Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-10-15
ECLI:NL:RBNHO:2025:11872
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
6,950 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 7001524 \ CV EXPL 18-4939
Uitspraakdatum: 15 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1], wonende te [plaats 1], Duitsland2. [eiser 2], wonende te [plaats 2], Duitsland
3. [eiser 3]wonende te [plaats 3], Duitsland
4. [eiser 4]
5. [eiser 5]
6. [eiser 6]
7. [eiser 7]
8. [eiser 8]
allen wonende te [plaats 2], Duitsland
9. [eiser 9]wonende te [plaats 4], Duitsland
10. [eiser 10]wonende te [plaats 2], Duitsland
11. [eiser 11]wonende te [plaats 5], Duitsland
12. [eiser 12]
13. [eiser 13]
14. [eiser 14]
allen wonende te [plaats 2], Duitsland
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KLM Cityhopper B.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk een latere opgelegde vertrektijd aan een voorgaande vlucht door de luchtverkeersleiding. Vanwege de gemotiveerde betwisting door de passagiers, heeft hij echter onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de luchtverkeersleiding ook een latere vertrektijd zou hebben opgelegd als het toestel tijdig gereed had gestaan voor vertrek. Het toestel stond niet tijdig gereed omdat de piloten niet op tijd aanwezig waren, hetgeen geen buitengewone omstandigheid is. Daarom staat niet vast dat de vervoerder geen invloed had op de vertraging. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- het tussenvonnis van 9 juli 2025 waarin mondelinge behandeling is bepaald;- de mondelinge behandeling van 23 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 19 mei 2017 vervoeren van Trondheim, Noorwegen, via Amsterdam-Schiphol Airport, naar Bremen, Duitsland, met vluchtcombinatie KL1176 en KL1761.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht KL1176 van Trondheim naar Amsterdam (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 3.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 544,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.
4.3.
De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Amsterdam – Trondheim – Amsterdam (vluchtnummers KL1175 en KL1176). Vlucht KL1175 van Amsterdam naar Trondheim liep een vertraging op van 23 minuten omdat de piloten niet tijdig aanwezig waren. Voor dit gedeelte van de vertraging doet de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden. Vervolgens kreeg het toestel geen toestemming van de luchtverkeersleiding om van de gate te vertrekken. Dit heeft voor één uur extra vertraging gezorgd. Vlucht KL1175 is daardoor met 1 uur en 23 minuten vertraging uitgevoerd.
4.4.
Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie, waardoor deze met 1 uur en 21 minuten vertraging is vertrokken. Uiteindelijk is de vlucht in kwestie met een vertraging van 1 uur en 33 minuten uitgevoerd. Hierdoor hebben de passagiers hun aansluitende vlucht naar de eindbestemming gemist, aldus de vervoerder.
4.5.
Als onbetwist staat vast dat de vertraging van de vlucht in kwestie voor de duur van 1 uur en 21 minuten het gevolg was van de doorwerking van de vertraging van de voorgaande vlucht KL1175. De vervoerder heeft niet toegelicht waarom de uiteindelijke vertraging van de vlucht in kwestie vervolgens is opgelopen tot 1 uur en 33 minuten. Dit betekent dat de resterende 12 minuten vertraging van de vlucht in kwestie in ieder geval niet het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden.
4.6.
Voor wat betreft de vertraging van de voorgaande vlucht KL1175, geldt dat de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden heeft gedaan voor het gedeelte van de vertraging van 23 minuten vanwege het niet tijdig aanwezig zijn van de piloten. Vast staat dat het resterende uur vertraging van vlucht KL1175 werd veroorzaakt door een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. Slechts in geschil is in hoeverre deze laatste vertragingsoorzaak heeft te gelden als een buitengewone omstandigheid.
4.7.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat de vervoerder vanwege de afwezigheid van de piloten haar verwachte vertrektijd (‘Estimated Off Block Time’, hierna: EOBT) moest wijzigen. Op het moment dat de bemanning van een toestel een latere EOBT doorgeeft, moet dit toestel van de luchtverkeersleiding achter in de rij aansluiten. Vervolgens heeft de luchtverkeersleiding een latere vertrektijd aan het toestel opgelegd. Daarom was het aan de vervoerder zelf te wijten dat vlucht KL1175 een latere vertrektijd kreeg opgelegd, aldus de passagiers.
4.8.
De vervoerder heeft daarop een e-mail van de luchtverkeersleiding overgelegd. Deze luidt, voor zover relevant als volgt:“[De vlucht] had een oorspronkelijke vertrektijd van 12:35 UTC, oftewel 14:35 uur lokale tijd (UTC + 2 uur). De geplande vertrektijd is rond 12:20 UTC aangepast naar 13:00 UTC door een eerdere vertraging. De TSAT van de vlucht is rond 13:00 UTC opgelopen naar 14:00 UTC. De TSAT is daarna nauwelijks meer gewijzigd, de laatste TSAT was 13:58 UTC. De vlucht is om 13:59 UTC vertrokken vanaf de gate (…).”
