Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:12198
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,348 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/356313 / JU RK 24-1287
Datum uitspraak: 22 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een (aangehouden verzoek) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van 10 september 2024 en de daarin vermelde stukken;
een brief van de GI van 9 januari 2025, ontvangen op 10 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren is geweest op 22 januari 2025. Aanwezig waren:
- de advocaat van de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken, maar hier zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 28 augustus bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
2.3.
Bij beschikkingen van de kinderrechter in de periode 2011 tot 2015 en 2019 tot 2021 is [de minderjarige] meermaals onder toezicht gesteld.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 18 juni 2024, en vervolgens bij herstelbeschikking van 5 juli 2024, is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 18 juni 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 29 augustus 2024 is [de minderjarige] met spoed uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. Bij beschikking van de kinderrechter van 10 september 2024 is [de minderjarige] vervolgens uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 januari 2025, waarbij het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot onderhavige zitting.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt – zoals de rechtbank begrijpt – het aangehouden deel van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toe te wijzen, te weten voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek aan de hand van een beschrijving van de huidige stand van zaken als volgt toegelicht. Ondanks het verblijf van [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] zijn de zorgen over [de minderjarige] en over de relatie en escalaties tussen [de minderjarige] en de moeder er nog altijd. Zo is er bij [de minderjarige] sprake van automutilatie en was er in november 2024 een fysiek gewelddadige escalatie tussen [de minderjarige] en de moeder, waarvan [de minderjarige] aangifte heeft gedaan. Het patroon van aantrekken en afstoten tussen [de minderjarige] en de moeder blijft bestaan, wat de onderlinge verstandhouding bemoeilijkt en de situatie onstabiel houdt. Daar komt bij dat de hulpverlening voor [de minderjarige] en de moeder – vooral vanwege de weigerachtige en onbereikbare houding van de moeder – niet/onvoldoende van de grond is gekomen. Daardoor kan [de minderjarige] (op korte termijn) niet bij de moeder wonen en is een machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig. Het is volgens de GI daarnaast zorgelijk dat [de minderjarige] sinds begin 2025 vaak dagdelen en nachten afwezig is van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , terwijkl onduidelijk is waar en met wie zij dan is. Ook is het zorgelijk dat [de minderjarige] zich in gevaarlijke situaties bevindt, waarbij zij recentelijk zelfs met verwondingen terugkwam bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Binnenkort is er overleg met de betrokken instanties ( [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , JeugdzorgPlus, de Waag, de gedragswetenschapper van de GI en het Regionaal Expertteam) om te bespreken welke stappen er genomen moeten worden om de zorgen en onveiligheid zo snel mogelijk te minimaliseren. Gelet op het voorgaande is het noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend, omdat de veiligheid van [de minderjarige] gewaarborgd moet worden. Vanuit het verblijf bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan de nodige hulpverlening verder worden ingezet en geborgd.
3.3.
Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat zowel de moeder als [de minderjarige] ook niet zijn verschenen op de afspraken van 9 december 2024 en 10 januari 2025. [de minderjarige] en de moeder hebben de verantwoordelijkheid om mee te werken aan hulpverlening. Hoewel de GI zoveel mogelijk probeert aan te sluiten bij hun hulpverleningsvoorkeuren (zoals Parlan in plaats van de Waag), lukt het de GI niet om die hulpverlening op te starten. [de minderjarige] en de moeder blijven afspraken afzeggen, verschijnen daar niet of zijn onbereikbaar. In de afgelopen dagen zijn er opnieuw 4 vermissingsmeldingen van [de minderjarige] gedaan en op 13 januari 2025 is er een nieuwe Veilig Thuis melding gedaan. Het gesprek met de betrokken instanties vindt plaats op 23 januari 2025. Gezien de toegenomen zorgen en het gegeven dat de interventies van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] niet helpen, moet worden bekeken of een open plaatsing nog geschikt is om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Nu er in de thuissituatie bij de moeder in de afgelopen periode niets is veranderd, kan [de minderjarige] daar niet wonen. Op de vraag van de advocaat van de moeder over de hulpverlening van Parlan, antwoordt de GI dat daar dezelfde systemische hulpverlening wordt geboden als bij de Waag. Daaronder valt bijvoorbeeld het werken aan relatieherstel tussen [de minderjarige] en de moeder en wellicht ook individuele behandeling, zoals traumatherapie voor [de minderjarige] .
