aan hem toebehoorde. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Uit de renseignementen volgt niet alleen dat eiser juridisch (mede-)eigenaar was van de bankrekeningen, maar ook dat hij de economische voordelen genoot. Zo behoort tot de renseignementen onder meer een door eiser ondertekend formulier van [bank 1] waarin hij verklaart dat hij de (enige) economisch rechthebbende is tot het vermogen op de bankrekening met nummer [# 1] . Tot de renseignementen behoort ook het door eiser ondertekende formulier ‘Declaration of Non US Status Switzerland’ van [bank 2] in Zwitserland waarin onder meer het volgende is opgenomen: “The undersigned Account Holder hereby declares that he/she is the beneficial owner according to US tax principles of the assets and income to which this Form relates. The beneficial owner under US law is the individual or entity that includes the receipt of income in his/her income for tax purposes.” In datzelfde formulier heeft eiser aangekruist dat hij voordelen claimt op basis van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting met Nederland. Ook heeft verweerder een brief overgelegd van eiser aan [bank 1] met dagtekening 18 september 2016. In deze brief verzoekt eiser de bank om het volledige saldo van zijn Europese rekening te storten op zijn bankrekening bij [bank 3] : “[…] Reference my last visit to your bank and as discussed with […], kindly transfer the entire balance of my Euro account number [# 1] / [# 2] / [# 3] after converting into USD to my following account ( this is the same account and bank to which the other account balance was transferred in June 2014) : [bank 3] Account number : [# 4] […]” Tot de renseignementen behoort verder een formulier van [bank 3] getiteld ‘Personal Signature Card’ ter aanvraag van een spaarrekening. Het formulier is ondertekend door eiser en zijn broer op 18 oktober 2012. In het formulier is aangekruist dat eiser en zijn broer ‘Joint owner’ zijn met recht op ‘survivorship’. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser ook economisch (mede-)rechthebbende was van het buitenlandse vermogen op zowel de Zwitserse als de Amerikaanse bankrekeningen. 25. Uit de renseignementen van de Zwitserse autoriteiten volgt dat de bankrekeningen bij [bank 1] op naam stonden van zowel eiser als zijn moeder, maar hieruit volgt niet voor welk deel eiser en zijn moeder gerechtigd waren tot dit vermogen. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat, als al moet worden uitgegaan van enig economische eigendom, niet bekend is hoe het eigendom tussen moeder, broer en eiser is verdeeld. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat hij niet bestrijdt dat er meerdere rekeninghouders zijn. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de Zwitserse banktegoeden voor gelijke delen toebehoorden aan de formele rekeninghouders, zijnde eiser en zijn moeder. Dit geldt tot en met het jaar 2010, omdat de moeder van eiser in 2010 is overleden. Ten aanzien van de jaren 2011 tot en met 2016 acht de rechtbank aannemelijk dat eiser gerechtigd was tot het volledige vermogen op de Zwitserse bankrekening. 26. Voor de rekeningen bij [bank 3] geldt eveneens dat blijkens de renseignementen sprake is van gedeeld rekeninghouderschap. De rekeningen staan op naam van eiser, zijn broer en zijn moeder. Ook voor deze rekeningen geldt dat verweerder niet bestrijdt dat er meerdere rekeninghouders zijn en dat eiser enkel stelt dat, als al moet worden uitgegaan van enige economische gerechtigdheid, niet bekend is voor welk aandeel hij gerechtigdheid was.
Volledig
De voortvarendheidseis is alleen aan de orde in gevallen waarin het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is (zie Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843). De navorderingsaanslagen hebben betrekking op spaartegoeden van bankrekeningen in Zwitserland en in de Verenigde Staten. Deze landen zijn geen lid van de Europese Unie en evenmin van de EER. Het zijn daarom zogenoemde derde landen. De Unierechtelijke voortvarendheidseis is in deze dus niet van toepassing. 19. Eiser stelt dat verweerder desalniettemin niet voortvarend heeft gehandeld en dat de rechtszekerheid in het geding is. Hij beroept zich in dit verband op jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie over de voortvarendheidseis die volgens hem naar analogie moet worden toegepast. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Bij het verlenen van de bevoegdheid tot navorderen heeft de wetgever onder strikte voorwaarden een inbreuk op de rechtszekerheid van een belastingplichtige toegestaan. Die voorwaarden zijn uitputtend geregeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Een navorderingsaanslag kan dan niet meer met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel worden bestreden. Ook anderszins is niet gebleken dat verweerder heeft gehandeld in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur. Vermogen in Zwitserland en de Verenigde Staten 20. Nu de rechtbank aan de hand van de gedingstukken niet kan vaststellen of eiser is uitgenodigd tot het doen van de aangiften voor de onderhavige belastingjaren, houdt de rechtbank het ervoor dat hiervan geen sprake is geweest. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan in de zin van artikel 27e van de AWR. Dit brengt mee dat omkering van de bewijslast niet aan de orde is. 21. Met inachtneming van de normale regels van stelplicht en bewijslast moet verweerder aannemelijk maken dat de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld dan wel verminderd bij uitspraak op bezwaar. Verweerder kan met een of meer niet-ontzenuwde bewijsvermoedens voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Een bewijsvermoeden moet berusten op vaststaande feiten en omstandigheden en redelijkerwijs uit die feiten en omstandigheden voortvloeien. Vervolgens ligt het op de weg van eiser om een dergelijk vermoeden te ontzenuwen. Daarbij hoeft hij niet aannemelijk te maken dat het vermoeden onjuist is, maar hij kan volstaan met het wekken van redelijke twijfel aan de redengevende kracht van het bewijsvermoeden (vgl. Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63). 22. Verweerder heeft geen informatie van eiser ontvangen over zijn buitenlands vermogen in de onderhavige jaren. Verweerder heeft van de buitenlandse autoriteiten enkel informatie ontvangen over banktegoeden in Zwitserland vanaf 2011 en de Verenigde Staten vanaf medio 2012 op naam van (onder meer) eiser. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat de Zwitserse bankrekeningen zijn geopend in het guldentijdperk, dus vóór 2002. Uit de door verweerder ingebrachte renseignementen blijkt dat eiser formeel als (mede-)eigenaar bevoegd is om over de gelden op de buitenlandse bankrekeningen in Zwitserland en de Verenigde Staten te beschikken. Eiser heeft dat niet ontkend. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat het vermogen op de buitenlandse bankrekeningen zoals blijkt uit de renseignementen aan eiser toebehoorde, tenzij eiser redelijke twijfel wekt. 23. Eiser voert aan dat het buitenlandse vermogen niet van hem was. Al het buitenlandse vermogen is eigendom van zijn broer, die in de onderhavige periode in de Verenigde Staten woonde. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het geld oorspronkelijk uit India afkomstig is. Eiser kon vanwege zijn dienstverband bij een vliegmaatschappij goedkoop vliegen en vloog daarom een paar keer per jaar naar India om het geld in delen op te halen. Hij heeft het geld in opdracht van zijn broer op een Zwitserse bankrekening gestort en het vermogen aldaar voor zijn broer beschikbaar gehouden. Zijn broer kon dat in die periode niet zelf doen, omdat hij in de Verenigde Staten op een verblijfsvergunning wachtte. Het geld is eerst gestort op een rekening bij [bank 2] en daarna op een rekening bij [bank 1] . Later is het geld overgemaakt naar een bankrekening van zijn broer in de Verenigde Staten. Gelet op deze omstandigheden kan het vermogen volgens eiser niet bij hem in de belastingheffing worden betrokken. 24. Met deze enkele verklaring heeft eiser, gelet op hetgeen uit de gedingstukken volgt, het vermoeden niet ontzenuwd dat het geld op de buitenlandse bankrekeningen niet (deels) aan hem toebehoorde. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Uit de renseignementen volgt niet alleen dat eiser juridisch (mede-)eigenaar was van de bankrekeningen, maar ook dat hij de economische voordelen genoot. Zo behoort tot de renseignementen onder meer een door eiser ondertekend formulier van [bank 1] waarin hij verklaart dat hij de (enige) economisch rechthebbende is tot het vermogen op de bankrekening met nummer [# 1] . Tot de renseignementen behoort ook het door eiser ondertekende formulier ‘Declaration of Non US Status Switzerland’ van [bank 2] in Zwitserland waarin onder meer het volgende is opgenomen: “The undersigned Account Holder hereby declares that he/she is the beneficial owner according to US tax principles of the assets and income to which this Form relates. The beneficial owner under US law is the individual or entity that includes the receipt of income in his/her income for tax purposes.” In datzelfde formulier heeft eiser aangekruist dat hij voordelen claimt op basis van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting met Nederland. Ook heeft verweerder een brief overgelegd van eiser aan [bank 1] met dagtekening 18 september 2016. In deze brief verzoekt eiser de bank om het volledige saldo van zijn Europese rekening te storten op zijn bankrekening bij [bank 3] : “[…] Reference my last visit to your bank and as discussed with […], kindly transfer the entire balance of my Euro account number [# 1] / [# 2] / [# 3] after converting into USD to my following account ( this is the same account and bank to which the other account balance was transferred in June 2014) : [bank 3]Account number : [# 4] […]” Tot de renseignementen behoort verder een formulier van [bank 3] getiteld ‘Personal Signature Card’ ter aanvraag van een spaarrekening. Het formulier is ondertekend door eiser en zijn broer op 18 oktober 2012. In het formulier is aangekruist dat eiser en zijn broer ‘Joint owner’ zijn met recht op ‘survivorship’. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser ook economisch (mede-)rechthebbende was van het buitenlandse vermogen op zowel de Zwitserse als de Amerikaanse bankrekeningen. 25. Uit de renseignementen van de Zwitserse autoriteiten volgt dat de bankrekeningen bij [bank 1] op naam stonden van zowel eiser als zijn moeder, maar hieruit volgt niet voor welk deel eiser en zijn moeder gerechtigd waren tot dit vermogen. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat, als al moet worden uitgegaan van enig economische eigendom, niet bekend is hoe het eigendom tussen moeder, broer en eiser is verdeeld. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat hij niet bestrijdt dat er meerdere rekeninghouders zijn. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de Zwitserse banktegoeden voor gelijke delen toebehoorden aan de formele rekeninghouders, zijnde eiser en zijn moeder. Dit geldt tot en met het jaar 2010, omdat de moeder van eiser in 2010 is overleden. Ten aanzien van de jaren 2011 tot en met 2016 acht de rechtbank aannemelijk dat eiser gerechtigd was tot het volledige vermogen op de Zwitserse bankrekening. 26. Voor de rekeningen bij [bank 3] geldt eveneens dat blijkens de renseignementen sprake is van gedeeld rekeninghouderschap. De rekeningen staan op naam van eiser, zijn broer en zijn moeder. Ook voor deze rekeningen geldt dat verweerder niet bestrijdt dat er meerdere rekeninghouders zijn en dat eiser enkel stelt dat, als al moet worden uitgegaan van enige economische gerechtigdheid, niet bekend is voor welk aandeel hij gerechtigdheid was.