4.9.
Volgens de vervoerder blijkt uit deze e-mail dat het toestel een zeer late vertrektijd van de luchtverkeersleiding heeft gekregen omdat er sprake was van beperkt luchtverkeer, waardoor er lange vertragingen ontstonden. Deze latere opgelegde vertrektijd staat daarmee los van de eerdere vertraging, aldus de vervoerder.
4.10.
Op de mondelinge behandeling hebben de passagiers dit betwist. Zij voeren aan dat de latere vertrektijd pas om 13:00 uur UTC is opgelegd, terwijl de vlucht volgens schema al 25 minuten eerder vertrokken had moeten zijn. Dit toont daarom niet aan dat de latere vertrektijd ook zou zijn opgelegd als de vervoerder zelf geen latere EOBT had doorgegeven.
4.11.
De vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat het niet mogelijk is voor een vlucht om zonder klaring van de luchtverkeersleiding te vertrekken. Het is daarom verplicht om vóór de uitvoering van een vlucht een vliegplan in te dienen bij de lokale luchtverkeersleiding. Dit kan tot ongeveer drie uur voor de geplande vertrektijd worden gedaan. Onderdeel van dit vliegplan is de verwachte vertrektijd (EOBT). Vervolgens krijgt de Nederlandse luchtverkeersleiding de geplande vluchten pas kort voor vertrek in hun systeem te zien. Er is namelijk sprake van een steeds wijzigende situatie op de luchthaven. Er is dus geen dagplanning en er zijn ook geen ‘rijen’ bij de luchtverkeersleiding. Vervolgens zorgt de bemanning van een toestel dat het toestel rond de EOBT gereed staat voor vertrek. Als het toestel niet tijdig klaar staat, verstuurt de bemanning een gewijzigde EOBT naar de luchtverkeersleiding. Onder normale omstandigheden zal het toestel vervolgens op het tijdstip van de gewijzigde EOBT de klaring van de luchtverkeersleiding ontvangen om te vertrekken.
4.12.
De luchtverkeersleiding van Schiphol werkt daarnaast met een systeem van ‘Target Start Up Approval Times’ (hierna: TSAT’s). Een TSAT is een tijdvak van ongeveer 5 minuten waarbinnen de bemanning van een toestel de luchtverkeersleiding mag oproepen om een klaring te krijgen om te vertrekken. Een TSAT wordt 40 minuten voor het vertrek van een vlucht vastgesteld. Onder normale omstandigheden is de TSAT vrijwel gelijk aan de verwachte vertrektijd (EOBT) van de vlucht. Als er een gewijzigde EOBT wordt verstuurd door de bemanning van het toestel, krijgt dit toestel ook een nieuwe TSAT van de luchtverkeersleiding, die meestal vrijwel gelijk zal zijn aan de gewijzigde EOBT.
4.13.
Indien er om welke reden dan ook meer luchtverkeer is dan de luchtverkeersleiding op dat moment kan verwerken, kan zij ook een latere TSAT opleggen aan een toestel. Deze latere TSAT wordt echter altijd veroorzaakt door omstandigheden op de luchthaven, zoals drukte of slechte weersomstandigheden. Het opleggen van een TSAT is dus nooit het gevolg van omstandigheden op een specifieke vlucht, aldus de vervoerder.
4.14.
De kantonrechter overweegt dat het aan de vervoerder is om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Als onbetwist staat vast dat de vertraging van vlucht KL1175 voor de duur van één uur het gevolg was van een latere opgelegde vertrektijd (TSAT) door de luchtverkeersleiding. De vervoerder heeft voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat het besluit van de luchtverkeersleiding om een latere TSAT op te leggen aan een toestel in beginsel los staat van de omstandigheden van die specifieke vluchtzoals de doorgegeven verwachte vertrektijd (EOBT) van die vlucht. Daarnaast heeft hij voldoende onderbouwd dat het doorgeven van een latere EOBT niet leidt tot het achteraan moeten aansluiten in een ‘rij’ op de luchthaven.
4.15.
Vanwege de gemotiveerde betwisting door de passagiers heeft de vervoerder echter onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat vlucht KL1175 ook geconfronteerd zou zijn met een latere opgelegde TSAT als het toestel wél tijdig gereed zou hebben gestaan voor vertrek. Deze TSAT wordt immers al 40 minuten voor de geplande vertrektijd vastgesteld door de luchtverkeersleiding.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 4.044,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.500,00 vanaf 19 mei 2017, en over € 544,50 vanaf 20 maart 2018, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 98,01;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 813,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 135,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 7 van de Verordening.
