Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-10-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:12342
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
6,788 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/361934 / HA ZA 25-71
Vonnis (bij vervroeging) van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. N.G. Klaassen,
tegen
VERTEX DANGEROUS GOODS SERVICES & CONSULTANCY B.V.,
te Oude Meer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Vertex,
advocaat: mr. H.A.A. Voermans.
De zaak in het kort
De moeder van [eiser] heeft een bedrag van € 50.000,00 aan Vertex uitgeleend. Vertex heeft de eerste twee aflossingstermijnen van € 12.500,00 voldaan. [eiser] heeft - als erfgenaam van zijn moeder - de geldleningsovereenkomst met Vertex opgezegd en vordert het resterende bedrag van € 25.000,00 op, vermeerderd met de verschuldigde contractuele rente en kosten. Vertex erkent het openstaande bedrag, maar betwist de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Vertex verzoekt de rechtbank verder een ruime betalingstermijn dan wel een betalingsregeling aan de toewijzing te verbinden.
De rechtbank wijst de gevorderde hoofdsom toe en wijst de gevorderde buitengerechtelijke kosten af. Dat incassokosten zijn gemaakt is namelijk niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding een termijn aan de veroordeling tot betaling te verbinden, omdat [eiser] ook geen (betalings)termijn heeft gevorderd. De rechtbank stelt ook niet een betalingsregeling vast, omdat dat alleen kan met toestemming van de schuldeiser en [eiser] die toestemming niet heeft gegeven.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5
- het herstelexploot
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 11 juni 2025, waarin een mondelinge behandeling is bevolen
- het verzoek van partijen van 14 juli 2025 om de geplande mondelinge behandeling geen doorgang te laten vinden en de zaak te verwijzen naar de rol van 13 augustus 2025 voor akte uitlating partijen
- het verzoek van 13 augustus 2025 van [eiser] om voortzetting van de procedure
- het verzoek van 21 augustus 2025 van [eiser] om vonnis te wijzen
- het verzoek van partijen van 22 augustus 2025 om een mondelinge behandeling te bepalen
- het verzoek van partijen aan de rechtbank van 19 september 2025 om de mondelinge behandeling geen doorgang te laten vinden en vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Vertex heeft als schuldenaar met de moeder van [eiser] als schuldeiser op 17 juli 2020 een geldleningsovereenkomst gesloten. In de geldleningsovereenkomst staat, voor zover relevant, het volgende:
“Artikel 1. Hoofdsom1. Schuldeiser verstrekt aan schuldenaar ter leen een bedrag groot € 50.000,-- (zegge: vijftigduizend Euro’s), welk bedrag (hierna te noemen: ‘de hoofdsom’) schuldenaar aanvaardt.
(…)
Artikel 2. Rente
(…)
2. Over de hoofdsom, of het eventuele restant daarvan, is schuldenaar gedurende het derde, vierde en vijfde jaar dus van 1 augustus 2022 tot en met 31 juli 2025 een rente verschuldigd van 5% per jaar over het uitstaande bedrag.
3. De rente vervalt jaarlijks achteraf, voor de eerste keer op 31 juli 2021, over het alsdan verstreken tijdvak.
Artikel 3. Looptijd en (vervroegde) aflossing
1. De geldlening heeft een looptijd van 5 (vijf) jaren, ingaande op 1 augustus 2020 en eindigend op 31 juli 2025.
2. De schuldenaar zal de hoofdsom in 4 (vier) gelijke termijnen ten bedrage van € 12.500,-- aflossen. De eerste aflossingstermijn vervalt op 31 juli 2021.
(…)
Artikel 5. Opeisbaarheid
(…)
2. Onverminderd het overige in deze overeenkomst bepaalde, behoudt schuldeiser zich het recht voor te allen tijde de hoofdsom of het restant daarvan, alsmede de verschuldigde rente, ineens op te eisen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.”
2.2.
De moeder van [eiser] heeft de lening op 21 en 22 juli 2020 in twee delen van € 25.000,00 aan Vertex verstrekt.
2.3.
Na het overlijden van de moeder van [eiser] is [eiser], als haar erfgenaam, de schuldeiser van Vertex geworden.
2.4.
Vertex heeft op 7 augustus 2022 de eerste aflossingstermijn van € 12.500,00 aan [eiser] betaald. De verschuldigde rente heeft zij op 15 september 2022 overgemaakt. De tweede aflossingstermijn en de daarover verschuldigde rente heeft Vertex op 15 september 2023 voldaan.
