Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2025-09-05
ECLI:NL:RBNHO:2025:12307
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/6422 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.T. Blom), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college (gemachtigde: mr. N.T.G. Dooren). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [plaats] (derde-partij). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om handhaving van eiseres dat ziet op het perceel [adres 1] in [plaats] . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek. 1.1 Het college heeft het verzoek met het besluit van 29 december 2023 afgewezen. 1.2 Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. 1.3 Met het bestreden besluit van 3 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven. 1.4 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.5 De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en derde-partij. De totstandkoming van het bestreden besluit 2.1 Eiseres is eigenares van [adres 2] in [plaats] . Begin 2021 is eiseres gestart met de verbouwing van, en realisatie van een dakopbouw op, haar appartementen in de [adres 2] . De verbouwplannen waren (volgens eiseres) noodzakelijk vanwege de slechte bouwkundige staat van de appartementen, die eiseres verhuurt. Na het realiseren van de dakopbouw heeft de aannemer van eiseres drie van de vier vensters in de buitenmuur van derde-partij dichtgezet in verband met de dakopbouw. De advocaat van derde-partij heeft te kennen gegeven dat derde-partij onrechtmatige hinder ondervindt, waaronder het onthouden van licht als gevolg van dichtzetting van de vensters. Bij een vonnis in kort geding van 26 april 2021 is door de voorzieningenrechter een bouwstop opgelegd. Op 7 mei 2021 is dit vonnis aangevuld. 2.2 Op 20 oktober 2023 heeft eiseres een verzoek om handhaving ingediend. Zij stelt dat meerdere overtredingen worden begaan door derde-partij, de eigenaar van [adres 1] in [plaats] . Eiseres meent dat niet wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012. 2.3 Op 19 december 2023 heeft eiseres een ingebrekestelling aan het college gestuurd wegens het uitblijven van een besluit op haar verzoek. 2.4 Met het besluit van 29 december 2023 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen. Op 28 december 2023 heeft een toezichthouder een inspectie gehouden op het perceel en geconstateerd dat niet in strijd wordt gehandeld met een wettelijk voorschrift als gevolg waarvan het college bevoegd is om handhavend op te treden. 2.5 Eiseres heeft op 1 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 2.6 In het inspectierapport van 7 maart 2024 zijn de bevindingen vastgelegd die zijn gedaan op grond van inspecties op 27 en 28 februari 2024. Hieruit blijkt dat er diverse tekenen van achterstallig onderhoud zijn, maar dat de totale samenhang van het gebouw als geheel een voldoende stabiel beeld geeft. 2.7 Het college is met het besluit van 3 september 2024 (het bestreden besluit) bij het primaire besluit gebleven. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften. Het college stelt uitgebreid onderzoek te hebben laten doen zowel in als rondom het pand. Uit die onderzoeken is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat het pand niet voldoet aan het voorschrift in de artikelen 2.6 en 2.7 van het Bouwbesluit en dat er dan ook geen sprake kan zijn van een overtreding van deze bepalingen. Bovendien heeft eiseres zelf geen bouwkundig onderzoek aangeleverd waaruit zou blijken dat het pand wel binnen een jaar zou kunnen bezwijken. Er bestaat geen reden om handhavend op te treden tegen overtreding van artikel 2.64 van h Derde-partij heeft aangegeven de gaskachel ook niet te (kunnen) gebruiken. Niet gebleken is van een brandonveilige situatie. De beroepsgrond slaagt niet. Artikelen 2.1, lid 1, en 2.3a, lid 1 van de Wabo 6. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, sub a en artikel 2.3a, lid 1 Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk of deel daarvan te realiseren of in stand te houden. Uit het bestemmingsplan Burgwal blijkt dat het perceel onder het beschermd stadsgezicht valt. De ramen bevinden zich in de zijgevel van het pand. Gelet op het bepaalde in artikel 4a, lid 2, sub b van bijlage II van het Bor staat hiermee vast dat alle ramen in de zijgevel van het pand vergunningplichtig waren ten tijde van het indienen van het handhavingsverzoek. Samengevat stelt eiseres zich primair op het standpunt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt, ten aanzien van alle vier de ramen, dat deze vergund zijn. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat, in ieder geval, tegen de voorste twee ramen handhavend dient te worden opgetreden nu deze evident illegaal zijn en geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van handhaving. Het afzien van handhaving levert een onevenredige situatie ten opzichte van eiseres op en het college miskent haar belang. De twee ramen aan de rechterzijde 7.1 Eiseres is van mening dat helemaal niet duidelijk is dat de twee ramen aan de rechterkant aanwezig zijn, de bouwtekening is hiervoor te slecht. Bovendien heeft het college de daadwerkelijke vergunning ook niet overlegd. 7.2 De rechtbank is van oordeel dat het college met de overgelegde bouwtekeningen van 13 maart 1970 zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze ramen in de zijgevel te herkennen zijn in de verleende vergunning van 17 april 1970 en dus zijn vergund. De beroepsgrond slaagt niet. Beginselplicht tot handhaven 8. Niet ter discussie staat dat voor de overige twee ramen niet duidelijk is of deze situatie ooit vergund is. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhavend optreden af te zien ten aanzien van de ramen aan de linkerzijde van het pand? Linkerzijde derde raam 9.1 Eiseres stelt dat de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waar door het college naar wordt verwezen, niet de mogelijkheden heeft willen beperken op grond waarvan alsnog handhavend kan worden opgetreden, ook al is het pand voor 1 april 2007 verworven. Dan zou nooit kunnen worden gehandhaafd op overtredingen als het pand is verworven voor 1 april 2007. 9.2 Niet in geschil is dat ten aanzien van het derde raam sprake is van een overtreding. Volgens het college is handhavend optreden in dit geval echter in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Uit vaste rechtspraak volgt dat in gevallen waarin de huidige eigenaar niet zelf bouwwerken zonder of in afwijking van een bouwvergunning heeft gebouwd, maar het gebouwde voor 1 april 2007 heeft verworven en aldus in stand laat, de rechtszekerheid zich er in beginsel tegen verzet dat het college handhavend optreedt wegens overtreding van artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet (thans artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo). Dit omdat het verbod op het in stand houden van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning, omvat in artikel 2.3a lid 1 Wabo, pas op 1 april 2007 van kracht werd. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de hu