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
Artikel 6:83 sub b BW
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 7001524 \ CV EXPL 18-4939
Uitspraakdatum: 15 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1], wonende te [plaats 1], Duitsland2. [eiser 2], wonende te [plaats 2], Duitsland
3. [eiser 3]wonende te [plaats 3], Duitsland
4. [eiser 4]
5. [eiser 5]
6. [eiser 6]
7. [eiser 7]
8. [eiser 8]
allen wonende te [plaats 2], Duitsland
9. [eiser 9]wonende te [plaats 4], Duitsland
10. [eiser 10]wonende te [plaats 2], Duitsland
11. [eiser 11]wonende te [plaats 5], Duitsland
12. [eiser 12]
13. [eiser 13]
14. [eiser 14]
allen wonende te [plaats 2], Duitsland
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KLM Cityhopper B.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk een latere opgelegde vertrektijd aan een voorgaande vlucht door de luchtverkeersleiding. Vanwege de gemotiveerde betwisting door de passagiers, heeft hij echter onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de luchtverkeersleiding ook een latere vertrektijd zou hebben opgelegd als het toestel tijdig gereed had gestaan voor vertrek. Het toestel stond niet tijdig gereed omdat de piloten niet op tijd aanwezig waren, hetgeen geen buitengewone omstandigheid is. Daarom staat niet vast dat de vervoerder geen invloed had op de vertraging. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- het tussenvonnis van 9 juli 2025 waarin mondelinge behandeling is bepaald;- de mondelinge behandeling van 23 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 19 mei 2017 vervoeren van Trondheim, Noorwegen, via Amsterdam-Schiphol Airport, naar Bremen, Duitsland, met vluchtcombinatie KL1176 en KL1761.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht KL1176 van Trondheim naar Amsterdam (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 3.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 544,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.
4.3.
De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Amsterdam – Trondheim – Amsterdam (vluchtnummers KL1175 en KL1176). Vlucht KL1175 van Amsterdam naar Trondheim liep een vertraging op van 23 minuten omdat de piloten niet tijdig aanwezig waren. Voor dit gedeelte van de vertraging doet de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden. Vervolgens kreeg het toestel geen toestemming van de luchtverkeersleiding om van de gate te vertrekken. Dit heeft voor één uur extra vertraging gezorgd. Vlucht KL1175 is daardoor met 1 uur en 23 minuten vertraging uitgevoerd.
4.4.
Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie, waardoor deze met 1 uur en 21 minuten vertraging is vertrokken. Uiteindelijk is de vlucht in kwestie met een vertraging van 1 uur en 33 minuten uitgevoerd. Hierdoor hebben de passagiers hun aansluitende vlucht naar de eindbestemming gemist, aldus de vervoerder.
4.5.
Als onbetwist staat vast dat de vertraging van de vlucht in kwestie voor de duur van 1 uur en 21 minuten het gevolg was van de doorwerking van de vertraging van de voorgaande vlucht KL1175. De vervoerder heeft niet toegelicht waarom de uiteindelijke vertraging van de vlucht in kwestie vervolgens is opgelopen tot 1 uur en 33 minuten. Dit betekent dat de resterende 12 minuten vertraging van de vlucht in kwestie in ieder geval niet het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden.
4.6.
Voor wat betreft de vertraging van de voorgaande vlucht KL1175, geldt dat de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden heeft gedaan voor het gedeelte van de vertraging van 23 minuten vanwege het niet tijdig aanwezig zijn van de piloten. Vast staat dat het resterende uur vertraging van vlucht KL1175 werd veroorzaakt door een latere opgelegde vertrektijd door de luchtverkeersleiding. Slechts in geschil is in hoeverre deze laatste vertragingsoorzaak heeft te gelden als een buitengewone omstandigheid.
4.7.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat de vervoerder vanwege de afwezigheid van de piloten haar verwachte vertrektijd (‘Estimated Off Block Time’, hierna: EOBT) moest wijzigen. Op het moment dat de bemanning van een toestel een latere EOBT doorgeeft, moet dit toestel van de luchtverkeersleiding achter in de rij aansluiten. Vervolgens heeft de luchtverkeersleiding een latere vertrektijd aan het toestel opgelegd. Daarom was het aan de vervoerder zelf te wijten dat vlucht KL1175 een latere vertrektijd kreeg opgelegd, aldus de passagiers.
4.8.
De vervoerder heeft daarop een e-mail van de luchtverkeersleiding overgelegd. Deze luidt, voor zover relevant als volgt:“[De vlucht] had een oorspronkelijke vertrektijd van 12:35 UTC, oftewel 14:35 uur lokale tijd (UTC + 2 uur). De geplande vertrektijd is rond 12:20 UTC aangepast naar 13:00 UTC door een eerdere vertraging. De TSAT van de vlucht is rond 13:00 UTC opgelopen naar 14:00 UTC. De TSAT is daarna nauwelijks meer gewijzigd, de laatste TSAT was 13:58 UTC. De vlucht is om 13:59 UTC vertrokken vanaf de gate (…).”
