Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2025-09-03
ECLI:NL:RBNHO:2025:11875
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1367 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2025 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, en Dienst Toeslagen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 10 januari 2025 heeft verweerder het kindgebonden budget van eiser over 2023 definitief berekend en vastgesteld op nihil. Hierbij is een bedrag van € 2.366 (inclusief € 48 aan rente) aan te veel ontvangen voorschot kindgebonden budget teruggevorderd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij beslissing op bezwaar van 18 februari 2024 ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Bij herziene beslissing op bezwaar van 1 augustus 2025 heeft verweerder de beslissing op bezwaar van 18 februari 2025 herzien en de terugvordering gematigd met 50%. Verweerder heeft op 6 augustus 2025 een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2025 te Haarlem. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Bij voorschotbeschikking van 23 augustus 2023 is aan eiser een voorschot kindgebonden budget met betrekking tot het jaar 2023 toegekend van € 2.318. Bij het vaststellen van het voorschot is verweerder uitgegaan van een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 153.231. Eiser heeft geen aanvraag ingediend voor het ontvangen van kindgebonden budget. 2. Op 27 juli 2023 en op 24 augustus 2023 heeft eiser telefonisch contact gehad met de Belastingtelefoon. 3. Bij herziene voorschotbeschikking van 22 september 2023 is het bedrag van het kindgebonden budget ongewijzigd gebleven. Bij het vaststellen van het herziene voorschot is verweerder uitgegaan van een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 157.703. 4. Op 3 juni 2024 heeft verweerder een melding ontvangen vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) dat de inspecteur van de Belastingdienst het toetsingsinkomen van eiser in 2023 heeft vastgesteld op € 99.539 en de rendementsgrondslag op € 96.199. 5. Bij beschikking van 10 januari 2025 (het bestreden besluit) is het kindgebonden budget definitief bepaald op nihil en is van eiser een bedrag van € 2.366 (inclusief € 48 aan rente) aan te veel ontvangen voorschot kindgebonden budget teruggevorderd. Bij het vaststellen van het definitieve bedrag aan kindgebonden budget is verweerder uitgegaan van een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 61.016 en een vermogen van € 156.303. Geschil 6. In geschil is of verweerder het aan eiser betaalde voorschot kindgebonden budget (inclusief rente) dat betrekking heeft op het jaar 2023 mocht terugvorderen. 7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de terugvordering moet worden gematigd tot nihil omdat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel en omdat de terugvordering onevenredig is. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en matiging van de terugvordering tot nihil. 8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel en dat de terugvordering, die bij herziene beslissing op bezwaar met 50% is gematigd, niet onevenredig is. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil Gevolgen herziene beslissing op bezwaar 9. De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende het beroep, een herziene beslissing op het bezwaar heeft genomen, op 1 augustus 2025, waarbij aan de bezwaren van eiser gedeeltelijk tegemoet is gekomen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep van eiser mede betrekking op deze herziene beslissing op bezwaar. De rechtbank betrekt daarom de herziene beslissing van 1 augustus 2025 bij de behandeling van het beroep. Nu de terugvordering door verweerder bij herziene beslissing op bezwaar tot 50% is gematigd, is het beroep tegen het bestreden besluit reeds om deze red Ten tijde van het toekennen van het voorschot bij voorschotbeschikking van 23 augustus 2023 en ten tijde van de telefoongesprekken van eiser met de Belastingtelefoon op 27 juli 2023 en 24 augustus 2023 waren er in de systemen van verweerder nog geen gegevens aanwezig over de hoogte van het vermogen van eiser op de peildatum. In zoverre kan niet worden gezegd dat bij verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bekend waren. De rechtbank heeft daarbij mede overwogen dat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, de gegevens over het vermogen van eiser op de peildatum 1 januari 2023 bij verweerder niet bekend waren tot het moment waarop die gegevens door de inspecteur van de Belastingdienst zijn vastgesteld en verweerder daarvan op 3 juni 2024 een melding vanuit de BRI ontving. 16. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder op de hoogte had kunnen zijn van het vermogen van eiser op de peildatum. De rechtbank stelt hierbij voorop dat de inspecteur voor de inkomstenbelasting (Belastingdienst) en de Dienst Toeslagen twee verschillende bestuursorganen zijn, die los van elkaar staan en hun eigen bevoegdheden hebben. De inspecteur voor de inkomstenbelasting is bevoegd het verzamelinkomen en het vermogen vast te stellen. De Dienst Toeslagen is bevoegd de inkomensafhankelijke regelingen uit te voeren. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de Dienst Toeslagen het inkomen en vermogen in aanmerking dient te nemen zoals dat volgt uit de aanslag inkomstenbelasting (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0491 en van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2396). Dit zijn de gegevens zoals vastgelegd in de BRI. Wat hier ook verder van zij, is voor een beroep op het vertrouwensbeginsel bovendien niet van belang of verweerder bekend had kunnen zijn met alle relevante feiten en omstandigheden, maar is van belang of hij daar daadwerkelijk mee bekend was. 17. Uit de gespreksnotities die verweerder van de telefoongesprekken gehouden op 27 juli 2023 en 24 augustus 2023 heeft overgelegd kan de rechtbank niet afleiden dat er met eiser over (de hoogte van) zijn vermogen is gesproken. Ter zitting heeft eiser daarover verklaard dat hij aan de telefoon heeft gezegd dat hij met zijn ex-partner ‘een woning’ bezat. De rechtbank overweegt dat verweerder uit die opmerking niet direct hoefde op te maken dat eiser over vermogen beschikte en overweegt dat voor verweerder ook geen verplichting bestond om eiser over de vermogensgrens te informeren, zodat ook in zoverre het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. 18. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een concrete toezegging door verweerder is gedaan. Ook in de gang van zaken zoals eiser die heeft beschreven, ligt geen toezegging van verweerder besloten. Voor zover al sprake zou zijn van een concrete toezegging door verweerder, zou die ook niet zijn gedaan met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet. Terugvordering 19. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat verweerder het volledige bedrag aan teveel ontvangen toeslagen terugvordert, omdat eiser in eerste instantie te hoge bedragen aan gemeenschapsgelden (in de vorm van voorschotten voor de toeslagen) heeft ontvangen. Dit is alleen anders als de nadelige gevolgen van terugvordering voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de terugvordering. Alleen in dat geval kan verweerder het bedrag van de terugvordering matigen. Dit staat in artikel 26 van de Awir. 20. Eiser stelt zich op het standpunt dat het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van het uitbetaalde kindgebonden budget onevenredig is, omdat het niet aan eiser te wijten is dat er een bedrag aan hem is uitbetaald. Eiser voert aan dat hij het kindgebonden budget niet zelf heeft aangevraagd en dat hij zich na de toekenning van het kindgebonden budget voldoende heeft geprobeerd te inf