Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:11646
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,613 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/360311 / JU RK 24-1915
Datum uitspraak: 22 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J.J. Jorna, kantoorhoudende in Den Helder,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Alkmaar.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 19 december 2024;
de beschikking van deze rechtbank over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van 8 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
Ten behoeve van de ouders was een tolk in de [taal] taal aanwezig.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 31 oktober 2024 heeft de kinderrechter van deze rechtbank [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en is de behandeling van het verzoek bepaald op 8 november 2024 teneinde de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.
2.3.
Ook heeft de kinderrechter bij beschikking van 31 oktober 2024 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden tot 8 november 2024.
2.4.
Bij beschikking van 8 november 2024 heeft de kinderrechter van deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 31 januari 2025.
2.5.
[de minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging in een gezinshuis in de omgeving van Nijmegen.
2.6.
[de minderjarige] en de ouders hebben de [nationaliteit] nationaliteit.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinshuis te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de Raad het volgende naar voren gebracht.
de ondertoezichtstelling
3.2.
Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] . Toen [de minderjarige] uit huis werd geplaatst, verbleef hij bij de ouders in een zeer vervuilde omgeving. Daarnaast bleek dat [de minderjarige] een forse ontwikkelingsachterstand heeft. [de minderjarige] praat bijvoorbeeld (vrijwel) niet, maakt veel minder contact met anderen dan zijn leeftijdsgenoten en hij laat fysiek onrustig gedrag zien. Daarnaast is [de minderjarige] niet zindelijk en zijn persoonlijke verzorging was ten tijde van de uithuisplaatsing onvoldoende. Door het gezinshuis waar [de minderjarige] nu verblijft, wordt opgemerkt dat verzorgingstaken veel spanning en angst bij [de minderjarige] oproepen. De snelle ontwikkeling die [de minderjarige] in het gezinshuis laat zien, geeft reden tot extra zorgen over de opvoedomgeving bij de ouders waarin [de minderjarige] eerder verbleef. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat er bij [de minderjarige] sprake is van kind-eigenproblematiek, was de situatie in de woning dusdanig zorgelijk dat het goed denkbaar is dat [de minderjarige] in die omgeving nooit de verzorging, structuur en stimulans heeft gekregen die hij (meer dan een gemiddelde kind) nodig heeft. Een andere zorg is dat [de minderjarige] de vader sinds de uithuisplaatsing niet meer heeft gezien. Deze plotselinge verandering moet heftig zijn voor [de minderjarige] , omdat de vader eerst wel betrokken was bij zijn leven. Aangezien de vader zich afzijdig houdt van de situatie, is er geen zicht op het functioneren van de vader en zijn mogelijkheden en beperkingen in de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] .
3.3.
Ondanks de goede wil van moeder en haar bereidheid tot het accepteren van hulp, heeft de Raad de indruk dat de moeder de situatie nog altijd als minder ernstig beoordeelt dan de betrokken professionals. Daarbij vindt de Raad het belangrijk om op te merken dat de moeder lange tijd om hulp heeft gevraagd, maar dat dit door nalatigheid van de gemeente nauwelijks geboden is. De moeder heeft intensieve ondersteuning en begeleiding nodig gericht op het dagelijks leven en het huishouden en om te leren hoe zij structuur kan aanbrengen in de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . Ook is er hulp nodig om de ontwikkeling van [de minderjarige] te stimuleren en zo goed mogelijk aan te sluiten bij zijn behoeften. Verder vindt de Raad het belangrijk dat [de minderjarige] zo snel mogelijk, in eerste instantie onder begeleiding, de vader weer gaat zien. De Raad acht de termijn van een jaar voor de ondertoezichtstelling passend gezien de forse ontwikkelingsachterstand van [de minderjarige] en de ernst van de situatie. De verwachting is dat er langdurige en intensieve begeleiding nodig is.
machtiging tot uithuisplaatsing
3.4.
