Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-16
ECLI:NL:RBNHO:2025:12199
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,484 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/359407 / JU RK 24-1766
Datum uitspraak: 16 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Velserbroek,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 november 2024;
het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren is geweest op 16 januari 2025. Aanwezig waren:
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] als waarnemer voor [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De vader en de moeder waren, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting aanwezig.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Feiten
2.1.
De moeder heeft de Spaanse en de Colombiaanse nationaliteit. De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2022 [de minderjarige] onder toezicht gesteld en die maatregel is verlengd en duurt tot 20 januari 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2022 de machtiging verleend [de minderjarige] uit huis te plaatsen. Die maatregel is verlengd en duurt tot 20 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen tot [datum] . Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot [datum] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI motiveert het verzoek als volgt.
[de minderjarige] heeft geen passend netwerk waar hij op terug kan vallen als hij geen plek meer heeft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Zijn moeder woont namelijk in een daklozenopvang en zijn vader woont met zijn gezin in een vakantiehuisje in [provincie] . Beide ouders hebben dus geen plek voor [de minderjarige] . Het is daarom van belang dat [de minderjarige] na zijn 18e verjaardag door kan stromen naar begeleid kamer wonen. Hiervoor moet [de minderjarige] eerst leren om zelfstandig te kunnen wonen en hierbij heeft hij ondersteuning nodig om zijn leerdoelen te kunnen behalen. De GI wil [de minderjarige] helpen bij het leren maken van verstandige keuzes op het gebied van scholing en wettelijke verplichtingen voor het behalen van een start kwalificatie. Daarnaast wil de GI [de minderjarige] leren om zijn financiën te beheren en te kunnen zorgen voor een goede administratie. Om hieraan te kunnen werken heeft [de minderjarige] een gestructureerde omgeving nodig waarbij hij wordt ondersteund in het behalen van persoonlijk leerdoelen richting zelfstandig kunnen wonen. Een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing zijn daarom nog noodzakelijk.
3.2.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat de maatregelen verlengd moeten worden zodat [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan blijven waar hij begeleiding krijgt. Hij heeft nu dagbesteding bij een installatiebedrijf en de leerplichtambtenaar is betrokken zodat [de minderjarige] naar niveau 2 kan om een startkwalificatie te halen zodat hij bij het installatiebedrijf kan blijven werken. Ook is het van belang dat hij bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijft omdat hij daar kan doorstromen naar begeleid wonen.
3.3.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 28 november 2024 aangegeven in te stemmen met het verzoek.
4De standpunten
De GI heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat de vader en de moeder akkoord zijn met het verzoek.
5De mening van [de minderjarige]De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige] het eens is met het verzoek.
Beoordeling
Rechtsmacht
6.1.
De kinderrechter constateert dat de moeder de Spaanse en de Colombiaanse nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Als dit het geval is, moet de kinderrechter het toepasselijke recht bepalen.
6.2.
Ingevolge artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
6.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.Ondertoezichtstelling
6.4.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] nog steeds zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan uit het ontbreken van een steunend netwerk en de zorgen over de schoolgang van [de minderjarige] . Zijn moeder woont in een daklozenopvang. Zijn vader woont met zijn gezin met jonge kinderen in [provincie] . [de minderjarige] kan daarom niet terugvallen op zijn ouders en heeft daarom de begeleiding en structuur nodig die hij nu krijgt bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Ondersteuning van [de minderjarige] is ook nodig voor het maken van de juiste keuzes op het gebied van vriendenkring en scholing want [de minderjarige] heeft nog geen startkwalificatie. De steun en begeleiding van [de minderjarige] richting zelfstandigheid moet in elke geval tot zijn meerderjarigheid gewaarborgd worden.
6.5.
Tevens blijkt dat de zorg die voor het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval ook nu niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, omdat de ouders er door omstandigheden in hun privéleven niet in zijn geslaagd om hulpverlening aan te gaan en de opvoedsituatie van [de minderjarige] te verbeteren.
6.6.
Alhoewel het niet meer de verwachting is dat de ouders die het gezag uitoefenen in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding te dragen voordat [de minderjarige] meerderjarig wordt, is gelet op het voorgaande verlenging van de ondertoezichtstelling in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk.
6.7.
Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen, zoals hierna bepaald.
6.8.
Gelet op de gestelde doelen zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen tot [datum] .
Uithuisplaatsing
6.9.
Gelet op wat hiervoor onder rechtsoverweging 6.4 is overwogen is ook noodzakelijk dat [de minderjarige] zijn plaats bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] behoudt tot zijn meerderjarigheid.