Volledig
Ten tijde van de veronderstelde opening van de bankrekening, medio 2012, was de moeder van eiser al overleden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de moeder daarom niet als formeel mede-eigenaar was van de Amerikaanse tegoeden worden beschouwd. Vanwege het gebrek aan overige aanwijzingen over de verdeling van het vermogen houdt de rechtbank het ervoor dat de Amerikaanse tegoeden in de jaren vanaf 2013 voor gelijke delen toebehoorden aan eiser en zijn broer. Hoogte buitenlands vermogen in 2007, 2008 en 2010 27. Verweerder heeft voor de hoogte van de Zwitserse tegoeden in de jaren 2007, 2008 en 2010 aansluiting gezocht bij het saldo op 1 maart 2010. Gelet op het feit dat de bankrekeningen al bestonden in het guldentijdperk en het feit dat het vermogen in de jaren na 2010 relatief stabiel is, vermoedt verweerder dat in de onderhavige jaren al een flink bedrag op de rekeningen moet hebben gestaan. Hij gaat in beroep uit van de volgende saldi: 2007: € 200.000 2008: € 200.000 2010: € 186.905 (gelijk aan het saldo op 1 maart 2010) 28. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder ter voldoening van de op hem rustende bewijslast ook voor wat betreft de hoogte van het vermogen volstaan met een vermoeden, nu hij geen zicht heeft op het buitenlands vermogen op de peildata in 2007, 2008 en 2010 en afhankelijk is van hetgeen eiser op dit punt aanlevert en verklaart. Het is dus aan eiser om het vermoeden te ontzenuwen, door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden. Dat eiser, naar hij stelt, niet verplicht was om alle bankgegevens van de onderhavige jaren te bewaren, laat onverlet dat verweerder van een vermoeden uit mag gaan. Het niet bewaren van die gegevens komt voor eisers eigen risico. Het ontbreken van een wettelijke bewaarverplichting doet er niet aan af dat de gevolgen van het niet-bewaren voor zijn risico zijn. Eiser heeft niets aangevoerd tegen de door verweerder vastgestelde bedragen in 2007, 2008 en 2010. 29. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser het vermoeden van verweerder over de hoogte van het vermogen in deze jaren niet ontzenuwd. Wel dient, zoals hiervoor is overwogen, te worden aangesloten bij gedeeld rekeninghouderschap. Dat betekent dat de tegoeden op de rekeningen bij [bank 1] voor 50% bij eiser in de belastingheffing kunnen worden betrokken. De navorderingsaanslagen 2007, 2008 en 2010 dienen aldus verder te worden verminderd, uitgaande van een rendementsgrondslag van 50% van het geschatte vermogen. Dit leidt tot de volgende aanvullende rendementsgrondslagen: 2007: € 100.000 2008: € 100.000 2010: € 93.452 Hoogte buitenlands vermogen in 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 30. Voor de jaren 2011 tot en met 2016 zijn de saldi op de Zwitserse bankrekeningen bekend. Voor de jaren 2013 tot en met 2016 zijn ook de saldi op de Amerikaanse bankrekeningen bekend. Voor deze jaren heeft verweerder de saldi omgerekend naar euro’s, hetgeen heeft geleid tot de volgende aanvullende rendementsgrondslagen bij de uitspraken op bezwaar: 2011: € 186.905 2012: € 185.666 2013: € 325.722 2014: € 365.658 2015: € 417.868 2016: € 307.374 31. Eiser heeft niet gesteld dat deze bedragen onjuist zijn. Zoals hiervoor is overwogen, is aannemelijk dat eiser zowel juridisch als economisch (mede-)rechthebbende is van de tegoeden op deze rekeningen. Ook voor deze jaren geldt dat rekening moet worden gehouden met gedeeld rekeninghouderschap, althans voor de Amerikaanse rekeningen (zie onder 26.). Dat betekent dat de saldi op de rekeningen bij [bank 3] slechts voor 50% bij eiser in de belastingheffing kunnen worden betrokken. De navorderingsaanslagen 2013 tot en met 2016 dienen aldus te worden verminderd, uitgaande van een rendementsgrondslag van 50% van het Amerikaanse vermogen. Dit leidt tot de volgende aanvullende rendementsgrondslagen: 2011: € 186.905 (onveranderd) 2012: € 185.666 (onveranderd) 2013: € 255.811 2014: € 275.133 2015: € 290.111 2016: € 234.206 32. Ter zitting heeft eiser aangaande alle navorderingsaanslagen subsidiair aangevoerd dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement en dat daarom niet kan worden uitgegaan van het forfaitaire rendement. Hij heeft in dit verband gewezen op de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024. Hij heeft desgevraagd verklaard niet te weten wat het werkelijke rendement in deze jaren was. Voor wat betreft het Amerikaanse vermogen wijst eiser op de verklaring van zijn broer dat het rendement bij zijn broer belast was. Het werkelijke rendement voor eiser zelf moet daarom, naar hij stelt, nihil zijn. Ten aanzien van het Zwitserse vermogen heeft eiser verklaard dat hij in Zwitserland 15% belasting heeft betaald. Reeds omdat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat het werkelijke rendement in de onderhavige jaren is geweest, slaagt deze beroepsgrond niet. Vergrijpboeten 33. Op grond van artikel 67e van de AWR kan met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Blijkens de wettekst zoals die voor de onderhavige zaken geldt, bedraagt het maximale boetepercentage bij een vergrijp op grond van artikel 67e van de AWR uitsluitend voor zover sprake is van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen 300%. 34. Voor het opleggen van de vergrijpboete is nodig dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (vgl. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526). Verweerder dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van opzet aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (zie Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97 en Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1062). 35. Met betrekking tot de hoogte van de boeten dient te worden beoordeeld of deze passend en geboden is en in verhouding staat tot de ernst van het feit (vgl. Hoge Raad 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5791). 36. Niet in geschil is dat eiser wist van de buitenlandse bankrekeningen in de onderhavige jaren. Vast staat ook dat het gaat om aanzienlijke banktegoeden en dat eiser deze tegoeden niet heeft opgegeven in de aangiften IB/PVV. Dit heeft ertoe geleid dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Verweerder heeft verder aangevoerd dat eiser al sinds de guldentijd een bankrekening aanhoudt in Zwitserland, een land met een bankgeheim, hetgeen een feit van algemene bekendheid is. Daar komt bij dat eiser, naar verweerder stelt, een gewaarschuwd man is; in elk geval is eiser in 2010 al door verweerder bevraagd over buitenlands vermogen op rekeningen in Luxemburg. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het (forfaitaire) voordeel uit banktegoeden die het heffingsvrije vermogen te boven gaan, is onderworpen aan heffing van IB/PVV zodat die tegoeden aangegeven moeten worden (vgl.