2.5. (
De advocaat van) [eiser] heeft op 24 juni 2024 een brief aan Vertex gestuurd. Hij eist in de brief op grond van artikel 5 lid 2 van de geldleningsovereenkomst (hierna: geldleningsovereenkomst) het restant van € 25.000,00 van de geldlening en de afgesproken rente van 5% op. [eiser] heeft Vertex een termijn van drie maanden gegeven om te betalen. Vertex heeft niet op de brief gereageerd.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Vertex veroordeelt om aan [eiser] (terug) te betalen een bedrag van € 25.000,00 + de rente van 5% althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 24 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
II. Vertex veroordeelt om aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten waarvan de hoogte wordt vastgesteld aan de hand van het besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit);
III. Vertex veroordeelt in de kosten van deze procedure, salaris gemachtigde daaronder begrepen, alsmede de nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering voor zover van belang het volgende ten grondslag. Partijen hebben een overeenkomst van geldlening voor € 50.000,00. Vertex heeft in 2022 en 2023 in totaal een bedrag van € 25.000,00 met rente afgelost. [eiser] heeft het restant van de lening met bijbehorende rente op grond van artikel 5 lid 2 geldleningsovereenkomst opgeëist. Vertex heeft het openstaande bedrag niet betaald.
3.3.
Vertex erkent het bestaan van de geldlening, de gevorderde hoofdsom en de contractuele rente, maar betwist de (hoogte) van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Volgens Vertex zijn de kosten onredelijk hoog, omdat Vertex de vordering van [eiser] nooit heeft betwist, maar slechts om geduld heeft gevraagd. Naast een enkele aanmaning viel er daarom niet veel te communiceren. Verder verzoekt Vertex de rechtbank haar een redelijke betalingstermijn van zes maanden te gunnen, dan wel een betalingsregeling vast te stellen in verband met de moeilijke financiële positie waarin zij zit.
3.4.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.
Beoordeling
De rechtbank wijst de hoofdsom toe
4.1.
Vertex erkent dat zij een bedrag van € 25.000,00 aan [eiser] moet terugbetalen. Ook erkent zij de gevorderde contractuele rente van 5% over de hoofdsom. In de vordering staan geen aanvangs- en einddatum van de contractuele rente. Omdat Vertex volgens [eiser] de eerste twee termijnen met rente heeft betaald en de derde termijn op 1 augustus 2024 betaald zou moeten worden, begrijpt de rechtbank de vordering - mede gelet op artikel 2 lid 2 van de geldleningsovereenkomst - zo dat de contractuele rente van 5% over € 25.000,00 wordt gevorderd vanaf 1 augustus 2023. Omdat [eiser] de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vordert vanaf 24 september 2024, begrijpt de rechtbank dat bedoeld is de contractuele rente te vorderen tot 24 september 2024. De rechtbank zal de vordering op die wijze toewijzen.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar is, omdat niet gebleken is dat incassokosten zijn gemaakt. In de brief van 24 juni 2024, die als onderwerp ‘sommatie’ heeft, zegt [eiser] de geldleningsovereenkomst op. Het restant van het uitgeleende bedrag met rente was gelet op de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden pas vanaf 24 september 2024 opeisbaar. [eiser] kon hierdoor pas vanaf deze datum aanspraak maken op betaling van het openstaande bedrag. De brief van 24 juni 2024 is daarom geen incassohandeling. Uit het dossier blijkt niet van een incassohandeling na die datum.
De rechtbank geeft geen gevolg aan de verzoeken van Vertex
4.3.
De rechtbank geeft geen gevolg aan het verzoek van Vertex om aan de betaling van het toe te wijzen bedrag aan [eiser] een termijn te verbinden. Omdat [eiser] geen (betalings)termijn in zijn vordering heeft opgenomen, ziet de rechtbank geen aanleiding dat wel te doen.
4.4.
De rechtbank zal ook geen gevolg geven aan het verzoek van Vertex om een betalingsregeling vast te stellen. De rechtbank kan dat namelijk niet. Op grond van artikel 6:29 BW moet de schuldeiser, [eiser] dus, daarvoor toestemming geven en dat heeft hij niet gedaan. Vertex kan voor de eventuele mogelijkheden om alsnog een betalingsregeling af te spreken zelf contact opnemen met [eiser].
Vertex moet de proceskosten betalen
4.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, zoals door Vertex is verzocht. Vertex is namelijk in het ongelijk gesteld en heeft geen redenen aangevoerd waarom een compensatie van de proceskosten moet plaatsvinden. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten van het herstelexploot blijven echter voor rekening van [eiser]. De rechtbank begroot zijn proceskosten dan ook op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
786,00
(1 punt × € 786,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.486,04
De rechtbank zal haar beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren
4.6.
De rechtbank zal haar beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt Vertex om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% vanaf 1 augustus 2023 tot 24 september 2024 en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling over het bedrag van € 25.000,00 en de daarover verschenen contractuele rente vanaf 1 augustus 2023 tot 24 september 2024,
5.2.
veroordeelt Vertex in de proceskosten van € 2.486,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Vertex niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Vertex € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.