Hoewel de moeder zich inzet om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] zo snel mogelijk weer thuis kan komen wonen, moet hiervoor nog veel geregeld worden. Er moet een woning komen waar het schoon en veilig is voor [de minderjarige] om in te verblijven. Dit is tot op heden nog niet gelukt vanwege de lange wachtlijsten. Ook moet de noodzakelijke hulpverlening worden ingezet. De Raad acht het in het belang van [de minderjarige] dat er stapsgewijs wordt toegewerkt naar een terugkeer naar huis. Het is belangrijk dat de vader hierbij wordt betrokken. In die fase moet er goed gemonitord worden of het de ouders voldoende lukt om [de minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. Indien het de moeder niet lukt om een veilige woonplek te realiseren, is de Raad het met de GI en de moeder eens dat een verblijf in een moeder-kindhuis een passend alternatief zou kunnen zijn. De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] uit te spreken voor een periode van negen maanden. Deze periode geeft ruimte om de noodzakelijke hulp in te zetten, de ontwikkeling van [de minderjarige] en de ontwikkeling van de moeder als opvoeder en verzorger te volgen en [de minderjarige] , indien mogelijk, gefaseerd naar huis te laten terugkeren.
4De standpunten
het standpunt van de moeder
4.1.
De moeder verzet zich niet tegen de verzoeken. De moeder ziet liever dat [de minderjarige] terug naar huis komt, maar beseft dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is gezien de omstandigheden. De moeder is blij dat de hulpverlening inmiddels is opgestart. De moeder heeft immers vaak om hulp gevraagd, maar de gemeente heeft nagelaten om deze hulp te bieden. Verder ervaart de moeder het contact met de GI als positief. De moeder werkt hard aan zichzelf en wil er alles aan doen om samen met de hulpverlening te werken aan de terugplaatsing van [de minderjarige] .
het standpunt van de vader
4.2.
De vader kan zich vinden in de verzoeken. De vader wil liever dat [de minderjarige] terugkeert naar huis, maar beseft ook dat de situatie erg zorgelijk was en dat hulpverlening noodzakelijk is. De vader ziet [de minderjarige] op dit moment niet, omdat hij vijf dagen per week werkt en er ook geld verdiend moet worden om de vaste lasten te betalen en schulden af te lossen. De vader merkt dat hij aan het veranderen is als vader. De vader wil graag een goede vader zijn voor [de minderjarige] en tijd aan hem besteden zodra dit kan.
het standpunt van de GI
4.3.
De GI brengt naar voren dat de GI een liefdevolle moeder ziet die welwillend is in het faciliteren van een goede plek voor [de minderjarige] en het accepteren van hulpverlening. De GI is aanwezig geweest bij een videogesprek tussen [de minderjarige] en de vader, waarbij ook een liefdevolle vader werd gezien die zich betrokken opstelt tegenover zijn zoon. Verder geeft de GI aan dat al meerdere moederkindhuizen zijn benaderd, maar tot op heden heeft de GI enkel teruggekoppeld gekregen dat de problematiek niet ernstig genoeg is of dat de moeder te oud is. Inmiddels staat de moeder wel op een wachtlijst bij Parlan.
Beoordeling
bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Voordat wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek ten
aanzien van [de minderjarige] , dient door de omstandigheid dat de ouders en [de minderjarige] de [nationaliteit]
nationaliteit hebben eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter
rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek en of het Nederlandse recht hierop van
toepassing is. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt,
komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo artikel 7 Brussel II ter rechtsmacht toe ter zake van het verzoek. Daarnaast is op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het
verzoek van toepassing.
ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.2.
Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting besproken, is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255 BW. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] heeft bij de ouders in een ernstig vervuilde en vervallen woning verbleven, waarbij [de minderjarige] niet de basale verzorging en structuur heeft gehad die hij nodig heeft. De woning was onveilig en ongezond om in te verblijven en de ouders zijn zodoende ernstig tekortgeschoten in de zorg voor [de minderjarige] . Het is duidelijk geworden dat [de minderjarige] een specifieke zorgbehoefte heeft en een forse ontwikkelingsachterstand. Hoewel er ook aanwijzingen zijn voor kindeigen problematiek (vermoedelijk autisme), is het aannemelijk dat [de minderjarige] mede door de zorgelijke opvoedsituatie onvoldoende is toegekomen aan zijn ontwikkeling. Positief is dat [de minderjarige] op dit moment stappen zet in zijn ontwikkeling.