4Het standpunt
4.1.
Namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder vandaag ziek is, waardoor zij niet ter zitting aanwezig kon zijn. Hoewel de moeder zich zorgen maakt over [de minderjarige] en het belangrijk vindt dat er hulpverlening wordt ingezet, meent de moeder dat het verzoek van de GI moet worden afgewezen. Volgens de moeder is een plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] niet in het belang van [de minderjarige] . Bij beschikking van de kinderrechter van 10 september 2024 is ook overwogen dat [de minderjarige] [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geen fijne plek vindt en alle betrokkenen waren het erover eens dat deze plek niet passend is. Dat is dan ook de reden dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor een korte duur werd verleend. Desalniettemin verblijft [de minderjarige] nog steeds bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en nemen de zorgen toe, waaronder de vermissingen. In februari 2025 start [de minderjarige] op het [College] College, zodat zij hopelijk dagbesteding heeft. Ondanks de twijfels van de moeder, verwacht zij dat een thuisplaatsing in [de minderjarige] ’s belang zal zijn, mits daarmee direct ook een vorm van ambulante hulpverlening wordt ingezet. De moeder weet dat er risico’s bestaan, maar verwacht dat er bij een thuisplaatsing meer zicht komt op [de minderjarige] ’s doen en laten. De moeder wil aan alle hulpverlening mee werken.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Al meerdere jaren is er sprake van een verstoorde verhouding tussen [de minderjarige] en de moeder. Hun relatie kenmerkt zich door een patroon van aantrekken en afstoten, wat meermaals tot heftige (fysiek gewelddadige) escalaties heeft geleid tussen [de minderjarige] en de moeder, zoals op 24 november 2024 heeft [de minderjarige] aangifte gedaan tegen de moeder. Daarnaast vertoont [de minderjarige] sterk zelfbepalend gedrag, loopt zij geregeld weg bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en houdt zij zich niet aan regels. Vooral vanwege de weigerachtige en onbereikbare houding van zowel [de minderjarige] als de moeder, is de nodige hulpverlening voor de problematiek nog niet van de grond gekomen en nemen de zorgen over [de minderjarige] alleen maar toe. Weliswaar is namens de moeder ter zitting naar voren gebracht dat zij bereid is om mee te werken aan hulpverlening, maar de moeder laat het tegenovergestelde zien als het gaat om de samenwerking met de GI en de hulpverlening. Zo zijn de moeder en [de minderjarige] niet verschenen op de hulpverleningsafspraken van 25 november 2024, 9 december 2024 en 10 januari 2025. Ook is de moeder tot nu toe niet ingegaan op de verzoeken van de GI om met de Waag of met Parlan in gesprek te gaan. Als voorwaarde voor een thuisplaatsing die de moeder wenst stelt de moeder dat er hulpverlening moet worden ingezet, maar de moeder en [de minderjarige] accepteren geen hulpverlening. Aangezien de thuissituatie bij de moeder onveranderd is gebleven, kan de moeder [de minderjarige] nog steeds niet de nodige rust, stabiliteit en veiligheid bieden. Om de veiligheid van [de minderjarige] te kunnen waarborgen en om te kunnen werken aan de genoemde problematiek, is er op dit moment geen andere optie dan dat [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijft. Tijdens het overleg tussen de betrokken instanties van 23 januari 2025 zal worden bekeken of een open plaatsing nog geschikt is, of dat een gesloten plaatsing overwogen moet worden.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 januari 2025 tot 18 juni 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025 door mr. J.C.M. Swinkels, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/356313 / JU RK 24-1287
Datum uitspraak: 22 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een (aangehouden verzoek) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van 10 september 2024 en de daarin vermelde stukken;
een brief van de GI van 9 januari 2025, ontvangen op 10 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren is geweest op 22 januari 2025. Aanwezig waren:
- de advocaat van de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken, maar hier zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 28 augustus bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
2.3.