Volledig
Ten tijde van de veronderstelde opening van de bankrekening, medio 2012, was de moeder van eiser al overleden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de moeder daarom niet als formeel mede-eigenaar was van de Amerikaanse tegoeden worden beschouwd. Vanwege het gebrek aan overige aanwijzingen over de verdeling van het vermogen houdt de rechtbank het ervoor dat de Amerikaanse tegoeden in de jaren vanaf 2013 voor gelijke delen toebehoorden aan eiser en zijn broer. Hoogte buitenlands vermogen in 2007, 2008 en 2010 27. Verweerder heeft voor de hoogte van de Zwitserse tegoeden in de jaren 2007, 2008 en 2010 aansluiting gezocht bij het saldo op 1 maart 2010. Gelet op het feit dat de bankrekeningen al bestonden in het guldentijdperk en het feit dat het vermogen in de jaren na 2010 relatief stabiel is, vermoedt verweerder dat in de onderhavige jaren al een flink bedrag op de rekeningen moet hebben gestaan. Hij gaat in beroep uit van de volgende saldi: 2007: € 200.000 2008: € 200.000 2010: € 186.905 (gelijk aan het saldo op 1 maart 2010) 28. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder ter voldoening van de op hem rustende bewijslast ook voor wat betreft de hoogte van het vermogen volstaan met een vermoeden, nu hij geen zicht heeft op het buitenlands vermogen op de peildata in 2007, 2008 en 2010 en afhankelijk is van hetgeen eiser op dit punt aanlevert en verklaart. Het is dus aan eiser om het vermoeden te ontzenuwen, door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden. Dat eiser, naar hij stelt, niet verplicht was om alle bankgegevens van de onderhavige jaren te bewaren, laat onverlet dat verweerder van een vermoeden uit mag gaan. Het niet bewaren van die gegevens komt voor eisers eigen risico. Het ontbreken van een wettelijke bewaarverplichting doet er niet aan af dat de gevolgen van het niet-bewaren voor zijn risico zijn. Eiser heeft niets aangevoerd tegen de door verweerder vastgestelde bedragen in 2007, 2008 en 2010. 29. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser het vermoeden van verweerder over de hoogte van het vermogen in deze jaren niet ontzenuwd. Wel dient, zoals hiervoor is overwogen, te worden aangesloten bij gedeeld rekeninghouderschap. Dat betekent dat de tegoeden op de rekeningen bij [bank 1] voor 50% bij eiser in de belastingheffing kunnen worden betrokken. De navorderingsaanslagen 2007, 2008 en 2010 dienen aldus verder te worden verminderd, uitgaande van een rendementsgrondslag van 50% van het geschatte vermogen. Dit leidt tot de volgende aanvullende rendementsgrondslagen: 2007: € 100.000 2008: € 100.000 2010: € 93.452 Hoogte buitenlands vermogen in 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 30. Voor de jaren 2011 tot en met 2016 zijn de saldi op de Zwitserse bankrekeningen bekend. Voor de jaren 2013 tot en met 2016 zijn ook de saldi op de Amerikaanse bankrekeningen bekend. Voor deze jaren heeft verweerder de saldi omgerekend naar euro’s, hetgeen heeft geleid tot de volgende aanvullende rendementsgrondslagen bij de uitspraken op bezwaar: 2011: € 186.905 2012: € 185.666 2013: € 325.722 2014: € 365.658 2015: € 417.868 2016: € 307.374 31. Eiser heeft niet gesteld dat deze bedragen onjuist zijn. Zoals hiervoor is overwogen, is aannemelijk dat eiser zowel juridisch als economisch (mede-)rechthebbende is van de tegoeden op deze rekeningen. Ook voor deze jaren geldt dat rekening moet worden gehouden met gedeeld rekeninghouderschap, althans voor de Amerikaanse rekeningen (zie onder 26.). Dat betekent dat de saldi op de rekeningen bij [bank 3] slechts voor 50% bij eiser in de belastingheffing kunnen worden betrokken. De navorderingsaanslagen 2013 tot en met 2016 dienen aldus te worden verminderd, uitgaande van een rendementsgrondslag van 50% van het Amerikaanse vermogen. Dit leidt tot de volgende aanvullende rendementsgrondslagen: 2011: € 186.905 (onveranderd) 2012: € 185.666 (onveranderd) 2013: € 255.811 2014: € 275.133 2015: € 290.111 2016: € 234.206 32. Ter zitting heeft eiser aangaande alle navorderingsaanslagen subsidiair aangevoerd dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement en dat daarom niet kan worden uitgegaan van het forfaitaire rendement. Hij heeft in dit verband gewezen op de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024. Hij heeft desgevraagd verklaard niet te weten wat het werkelijke rendement in deze jaren was. Voor wat betreft het Amerikaanse vermogen wijst eiser op de verklaring van zijn broer dat het rendement bij zijn broer belast was. Het werkelijke rendement voor eiser zelf moet daarom, naar hij stelt, nihil zijn. Ten aanzien van het Zwitserse vermogen heeft eiser verklaard dat hij in Zwitserland 15% belasting heeft betaald. Reeds omdat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat het werkelijke rendement in de onderhavige jaren is geweest, slaagt deze beroepsgrond niet. Vergrijpboeten 33. Op grond van artikel 67e van de AWR kan met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Blijkens de wettekst zoals die voor de onderhavige zaken geldt, bedraagt het maximale boetepercentage bij een vergrijp op grond van artikel 67e van de AWR uitsluitend voor zover sprake is van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen 300%. 