5.4.
Hoewel de kinderrechter opmerkt dat de moeder zich meermaals heeft ingespannen om hulp te regelen, is het de ouders op het moment dat de zorgen heel groot waren in de thuissituatie niet gelukt om daar adequaat naar te handelen. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat ook onvoldoende duidelijk is hoe het zo ver heeft kunnen komen in de thuissituatie en wat exact de rol van de vader hierin is. Dat de situatie geheel het gevolg is geweest van de ADHD van de moeder acht de kinderrechter onwaarschijnlijk en de kinderrechter stelt vast dat er op het adres van de ouders meerdere meldingen zijn geweest over andersoortige problematiek. [de minderjarige] en de vader hebben sinds de uithuisplaatsing slechts eenmaal contact gehad via beeldbellen en geen fysiek contact gehad. De vader lijkt min of meer uit beeld te zijn verdwenen op het moment dat de instanties betrokken raakten. Aangezien de vader hiervoor wel betrokken is geweest in het leven van [de minderjarige] , moet [de minderjarige] nu plotseling een hechtingsfiguur in zijn leven missen. Ook dat is zorgelijk nu het voor [de minderjarige] belangrijk is dat het contact met de vader structureel, betrouwbaar en voorspelbaar is.
5.5.
Vanwege de ongrijpbaarheid van wat er zich binnen het gezin afspeelt, de ernst van de zorgen en het feit dat de ouders niet in staat zijn gebleken adequaat te handelen toen zij hulp nodig hadden, acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI in het gedwongen kader betrokken blijft. De GI heeft de positie om noodzakelijke hulpverlening in te zetten en het belang van [de minderjarige] te waarborgen. Het is belangrijk dat in het kader van de ondertoezichtstelling wordt onderzocht wat zich precies binnen het gezin heeft afgespeeld en wat de rol van beide ouders is in deze situatie.
5.6.
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn:
- de zorgelijke opvoedomgeving waarin [de minderjarige] zich bevond en de zorgen over of de ouders voldoende kunnen aansluiten bij zijn zorg- en opvoedbehoeften;
- de ontwikkelingsachterstand van [de minderjarige] ;
- het ontbreken van contact tussen de vader en [de minderjarige] ; - het ontbreken van inzicht in en hulp/ondersteuning voor de (mogelijke) kindeigen problematiek van [de minderjarige] .
5.7.
De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Deze periode is noodzakelijk om een goed beeld te verkrijgen van de gezinssituatie en hierin structureel verbetering te brengen. De verwachting is dat er langdurige en intensieve begeleiding en monitoring nodig zal zijn om de veiligheid en gezonde ontwikkeling van [de minderjarige] in de toekomst te borgen.
5.8.
Gelet op voorgaande is het voor de kinderrechter ook duidelijk geworden dat [de minderjarige] niet thuis kan wonen. Hoewel de kinderrechter ziet dat de ouders veel van [de minderjarige] houden, zijn zij op dit moment niet in staat om [de minderjarige] een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden en aan te sluiten bij zijn specifieke zorgbehoefte. [de minderjarige] lijkt zich positief te ontwikkelen in het gezinshuis en hij krijgt hier de ondersteuning en stabiliteit die hij nodig heeft. De kinderrechter acht het daarom van belang dat [de minderjarige] hier de komende periode kan blijven wonen. De kinderrechter acht een termijn van negen maanden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk, omdat de terugkeer van [de minderjarige] naar huis zorgvuldig en stapsgewijs moet plaatsvinden. Bovendien moeten nog veel stappen worden gezet om een (structureel) veilige en stabiele opvoedsituatie voor [de minderjarige] te bewerkstelligen.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers tot 31 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) tot 31 oktober 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025 door mr. C. Maat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Bergmans als griffier, en op schrift gesteld op 7 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:265c, eerste lid, BW.