Bij beschikkingen van de kinderrechter in de periode 2011 tot 2015 en 2019 tot 2021 is [de minderjarige] meermaals onder toezicht gesteld.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 18 juni 2024, en vervolgens bij herstelbeschikking van 5 juli 2024, is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 18 juni 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 29 augustus 2024 is [de minderjarige] met spoed uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. Bij beschikking van de kinderrechter van 10 september 2024 is [de minderjarige] vervolgens uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 januari 2025, waarbij het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot onderhavige zitting.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt – zoals de rechtbank begrijpt – het aangehouden deel van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toe te wijzen, te weten voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek aan de hand van een beschrijving van de huidige stand van zaken als volgt toegelicht. Ondanks het verblijf van [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] zijn de zorgen over [de minderjarige] en over de relatie en escalaties tussen [de minderjarige] en de moeder er nog altijd. Zo is er bij [de minderjarige] sprake van automutilatie en was er in november 2024 een fysiek gewelddadige escalatie tussen [de minderjarige] en de moeder, waarvan [de minderjarige] aangifte heeft gedaan. Het patroon van aantrekken en afstoten tussen [de minderjarige] en de moeder blijft bestaan, wat de onderlinge verstandhouding bemoeilijkt en de situatie onstabiel houdt. Daar komt bij dat de hulpverlening voor [de minderjarige] en de moeder – vooral vanwege de weigerachtige en onbereikbare houding van de moeder – niet/onvoldoende van de grond is gekomen. Daardoor kan [de minderjarige] (op korte termijn) niet bij de moeder wonen en is een machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig. Het is volgens de GI daarnaast zorgelijk dat [de minderjarige] sinds begin 2025 vaak dagdelen en nachten afwezig is van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , terwijkl onduidelijk is waar en met wie zij dan is. Ook is het zorgelijk dat [de minderjarige] zich in gevaarlijke situaties bevindt, waarbij zij recentelijk zelfs met verwondingen terugkwam bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Binnenkort is er overleg met de betrokken instanties ( [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , JeugdzorgPlus, de Waag, de gedragswetenschapper van de GI en het Regionaal Expertteam) om te bespreken welke stappen er genomen moeten worden om de zorgen en onveiligheid zo snel mogelijk te minimaliseren. Gelet op het voorgaande is het noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend, omdat de veiligheid van [de minderjarige] gewaarborgd moet worden. Vanuit het verblijf bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] kan de nodige hulpverlening verder worden ingezet en geborgd.
3.3.
Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat zowel de moeder als [de minderjarige] ook niet zijn verschenen op de afspraken van 9 december 2024 en 10 januari 2025. [de minderjarige] en de moeder hebben de verantwoordelijkheid om mee te werken aan hulpverlening. Hoewel de GI zoveel mogelijk probeert aan te sluiten bij hun hulpverleningsvoorkeuren (zoals Parlan in plaats van de Waag), lukt het de GI niet om die hulpverlening op te starten. [de minderjarige] en de moeder blijven afspraken afzeggen, verschijnen daar niet of zijn onbereikbaar. In de afgelopen dagen zijn er opnieuw 4 vermissingsmeldingen van [de minderjarige] gedaan en op 13 januari 2025 is er een nieuwe Veilig Thuis melding gedaan. Het gesprek met de betrokken instanties vindt plaats op 23 januari 2025. Gezien de toegenomen zorgen en het gegeven dat de interventies van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] niet helpen, moet worden bekeken of een open plaatsing nog geschikt is om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Nu er in de thuissituatie bij de moeder in de afgelopen periode niets is veranderd, kan [de minderjarige] daar niet wonen. Op de vraag van de advocaat van de moeder over de hulpverlening van Parlan, antwoordt de GI dat daar dezelfde systemische hulpverlening wordt geboden als bij de Waag. Daaronder valt bijvoorbeeld het werken aan relatieherstel tussen [de minderjarige] en de moeder en wellicht ook individuele behandeling, zoals traumatherapie voor [de minderjarige] .