34. Voor het opleggen van de vergrijpboete is nodig dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (vgl. Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526). Verweerder dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van opzet aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (zie Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97 en Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1062). 35. Met betrekking tot de hoogte van de boeten dient te worden beoordeeld of deze passend en geboden is en in verhouding staat tot de ernst van het feit (vgl. Hoge Raad 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5791). 36. Niet in geschil is dat eiser wist van de buitenlandse bankrekeningen in de onderhavige jaren. Vast staat ook dat het gaat om aanzienlijke banktegoeden en dat eiser deze tegoeden niet heeft opgegeven in de aangiften IB/PVV. Dit heeft ertoe geleid dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Verweerder heeft verder aangevoerd dat eiser al sinds de guldentijd een bankrekening aanhoudt in Zwitserland, een land met een bankgeheim, hetgeen een feit van algemene bekendheid is. Daar komt bij dat eiser, naar verweerder stelt, een gewaarschuwd man is; in elk geval is eiser in 2010 al door verweerder bevraagd over buitenlands vermogen op rekeningen in Luxemburg. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het (forfaitaire) voordeel uit banktegoeden die het heffingsvrije vermogen te boven gaan, is onderworpen aan heffing van IB/PVV zodat die tegoeden aangegeven moeten worden (vgl.
Volledig
Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, r.o. 3.11.3). Dat eiser ook daadwerkelijk wist dat hij de tegoeden in de aangiften moest opgeven, blijkt onder meer uit de renseignementen. In het formulier ‘Declaration of Non US Status Switzerland’ heeft eiser immers aangekruist dat een belastingverdrag van toepassing is en dat hij voordelen uit dat verdrag wenst te claimen. Eiser heeft enkel aangevoerd dat het vermogen niet van hem was, hetgeen in het geheel niet strookt met het claimen van belastingvoordelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd, overtuigend heeft aangetoond dat het aan de opzet van eiser te wijten is dat er in de onderhavige jaren te weinig belasting is geheven. 37. Anders dan eiser stelt, was de termijn om de vergrijpboeten op te leggen niet verstreken. De boeten zijn conform de hoofdregel gelijktijdig met de navorderingsaanslagen opgelegd. Van de navorderingsaanslagen staat vast dat ze binnen de (verlengde) navorderingstermijn zijn vastgesteld. Van het verstrijken van enige andere termijn is niet gebleken. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat de boeten niet zijn gemotiveerd. In de aankondiging van de navorderingsaanslagen evenals de uitspraken op bezwaar is verweerder uitgebreid op de boeten ingegaan. Gelet op het voorgaande zijn de vergrijpboeten over de jaren 2008 en 2010 tot en met 2016 terecht aan eiser opgelegd. Wel dienen de boeten te worden verminderd conform de vermindering van de navorderingsaanslagen. Rekening houdend met deze verminderingen zijn voor die jaren de volgende vergrijpboeten naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden: 2008: € 900 2010: € 2.500 2011: € 5.000 2012: € 5.000 2013: € 6.900 2014: € 7.400 2015: € 7.800 2016: € 6.300 38. De rechtbank ziet in de lange duur van deze procedure aanleiding de vergrijpboeten ambtshalve te matigen. De redelijke termijn voor de behandeling van een boetezaak in eerste aanleg is door de Hoge Raad bepaald op, in beginsel, twee jaar (zie Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Die termijn is aangevangen op 26 november 2020 (2008), 25 oktober 2022 (2010) en 2 juni 2023 (2011 tot en met 2016), omdat toen de vergrijpboeten voor de eerste keer zijn aangekondigd. Aangezien de redelijke termijn in alle jaren met meer dan twee jaar is overschreden, moeten de vergrijpboeten worden verminderd met 20%. Met betrekking tot de boete voor het jaar 2008 volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreven, nu de boete na vermindering door de rechtbank minder bedraagt dan € 1.000 (vgl. gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297, r.o. 5.10). Gelet hierop, dienen de vergrijpboeten te worden vastgesteld op de volgende bedragen: 2008: € 900 2010: € 2.000 2011: € 4.000 2012: € 4.000 2013: € 5.520 2014: € 5.920 2015: € 6.240 2016: € 5.050 Heffings- en belastingrente 39. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente. Eiser heeft daartegen geen afzonderlijke gronden aangevoerd en niet is gebleken dat de heffingsrente dan wel de belastingrente niet conform de wettelijke bepalingen is berekend. De heffingsrente en de belastingrente dient evenwel te worden verminderd voor zover de navorderingsaanslagen moeten worden verminderd. De rentebeschikking voor het jaar 2009 dient te worden vernietigd, gelet op de vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2009. Dwangsombeschikking 40. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat zesmaal een dwangsom is verbeurd met betrekking tot de ingebrekestelling in de bezwaarfase over de jaren 2011 tot en met 2016. Uit vaste jurisprudentie volgt dat als sprake is van meerdere aanvragen (bezwaarschriften) die gelijktijdig zijn ingediend en inhoudelijk samenhangen, een redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb meebrengt dat het bestuursorgaan slechts één dwangsom is verschuldigd (vgl. Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352). Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. De bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 zijn gelijktijdig, bij brief van 1 september 2023, ingediend. Dat eiser een week eerder op 22 augustus 2023 al pro forma bezwaar had gemaakt tegen de navorderingsaanslagen 2015 en 2016, doet hier niet aan af. De geschilpunten, het feitencomplex en de motivering van het bezwaar zijn voor alle jaren dezelfde. Gelet hierop is terecht éénmaal een dwangsom verbeurd. Het daarop betrekking hebbende beroep met zaaknummer HAA 24/6636 dient daarom ongegrond te worden verklaard. Kostenvergoeding bezwaarprocedure 2011 tot en met 2016 41. Eiser heeft nog gesteld dat voor de bezwaarprocedure over de jaren 2011 tot en met 2016 ten onrechte éénmaal een kostenvergoeding is toegekend. Volgens eiser is er geen samenhang en had verweerder per navorderingsaanslag afzonderlijk een kostenvergoeding moeten toekennen. 42. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is sprake van samenhang wanneer er (i) sprake is van vergelijkbare beroepschriften en inhoudelijk sterk vergelijkbare, nagenoeg identieke werkzaamheden en (ii) in alle dossiers sprake is van hetzelfde geschilpunt (vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439). De bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 zijn in één geschrift gemotiveerd. In deze motivering noch in andere stukken in de bezwaarfase zijn specifiek op de jaren toegespitste gronden opgenomen. De zaken zijn daarnaast gelijktijdig behandeld tijdens de hoorzitting in bezwaar. Gelet hierop is sprake van samenhangende zaken. Verweerder heeft terecht éénmaal een kostenvergoeding toegekend. Slotsom 43. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep met zaaknummer HAA 24/6636 ongegrond te worden verklaard en dienen de overige beroepen gegrond te worden verklaard. Gelet op de onderdelen 14, 27 en 29 moet de grondslag sparen en beleggen voor 2007 worden verminderd met € 400.000, voor 2008 met € 400.000 en voor 2010 met € 393.453. Gelet op de onderdelen 30 en 31 moet de grondslag sparen en beleggen voor 2013 worden verminderd met € 69.911, voor 2014 met € 90.525, voor 2015 met € 127.757 en voor 2016 met € 73.168 en komt in de grondslag sparen en beleggen voor 2011 en 2012 geen verandering. Met de voorgaande grondslagverminderingen corresponderen de volgende verminderingen van het voordeel uit sparen en beleggen: 2007: 4% van € 400.000 is € 16.000 2008: 4% van € 400.000 is € 16.000 2010: 4% van € 393.453 is (afgerond) € 15.739 2011: - 2012: - 2013: 4% van € 69.911 is (afgerond) € 2.797 2014: 4% van € 90.525 is € 3.621 2015: 4% van € 127.757 is (afgerond) € 5.111 2016: 4% van € 73.168 is (afgerond) € 2.927 Uitgaande van de vóór deze uitspraak vastgestelde belastbare inkomens uit box 3 leidt dit tot de inkomensbedragen: 2007: € 22.057 minus € 16.000 is € 6.057 2008: € 22.068 minus € 16.000 is € 6.068 2010: € 21.751 minus € 15.739 is € 6.012 2011: € 9.436 2012: € 9.269 2013: € 13.770 minus € 2.797 is € 10.973 2014: € 17.191 minus € 3.621 is € 13.570 2015: € 19.478 minus € 5.111 is € 14.367 2016: € 15.158 minus € 2.927 is € 12.231 Vergoeding voor immateriële schade 44. Eiser heeft ter zitting verzocht om vergoeding voor immateriële schade (isv) wegens overschrijding van de redelijke termijn. De zaken hebben betrekking op hetzelfde onderwerp zodat sprake is van samenhang en éénmaal isv wordt toegekend (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2). Het oudste bezwaarschrift is op 23 december 2020 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 27 oktober 2025 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase afgerond vier jaar en elf maanden heeft geduurd. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en elf maanden (35 maanden). Het financiële belang bij deze procedure is groter dan € 1.000 (vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Eiser heeft recht op een isv van € 3.000. 45.