6.10.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot [datum] ;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot [datum] ;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2025 door mr. J.C.M. Swinkels, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Moes als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/359407 / JU RK 24-1766
Datum uitspraak: 16 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Velserbroek,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 november 2024;
het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren is geweest op 16 januari 2025. Aanwezig waren:
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] als waarnemer voor [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De vader en de moeder waren, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting aanwezig.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Feiten
2.1.
De moeder heeft de Spaanse en de Colombiaanse nationaliteit. De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2022 [de minderjarige] onder toezicht gesteld en die maatregel is verlengd en duurt tot 20 januari 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2022 de machtiging verleend [de minderjarige] uit huis te plaatsen. Die maatregel is verlengd en duurt tot 20 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen tot [datum] . Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot [datum] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI motiveert het verzoek als volgt.
[de minderjarige] heeft geen passend netwerk waar hij op terug kan vallen als hij geen plek meer heeft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Zijn moeder woont namelijk in een daklozenopvang en zijn vader woont met zijn gezin in een vakantiehuisje in [provincie] . Beide ouders hebben dus geen plek voor [de minderjarige] . Het is daarom van belang dat [de minderjarige] na zijn 18e verjaardag door kan stromen naar begeleid kamer wonen. Hiervoor moet [de minderjarige] eerst leren om zelfstandig te kunnen wonen en hierbij heeft hij ondersteuning nodig om zijn leerdoelen te kunnen behalen. De GI wil [de minderjarige] helpen bij het leren maken van verstandige keuzes op het gebied van scholing en wettelijke verplichtingen voor het behalen van een start kwalificatie. Daarnaast wil de GI [de minderjarige] leren om zijn financiën te beheren en te kunnen zorgen voor een goede administratie. Om hieraan te kunnen werken heeft [de minderjarige] een gestructureerde omgeving nodig waarbij hij wordt ondersteund in het behalen van persoonlijk leerdoelen richting zelfstandig kunnen wonen. Een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing zijn daarom nog noodzakelijk.
3.2.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat de maatregelen verlengd moeten worden zodat [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan blijven waar hij begeleiding krijgt. Hij heeft nu dagbesteding bij een installatiebedrijf en de leerplichtambtenaar is betrokken zodat [de minderjarige] naar niveau 2 kan om een startkwalificatie te halen zodat hij bij het installatiebedrijf kan blijven werken. Ook is het van belang dat hij bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijft omdat hij daar kan doorstromen naar begeleid wonen.
3.3.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 28 november 2024 aangegeven in te stemmen met het verzoek.
4De standpunten
De GI heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat de vader en de moeder akkoord zijn met het verzoek.
5De mening van [de minderjarige]De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige] het eens is met het verzoek.
Beoordeling
Rechtsmacht
6.1.
De kinderrechter constateert dat de moeder de Spaanse en de Colombiaanse nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Als dit het geval is, moet de kinderrechter het toepasselijke recht bepalen.
6.2.
Ingevolge artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
6.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.Ondertoezichtstelling
6.4.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [de minderjarige] nog steeds zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan uit het ontbreken van een steunend netwerk en de zorgen over de schoolgang van [de minderjarige] . Zijn moeder woont in een daklozenopvang. Zijn vader woont met zijn gezin met jonge kinderen in [provincie] . [de minderjarige] kan daarom niet terugvallen op zijn ouders en heeft daarom de begeleiding en structuur nodig die hij nu krijgt bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Ondersteuning van [de minderjarige] is ook nodig voor het maken van de juiste keuzes op het gebied van vriendenkring en scholing want [de minderjarige] heeft nog geen startkwalificatie. De steun en begeleiding van [de minderjarige] richting zelfstandigheid moet in elke geval tot zijn meerderjarigheid gewaarborgd worden.
6.5.
Tevens blijkt dat de zorg die voor het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is in dit geval ook nu niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, omdat de ouders er door omstandigheden in hun privéleven niet in zijn geslaagd om hulpverlening aan te gaan en de opvoedsituatie van [de minderjarige] te verbeteren.
6.6.
Alhoewel het niet meer de verwachting is dat de ouders die het gezag uitoefenen in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding te dragen voordat [de minderjarige] meerderjarig wordt, is gelet op het voorgaande verlenging van de ondertoezichtstelling in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk.
6.7.
Uit het voorgaande volgt dat nog steeds is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen, zoals hierna bepaald.
6.8.
Gelet op de gestelde doelen zal de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling verlengen tot [datum] .
Uithuisplaatsing
6.9.
Gelet op wat hiervoor onder rechtsoverweging 6.4 is overwogen is ook noodzakelijk dat [de minderjarige] zijn plaats bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] behoudt tot zijn meerderjarigheid.
6.10.
Uit het voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot [datum] ;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot [datum] ;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2025 door mr. J.C.M. Swinkels, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Moes als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.