1835
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/361934 / HA ZA 25-71
Vonnis (bij vervroeging) van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. N.G. Klaassen,
tegen
VERTEX DANGEROUS GOODS SERVICES & CONSULTANCY B.V.,
te Oude Meer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Vertex,
advocaat: mr. H.A.A. Voermans.
De zaak in het kort
De moeder van [eiser] heeft een bedrag van € 50.000,00 aan Vertex uitgeleend. Vertex heeft de eerste twee aflossingstermijnen van € 12.500,00 voldaan. [eiser] heeft - als erfgenaam van zijn moeder - de geldleningsovereenkomst met Vertex opgezegd en vordert het resterende bedrag van € 25.000,00 op, vermeerderd met de verschuldigde contractuele rente en kosten. Vertex erkent het openstaande bedrag, maar betwist de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Vertex verzoekt de rechtbank verder een ruime betalingstermijn dan wel een betalingsregeling aan de toewijzing te verbinden.
De rechtbank wijst de gevorderde hoofdsom toe en wijst de gevorderde buitengerechtelijke kosten af. Dat incassokosten zijn gemaakt is namelijk niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding een termijn aan de veroordeling tot betaling te verbinden, omdat [eiser] ook geen (betalings)termijn heeft gevorderd. De rechtbank stelt ook niet een betalingsregeling vast, omdat dat alleen kan met toestemming van de schuldeiser en [eiser] die toestemming niet heeft gegeven.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5
- het herstelexploot
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 11 juni 2025, waarin een mondelinge behandeling is bevolen
- het verzoek van partijen van 14 juli 2025 om de geplande mondelinge behandeling geen doorgang te laten vinden en de zaak te verwijzen naar de rol van 13 augustus 2025 voor akte uitlating partijen
- het verzoek van 13 augustus 2025 van [eiser] om voortzetting van de procedure
- het verzoek van 21 augustus 2025 van [eiser] om vonnis te wijzen
- het verzoek van partijen van 22 augustus 2025 om een mondelinge behandeling te bepalen
- het verzoek van partijen aan de rechtbank van 19 september 2025 om de mondelinge behandeling geen doorgang te laten vinden en vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Vertex heeft als schuldenaar met de moeder van [eiser] als schuldeiser op 17 juli 2020 een geldleningsovereenkomst gesloten. In de geldleningsovereenkomst staat, voor zover relevant, het volgende:
“Artikel 1. Hoofdsom1. Schuldeiser verstrekt aan schuldenaar ter leen een bedrag groot € 50.000,-- (zegge: vijftigduizend Euro’s), welk bedrag (hierna te noemen: ‘de hoofdsom’) schuldenaar aanvaardt.
(…)
Artikel 2. Rente
(…)
2. Over de hoofdsom, of het eventuele restant daarvan, is schuldenaar gedurende het derde, vierde en vijfde jaar dus van 1 augustus 2022 tot en met 31 juli 2025 een rente verschuldigd van 5% per jaar over het uitstaande bedrag.
3. De rente vervalt jaarlijks achteraf, voor de eerste keer op 31 juli 2021, over het alsdan verstreken tijdvak.
Artikel 3. Looptijd en (vervroegde) aflossing
1. De geldlening heeft een looptijd van 5 (vijf) jaren, ingaande op 1 augustus 2020 en eindigend op 31 juli 2025.
2. De schuldenaar zal de hoofdsom in 4 (vier) gelijke termijnen ten bedrage van € 12.500,-- aflossen. De eerste aflossingstermijn vervalt op 31 juli 2021.
(…)
Artikel 5. Opeisbaarheid
(…)
2. Onverminderd het overige in deze overeenkomst bepaalde, behoudt schuldeiser zich het recht voor te allen tijde de hoofdsom of het restant daarvan, alsmede de verschuldigde rente, ineens op te eisen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.”
2.2.
De moeder van [eiser] heeft de lening op 21 en 22 juli 2020 in twee delen van € 25.000,00 aan Vertex verstrekt.
2.3.
Na het overlijden van de moeder van [eiser] is [eiser], als haar erfgenaam, de schuldeiser van Vertex geworden.
2.4.
Vertex heeft op 7 augustus 2022 de eerste aflossingstermijn van € 12.500,00 aan [eiser] betaald. De verschuldigde rente heeft zij op 15 september 2022 overgemaakt. De tweede aflossingstermijn en de daarover verschuldigde rente heeft Vertex op 15 september 2023 voldaan.