Volledig
Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, r.o. 3.11.3). Dat eiser ook daadwerkelijk wist dat hij de tegoeden in de aangiften moest opgeven, blijkt onder meer uit de renseignementen. In het formulier ‘Declaration of Non US Status Switzerland’ heeft eiser immers aangekruist dat een belastingverdrag van toepassing is en dat hij voordelen uit dat verdrag wenst te claimen. Eiser heeft enkel aangevoerd dat het vermogen niet van hem was, hetgeen in het geheel niet strookt met het claimen van belastingvoordelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd, overtuigend heeft aangetoond dat het aan de opzet van eiser te wijten is dat er in de onderhavige jaren te weinig belasting is geheven. 37. Anders dan eiser stelt, was de termijn om de vergrijpboeten op te leggen niet verstreken. De boeten zijn conform de hoofdregel gelijktijdig met de navorderingsaanslagen opgelegd. Van de navorderingsaanslagen staat vast dat ze binnen de (verlengde) navorderingstermijn zijn vastgesteld. Van het verstrijken van enige andere termijn is niet gebleken. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat de boeten niet zijn gemotiveerd. In de aankondiging van de navorderingsaanslagen evenals de uitspraken op bezwaar is verweerder uitgebreid op de boeten ingegaan. Gelet op het voorgaande zijn de vergrijpboeten over de jaren 2008 en 2010 tot en met 2016 terecht aan eiser opgelegd. Wel dienen de boeten te worden verminderd conform de vermindering van de navorderingsaanslagen. Rekening houdend met deze verminderingen zijn voor die jaren de volgende vergrijpboeten naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden: 2008: € 900 2010: € 2.500 2011: € 5.000 2012: € 5.000 2013: € 6.900 2014: € 7.400 2015: € 7.800 2016: € 6.300 38. De rechtbank ziet in de lange duur van deze procedure aanleiding de vergrijpboeten ambtshalve te matigen. De redelijke termijn voor de behandeling van een boetezaak in eerste aanleg is door de Hoge Raad bepaald op, in beginsel, twee jaar (zie Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Die termijn is aangevangen op 26 november 2020 (2008), 25 oktober 2022 (2010) en 2 juni 2023 (2011 tot en met 2016), omdat toen de vergrijpboeten voor de eerste keer zijn aangekondigd. Aangezien de redelijke termijn in alle jaren met meer dan twee jaar is overschreden, moeten de vergrijpboeten worden verminderd met 20%. Met betrekking tot de boete voor het jaar 2008 volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreven, nu de boete na vermindering door de rechtbank minder bedraagt dan € 1.000 (vgl. gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297, r.o. 5.10). Gelet hierop, dienen de vergrijpboeten te worden vastgesteld op de volgende bedragen: 2008: € 900 2010: € 2.000 2011: € 4.000 2012: € 4.000 2013: € 5.520 2014: € 5.920 2015: € 6.240 2016: € 5.050 Heffings- en belastingrente 39. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffings- en belastingrente. Eiser heeft daartegen geen afzonderlijke gronden aangevoerd en niet is gebleken dat de heffingsrente dan wel de belastingrente niet conform de wettelijke bepalingen is berekend. De heffingsrente en de belastingrente dient evenwel te worden verminderd voor zover de navorderingsaanslagen moeten worden verminderd. De rentebeschikking voor het jaar 2009 dient te worden vernietigd, gelet op de vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2009. Dwangsombeschikking 40. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat zesmaal een dwangsom is verbeurd met betrekking tot de ingebrekestelling in de bezwaarfase over de jaren 2011 tot en met 2016. Uit vaste jurisprudentie volgt dat als sprake is van meerdere aanvragen (bezwaarschriften) die gelijktijdig zijn ingediend en inhoudelijk samenhangen, een redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb meebrengt dat het bestuursorgaan slechts één dwangsom is verschuldigd (vgl. Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352). Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. De bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 zijn gelijktijdig, bij brief van 1 september 2023, ingediend. Dat eiser een week eerder op 22 augustus 2023 al pro forma bezwaar had gemaakt tegen de navorderingsaanslagen 2015 en 2016, doet hier niet aan af. De geschilpunten, het feitencomplex en de motivering van het bezwaar zijn voor alle jaren dezelfde. Gelet hierop is terecht éénmaal een dwangsom verbeurd. Het daarop betrekking hebbende beroep met zaaknummer HAA 24/6636 dient daarom ongegrond te worden verklaard. Kostenvergoeding bezwaarprocedure 2011 tot en met 2016 41. Eiser heeft nog gesteld dat voor de bezwaarprocedure over de jaren 2011 tot en met 2016 ten onrechte éénmaal een kostenvergoeding is toegekend. Volgens eiser is er geen samenhang en had verweerder per navorderingsaanslag afzonderlijk een kostenvergoeding moeten toekennen. 42. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is sprake van samenhang wanneer er (i) sprake is van vergelijkbare beroepschriften en inhoudelijk sterk vergelijkbare, nagenoeg identieke werkzaamheden en (ii) in alle dossiers sprake is van hetzelfde geschilpunt (vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439). De bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2011 tot en met 2016 zijn in één geschrift gemotiveerd. In deze motivering noch in andere stukken in de bezwaarfase zijn specifiek op de jaren toegespitste gronden opgenomen. De zaken zijn daarnaast gelijktijdig behandeld tijdens de hoorzitting in bezwaar. Gelet hierop is sprake van samenhangende zaken. Verweerder heeft terecht éénmaal een kostenvergoeding toegekend. Slotsom 43. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep met zaaknummer HAA 24/6636 ongegrond te worden verklaard en dienen de overige beroepen gegrond te worden verklaard. Gelet op de onderdelen 14, 27 en 29 moet de grondslag sparen en beleggen voor 2007 worden verminderd met € 400.000, voor 2008 met € 400.000 en voor 2010 met € 393.453. Gelet op de onderdelen 30 en 31 moet de grondslag sparen en beleggen voor 2013 worden verminderd met € 69.911, voor 2014 met € 90.525, voor 2015 met € 127.757 en voor 2016 met € 73.168 en komt in de grondslag sparen en beleggen voor 2011 en 2012 geen verandering. Met de voorgaande grondslagverminderingen corresponderen de volgende verminderingen van het voordeel uit sparen en beleggen: 2007: 4% van € 400.000 is € 16.000 2008: 4% van € 400.000 is € 16.000 2010: 4% van € 393.453 is (afgerond) € 15.739 2011: - 2012: - 2013: 4% van € 69.911 is (afgerond) € 2.797 2014: 4% van € 90.525 is € 3.621 2015: 4% van € 127.757 is (afgerond) € 5.111 2016: 4% van € 73.168 is (afgerond) € 2.927 Uitgaande van de vóór deze uitspraak vastgestelde belastbare inkomens uit box 3 leidt dit tot de inkomensbedragen: 2007: € 22.057 minus € 16.000 is € 6.057 2008: € 22.068 minus € 16.000 is € 6.068 2010: € 21.751 minus € 15.739 is € 6.012 2011: € 9.436 2012: € 9.269 2013: € 13.770 minus € 2.797 is € 10.973 2014: € 17.191 minus € 3.621 is € 13.570 2015: € 19.478 minus € 5.111 is € 14.367 2016: € 15.158 minus € 2.927 is € 12.231 Vergoeding voor immateriële schade 44. Eiser heeft ter zitting verzocht om vergoeding voor immateriële schade (isv) wegens overschrijding van de redelijke termijn. De zaken hebben betrekking op hetzelfde onderwerp zodat sprake is van samenhang en éénmaal isv wordt toegekend (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2). Het oudste bezwaarschrift is op 23 december 2020 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 27 oktober 2025 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase afgerond vier jaar en elf maanden heeft geduurd. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en elf maanden (35 maanden). Het financiële belang bij deze procedure is groter dan € 1.000 (vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Eiser heeft recht op een isv van € 3.000. 45.
