Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-10-27
ECLI:NL:RBNHO:2025:12655
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,764 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
zaak-/rekestnr.: C/15/370498 / FA RK 25-5155
beschikking van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2025,
naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, ten aanzien van:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
wonende te [plaats] ,
thans verblijvende in [accommodatie] , locatie [locatie] ,
hierna: betrokkene.
1Procedure
1.1.
Bij het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2025, heeft de officier van justitie verzocht om afgifte van een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene.
1.2.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
een informatierapport Wvggz van 23 september 2025;
het zorgplan van 3 oktober 2025;
de medische verklaring van 6 oktober 2025;
de bevindingen van de geneesheer-directeur van 9 oktober 2025;
een historisch overzicht van eerder afgegeven machtigingen in het kader van de Wvggz van 10 oktober 2025;
een verklaring niet voorkomen in het curatele- en bewindregister van
10 oktober 2025.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2025, in het gebouw van voornoemde accommodatie.
1.4.
Ter zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
betrokkene;
[psychiater] , psychiater;
[ambulant begeleider] , ambulant begeleider (via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding).
1.5.
Betrokkene heeft voorafgaand aan de zitting duidelijk te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van de diensten van de aan haar toegevoegde advocaat mr. E. van Meeteren, kantoorhoudende te Schagen. Zij heeft de behandelend rechter ondubbelzinnig te kennen gegeven dat zij ook geen prijs stelt op de rechtsbijstand van een andere advocaat. Aan betrokkene zijn sinds 16 maart 2024 al zes eerdere maatregelen op grond van de Wvggz opgelegd. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting de overtuiging gekregen dat betrokkene voldoende begrijpt waar de zitting over gaat en dat ze voldoende in staat is om zelf haar standpunt naar voren te brengen. De rechtbank is gedurende de zitting gesterkt in deze overtuiging, omdat betrokkene haar standpunt helder heeft verwoord, vragen adequaat kon beantwoorden en de psychiater op basis van het toestandsbeeld en de bereidheid van betrokkene om depotmedicatie te accepteren de intentie heeft uitgesproken om betrokkene op korte termijn te ontslaan uit de kliniek. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand door betrokkene voldoet aan de voorwaarden zoals de Hoge Raad die heeft geformuleerd in zijn beschikking van 11 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1138). Het afstand doen van dit recht door betrokkene acht de rechtbank daarom in dit geval niet strijdig met artikel 1:7 van de Wvggz en artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
1.6.
De officier van justitie heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
Beoordeling
2.1.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische ontregeling, vermoedelijk in het kader van schizofrenie, waarbij deze ontregeling mogelijk is getriggerd door middelengebruik.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er door voornoemde stoornis ernstig nadeel voor of van betrokkene of een ander is, te weten:
levensgevaar;
maatschappelijke teloorgang;
de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn om het nadeel af te wenden, te weten:
- het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van bewegingsvrijheid, telkens maximaal 3 maanden;
- het insluiten van betrokkene, telkens maximaal 7 dagen;
- het uitoefenen van toezicht op betrokkene, telkens maximaal 7 dagen;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie, telkens maximaal 3 maanden.
2.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.6.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief.
2.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van 6 maanden, en geldt aldus tot en met
27 april 2026.
Dictum
De rechtbank:
- verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , met de vormen van verplichte zorg zoals hierboven onder 2.4 zijn vermeld, alles voor de volledige duur van de zorgmachtiging, tenzij onder 2.4 een kortere duur is vermeld;
- bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 27 april 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, rechter, in tegenwoordigheid van J.Y. Admiraal als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 oktober 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
zaak-/rekestnr.: C/15/370498 / FA RK 25-5155
beschikking van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2025,
naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, ten aanzien van:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
wonende te [plaats] ,
thans verblijvende in [accommodatie] , locatie [locatie] ,
hierna: betrokkene.
1Procedure
1.1.
Bij het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2025, heeft de officier van justitie verzocht om afgifte van een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene.
1.2.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
een informatierapport Wvggz van 23 september 2025;
het zorgplan van 3 oktober 2025;
de medische verklaring van 6 oktober 2025;
de bevindingen van de geneesheer-directeur van 9 oktober 2025;
een historisch overzicht van eerder afgegeven machtigingen in het kader van de Wvggz van 10 oktober 2025;
een verklaring niet voorkomen in het curatele- en bewindregister van
10 oktober 2025.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2025, in het gebouw van voornoemde accommodatie.
1.4.
Ter zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
betrokkene;
[psychiater] , psychiater;
[ambulant begeleider] , ambulant begeleider (via een tweezijdige beeld- en geluidsverbinding).
1.5.
Betrokkene heeft voorafgaand aan de zitting duidelijk te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van de diensten van de aan haar toegevoegde advocaat mr. E. van Meeteren, kantoorhoudende te Schagen. Zij heeft de behandelend rechter ondubbelzinnig te kennen gegeven dat zij ook geen prijs stelt op de rechtsbijstand van een andere advocaat. Aan betrokkene zijn sinds 16 maart 2024 al zes eerdere maatregelen op grond van de Wvggz opgelegd. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting de overtuiging gekregen dat betrokkene voldoende begrijpt waar de zitting over gaat en dat ze voldoende in staat is om zelf haar standpunt naar voren te brengen. De rechtbank is gedurende de zitting gesterkt in deze overtuiging, omdat betrokkene haar standpunt helder heeft verwoord, vragen adequaat kon beantwoorden en de psychiater op basis van het toestandsbeeld en de bereidheid van betrokkene om depotmedicatie te accepteren de intentie heeft uitgesproken om betrokkene op korte termijn te ontslaan uit de kliniek. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand door betrokkene voldoet aan de voorwaarden zoals de Hoge Raad die heeft geformuleerd in zijn beschikking van 11 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1138). Het afstand doen van dit recht door betrokkene acht de rechtbank daarom in dit geval niet strijdig met artikel 1:7 van de Wvggz en artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
1.6.
De officier van justitie heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
Beoordeling
2.1.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische ontregeling, vermoedelijk in het kader van schizofrenie, waarbij deze ontregeling mogelijk is getriggerd door middelengebruik.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er door voornoemde stoornis ernstig nadeel voor of van betrokkene of een ander is, te weten:
levensgevaar;
maatschappelijke teloorgang;
de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn om het nadeel af te wenden, te weten:
- het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van bewegingsvrijheid, telkens maximaal 3 maanden;
- het insluiten van betrokkene, telkens maximaal 7 dagen;
- het uitoefenen van toezicht op betrokkene, telkens maximaal 7 dagen;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie, telkens maximaal 3 maanden.
2.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.6.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief.
2.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van 6 maanden, en geldt aldus tot en met
27 april 2026.
Dictum
De rechtbank:
- verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , met de vormen van verplichte zorg zoals hierboven onder 2.4 zijn vermeld, alles voor de volledige duur van de zorgmachtiging, tenzij onder 2.4 een kortere duur is vermeld;
- bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 27 april 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, rechter, in tegenwoordigheid van J.Y. Admiraal als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 oktober 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.