4Het standpunt
4.1.
Namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder vandaag ziek is, waardoor zij niet ter zitting aanwezig kon zijn. Hoewel de moeder zich zorgen maakt over [de minderjarige] en het belangrijk vindt dat er hulpverlening wordt ingezet, meent de moeder dat het verzoek van de GI moet worden afgewezen. Volgens de moeder is een plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] niet in het belang van [de minderjarige] . Bij beschikking van de kinderrechter van 10 september 2024 is ook overwogen dat [de minderjarige] [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] geen fijne plek vindt en alle betrokkenen waren het erover eens dat deze plek niet passend is. Dat is dan ook de reden dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor een korte duur werd verleend. Desalniettemin verblijft [de minderjarige] nog steeds bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en nemen de zorgen toe, waaronder de vermissingen. In februari 2025 start [de minderjarige] op het [College] College, zodat zij hopelijk dagbesteding heeft. Ondanks de twijfels van de moeder, verwacht zij dat een thuisplaatsing in [de minderjarige] ’s belang zal zijn, mits daarmee direct ook een vorm van ambulante hulpverlening wordt ingezet. De moeder weet dat er risico’s bestaan, maar verwacht dat er bij een thuisplaatsing meer zicht komt op [de minderjarige] ’s doen en laten. De moeder wil aan alle hulpverlening mee werken.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Al meerdere jaren is er sprake van een verstoorde verhouding tussen [de minderjarige] en de moeder. Hun relatie kenmerkt zich door een patroon van aantrekken en afstoten, wat meermaals tot heftige (fysiek gewelddadige) escalaties heeft geleid tussen [de minderjarige] en de moeder, zoals op 24 november 2024 heeft [de minderjarige] aangifte gedaan tegen de moeder. Daarnaast vertoont [de minderjarige] sterk zelfbepalend gedrag, loopt zij geregeld weg bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en houdt zij zich niet aan regels. Vooral vanwege de weigerachtige en onbereikbare houding van zowel [de minderjarige] als de moeder, is de nodige hulpverlening voor de problematiek nog niet van de grond gekomen en nemen de zorgen over [de minderjarige] alleen maar toe. Weliswaar is namens de moeder ter zitting naar voren gebracht dat zij bereid is om mee te werken aan hulpverlening, maar de moeder laat het tegenovergestelde zien als het gaat om de samenwerking met de GI en de hulpverlening. Zo zijn de moeder en [de minderjarige] niet verschenen op de hulpverleningsafspraken van 25 november 2024, 9 december 2024 en 10 januari 2025. Ook is de moeder tot nu toe niet ingegaan op de verzoeken van de GI om met de Waag of met Parlan in gesprek te gaan. Als voorwaarde voor een thuisplaatsing die de moeder wenst stelt de moeder dat er hulpverlening moet worden ingezet, maar de moeder en [de minderjarige] accepteren geen hulpverlening. Aangezien de thuissituatie bij de moeder onveranderd is gebleven, kan de moeder [de minderjarige] nog steeds niet de nodige rust, stabiliteit en veiligheid bieden. Om de veiligheid van [de minderjarige] te kunnen waarborgen en om te kunnen werken aan de genoemde problematiek, is er op dit moment geen andere optie dan dat [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijft. Tijdens het overleg tussen de betrokken instanties van 23 januari 2025 zal worden bekeken of een open plaatsing nog geschikt is, of dat een gesloten plaatsing overwogen moet worden.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 januari 2025 tot 18 juni 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025 door mr. J.C.M. Swinkels, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.