4.9.
Volgens de vervoerder blijkt uit deze e-mail dat het toestel een zeer late vertrektijd van de luchtverkeersleiding heeft gekregen omdat er sprake was van beperkt luchtverkeer, waardoor er lange vertragingen ontstonden. Deze latere opgelegde vertrektijd staat daarmee los van de eerdere vertraging, aldus de vervoerder.
4.10.
Op de mondelinge behandeling hebben de passagiers dit betwist. Zij voeren aan dat de latere vertrektijd pas om 13:00 uur UTC is opgelegd, terwijl de vlucht volgens schema al 25 minuten eerder vertrokken had moeten zijn. Dit toont daarom niet aan dat de latere vertrektijd ook zou zijn opgelegd als de vervoerder zelf geen latere EOBT had doorgegeven.
4.11.
De vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat het niet mogelijk is voor een vlucht om zonder klaring van de luchtverkeersleiding te vertrekken. Het is daarom verplicht om vóór de uitvoering van een vlucht een vliegplan in te dienen bij de lokale luchtverkeersleiding. Dit kan tot ongeveer drie uur voor de geplande vertrektijd worden gedaan. Onderdeel van dit vliegplan is de verwachte vertrektijd (EOBT). Vervolgens krijgt de Nederlandse luchtverkeersleiding de geplande vluchten pas kort voor vertrek in hun systeem te zien. Er is namelijk sprake van een steeds wijzigende situatie op de luchthaven. Er is dus geen dagplanning en er zijn ook geen ‘rijen’ bij de luchtverkeersleiding. Vervolgens zorgt de bemanning van een toestel dat het toestel rond de EOBT gereed staat voor vertrek. Als het toestel niet tijdig klaar staat, verstuurt de bemanning een gewijzigde EOBT naar de luchtverkeersleiding. Onder normale omstandigheden zal het toestel vervolgens op het tijdstip van de gewijzigde EOBT de klaring van de luchtverkeersleiding ontvangen om te vertrekken.
4.12.
De luchtverkeersleiding van Schiphol werkt daarnaast met een systeem van ‘Target Start Up Approval Times’ (hierna: TSAT’s). Een TSAT is een tijdvak van ongeveer 5 minuten waarbinnen de bemanning van een toestel de luchtverkeersleiding mag oproepen om een klaring te krijgen om te vertrekken. Een TSAT wordt 40 minuten voor het vertrek van een vlucht vastgesteld. Onder normale omstandigheden is de TSAT vrijwel gelijk aan de verwachte vertrektijd (EOBT) van de vlucht. Als er een gewijzigde EOBT wordt verstuurd door de bemanning van het toestel, krijgt dit toestel ook een nieuwe TSAT van de luchtverkeersleiding, die meestal vrijwel gelijk zal zijn aan de gewijzigde EOBT.
4.13.
Indien er om welke reden dan ook meer luchtverkeer is dan de luchtverkeersleiding op dat moment kan verwerken, kan zij ook een latere TSAT opleggen aan een toestel. Deze latere TSAT wordt echter altijd veroorzaakt door omstandigheden op de luchthaven, zoals drukte of slechte weersomstandigheden. Het opleggen van een TSAT is dus nooit het gevolg van omstandigheden op een specifieke vlucht, aldus de vervoerder.
4.14.
De kantonrechter overweegt dat het aan de vervoerder is om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Als onbetwist staat vast dat de vertraging van vlucht KL1175 voor de duur van één uur het gevolg was van een latere opgelegde vertrektijd (TSAT) door de luchtverkeersleiding. De vervoerder heeft voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat het besluit van de luchtverkeersleiding om een latere TSAT op te leggen aan een toestel in beginsel los staat van de omstandigheden van die specifieke vluchtzoals de doorgegeven verwachte vertrektijd (EOBT) van die vlucht. Daarnaast heeft hij voldoende onderbouwd dat het doorgeven van een latere EOBT niet leidt tot het achteraan moeten aansluiten in een ‘rij’ op de luchthaven.
4.15.
Vanwege de gemotiveerde betwisting door de passagiers heeft de vervoerder echter onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat vlucht KL1175 ook geconfronteerd zou zijn met een latere opgelegde TSAT als het toestel wél tijdig gereed zou hebben gestaan voor vertrek. Deze TSAT wordt immers al 40 minuten voor de geplande vertrektijd vastgesteld door de luchtverkeersleiding.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 4.044,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.500,00 vanaf 19 mei 2017, en over € 544,50 vanaf 20 maart 2018, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 98,01;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 813,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 135,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 7 van de Verordening.
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
Artikel 6:83 sub b BW