2.5. (
De advocaat van) [eiser] heeft op 24 juni 2024 een brief aan Vertex gestuurd. Hij eist in de brief op grond van artikel 5 lid 2 van de geldleningsovereenkomst (hierna: geldleningsovereenkomst) het restant van € 25.000,00 van de geldlening en de afgesproken rente van 5% op. [eiser] heeft Vertex een termijn van drie maanden gegeven om te betalen. Vertex heeft niet op de brief gereageerd.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Vertex veroordeelt om aan [eiser] (terug) te betalen een bedrag van € 25.000,00 + de rente van 5% althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 24 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
II. Vertex veroordeelt om aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten waarvan de hoogte wordt vastgesteld aan de hand van het besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit);
III. Vertex veroordeelt in de kosten van deze procedure, salaris gemachtigde daaronder begrepen, alsmede de nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering voor zover van belang het volgende ten grondslag. Partijen hebben een overeenkomst van geldlening voor € 50.000,00. Vertex heeft in 2022 en 2023 in totaal een bedrag van € 25.000,00 met rente afgelost. [eiser] heeft het restant van de lening met bijbehorende rente op grond van artikel 5 lid 2 geldleningsovereenkomst opgeëist. Vertex heeft het openstaande bedrag niet betaald.
3.3.
Vertex erkent het bestaan van de geldlening, de gevorderde hoofdsom en de contractuele rente, maar betwist de (hoogte) van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Volgens Vertex zijn de kosten onredelijk hoog, omdat Vertex de vordering van [eiser] nooit heeft betwist, maar slechts om geduld heeft gevraagd. Naast een enkele aanmaning viel er daarom niet veel te communiceren. Verder verzoekt Vertex de rechtbank haar een redelijke betalingstermijn van zes maanden te gunnen, dan wel een betalingsregeling vast te stellen in verband met de moeilijke financiële positie waarin zij zit.
3.4.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.
Beoordeling
De rechtbank wijst de hoofdsom toe
4.1.
Vertex erkent dat zij een bedrag van € 25.000,00 aan [eiser] moet terugbetalen. Ook erkent zij de gevorderde contractuele rente van 5% over de hoofdsom. In de vordering staan geen aanvangs- en einddatum van de contractuele rente. Omdat Vertex volgens [eiser] de eerste twee termijnen met rente heeft betaald en de derde termijn op 1 augustus 2024 betaald zou moeten worden, begrijpt de rechtbank de vordering - mede gelet op artikel 2 lid 2 van de geldleningsovereenkomst - zo dat de contractuele rente van 5% over € 25.000,00 wordt gevorderd vanaf 1 augustus 2023. Omdat [eiser] de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vordert vanaf 24 september 2024, begrijpt de rechtbank dat bedoeld is de contractuele rente te vorderen tot 24 september 2024. De rechtbank zal de vordering op die wijze toewijzen.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar is, omdat niet gebleken is dat incassokosten zijn gemaakt. In de brief van 24 juni 2024, die als onderwerp ‘sommatie’ heeft, zegt [eiser] de geldleningsovereenkomst op. Het restant van het uitgeleende bedrag met rente was gelet op de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden pas vanaf 24 september 2024 opeisbaar. [eiser] kon hierdoor pas vanaf deze datum aanspraak maken op betaling van het openstaande bedrag. De brief van 24 juni 2024 is daarom geen incassohandeling. Uit het dossier blijkt niet van een incassohandeling na die datum.
De rechtbank geeft geen gevolg aan de verzoeken van Vertex
4.3.
De rechtbank geeft geen gevolg aan het verzoek van Vertex om aan de betaling van het toe te wijzen bedrag aan [eiser] een termijn te verbinden. Omdat [eiser] geen (betalings)termijn in zijn vordering heeft opgenomen, ziet de rechtbank geen aanleiding dat wel te doen.
4.4.
De rechtbank zal ook geen gevolg geven aan het verzoek van Vertex om een betalingsregeling vast te stellen. De rechtbank kan dat namelijk niet. Op grond van artikel 6:29 BW moet de schuldeiser, [eiser] dus, daarvoor toestemming geven en dat heeft hij niet gedaan. Vertex kan voor de eventuele mogelijkheden om alsnog een betalingsregeling af te spreken zelf contact opnemen met [eiser].
Vertex moet de proceskosten betalen
4.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, zoals door Vertex is verzocht. Vertex is namelijk in het ongelijk gesteld en heeft geen redenen aangevoerd waarom een compensatie van de proceskosten moet plaatsvinden. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten van het herstelexploot blijven echter voor rekening van [eiser]. De rechtbank begroot zijn proceskosten dan ook op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
786,00
(1 punt × € 786,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.486,04
De rechtbank zal haar beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren
4.6.
De rechtbank zal haar beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt Vertex om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% vanaf 1 augustus 2023 tot 24 september 2024 en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling over het bedrag van € 25.000,00 en de daarover verschenen contractuele rente vanaf 1 augustus 2023 tot 24 september 2024,
5.2.
veroordeelt Vertex in de proceskosten van € 2.486,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Vertex niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Vertex € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.
1835