Volledig
Voor de bezwaar- en de beroepsfase dient afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond. De oudste uitspraak op bezwaar dateert van 2 juni 2023. Van de overschrijding van de redelijke termijn dient (afgerond) twee jaar aan de bezwaarfase te worden toegerekend en het overige aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van (afgerond) € 2.057 (24/35e deel van € 3.000) te vergoeden en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van (afgerond) € 943 (11/35e deel van € 3.000). Proceskosten 46. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank is van oordeel dat de zaken HAA 23/4818, HAA 23/4819, HAA 23/4822, HAA 23/4823, HAA 24/6489, HAA 24/6490, HAA 24/6491, HAA 24/6492, HAA 24/6493 en HAA 24/6494 in de beroepsfase samenhangen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Voor de bezwaarfase inzake de navorderingsaanslagen 2007 tot en met 2010 dient een ‘eigen’ kostenvergoeding te worden toegekend, reeds omdat deze bezwaarprocedure niet (nagenoeg) gelijktijdig heeft plaatsgevonden met de bezwaarprocedure inzake de jaren 2011 tot en met 2016. 47. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.662 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaken en een factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep met zaaknummer HAA 24/6636 ongegrond; - verklaart de overige beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar, behoudens voor zover de beslissing van 5 september 2024 over de kostenvergoeding voor bezwaar daarvan deel uitmaakt; - vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2009, evenals de bijbehorende boetebeschikking en rentebeschikking; - vermindert de navorderingsaanslag 2007 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.930 een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.057 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2008 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.908 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.068 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.099 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.012 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - handhaaft de navorderingsaanslag 2011; - handhaaft de navorderingsaanslag 2012; - vermindert de navorderingsaanslag 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.676 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.973 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.451 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.570 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.443 een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.367 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.685 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.231 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - handhaaft de boetebeschikking voor 2008 op € 900 en vermindert de overige boetebeschikkingen tot € 2.000 (2010), € 4.000 (2011), € 4.000 (2012), € 5.520 (2013), € 5.920 (2014), € 6.240 (2015) en € 5.050 (2016); - bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar; - veroordeelt verweerder tot een vergoeding voor immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 2.057; - veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot een vergoeding voor immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 943; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4.662; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van (€ 50 en € 51 is) € 101 aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Volledig
Voor de bezwaar- en de beroepsfase dient afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond. De oudste uitspraak op bezwaar dateert van 2 juni 2023. Van de overschrijding van de redelijke termijn dient (afgerond) twee jaar aan de bezwaarfase te worden toegerekend en het overige aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van (afgerond) € 2.057 (24/35e deel van € 3.000) te vergoeden en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van (afgerond) € 943 (11/35e deel van € 3.000). Proceskosten 46. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank is van oordeel dat de zaken HAA 23/4818, HAA 23/4819, HAA 23/4822, HAA 23/4823, HAA 24/6489, HAA 24/6490, HAA 24/6491, HAA 24/6492, HAA 24/6493 en HAA 24/6494 in de beroepsfase samenhangen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Voor de bezwaarfase inzake de navorderingsaanslagen 2007 tot en met 2010 dient een ‘eigen’ kostenvergoeding te worden toegekend, reeds omdat deze bezwaarprocedure niet (nagenoeg) gelijktijdig heeft plaatsgevonden met de bezwaarprocedure inzake de jaren 2011 tot en met 2016. 47. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.662 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaken en een factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep met zaaknummer HAA 24/6636 ongegrond; - verklaart de overige beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar, behoudens voor zover de beslissing van 5 september 2024 over de kostenvergoeding voor bezwaar daarvan deel uitmaakt; - vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2009, evenals de bijbehorende boetebeschikking en rentebeschikking; - vermindert de navorderingsaanslag 2007 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.930 een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.057 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2008 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.908 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.068 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.099 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.012 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - handhaaft de navorderingsaanslag 2011; - handhaaft de navorderingsaanslag 2012; - vermindert de navorderingsaanslag 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.676 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.973 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.451 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.570 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.443 een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.367 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - vermindert de navorderingsaanslag 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.685 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.231 en vermindert de rentebeschikking voor dat jaar dienovereenkomstig; - handhaaft de boetebeschikking voor 2008 op € 900 en vermindert de overige boetebeschikkingen tot € 2.000 (2010), € 4.000 (2011), € 4.000 (2012), € 5.520 (2013), € 5.920 (2014), € 6.240 (2015) en € 5.050 (2016); - bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar; - veroordeelt verweerder tot een vergoeding voor immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 2.057; - veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot een vergoeding voor immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 943; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4.662; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van (€ 50 en € 51 is) € 101 aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).