Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-13
ECLI:NL:RBNHO:2025:11598
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,584 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/353900 / JU RK 24-907
Datum uitspraak: 13 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
voorheen advocaat mr. B.J. de Groot, thans mr. P.J. van de Pol te Haarlem,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
voorheen advocaat mr. B.J. de Groot, thans mr. M. Verkijk te Haarlem,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 14 augustus 2024;
het onttrekkingsbericht van mr. B.J. de Groot van 12 december 2024;
- het gewijzigde verzoek, met bijlagen, van de Raad, binnengekomen bij de rechtbank op 13 december 2024;
- het rapport van de Raad van 13 december 2024.
1.2.
Op 13 januari 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
De ouders (bijgestaan door hun advocaten) zijn door de kinderechter gescheiden van elkaar gehoord.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 maart 2015 is [de minderjarige] onder toezicht
gesteld, welke ondertoezichtstelling steeds is verlengd en heeft geduurd tot 20 maart 2019.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] bij beschikking van 3 mei 2024 voorlopig onder toezicht
gesteld voor de duur van drie maanden. Vervolgens is [de minderjarige] door de kinderrechter definitief onder toezicht gesteld bij beschikking van 14 augustus 2024, tot 15 januari 2025.
2.3.
Tevens is bij beschikking van 3 mei 2024 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige]
uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, welke machtiging vervolgens bij beschikkingen van 16 mei 2024 en 26 juli 2024 is verlengd. Bij laatstgenoemde beschikking heeft de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling en tot (verlenging van de) uithuisplaatsing van [de minderjarige] met instemming van de ouders toegewezen tot
23 augustus 2024 en voor het overige aangehouden. De Raad heeft het resterende verzoek tot (verlenging van de) uithuisplaatsing ingetrokken, aangezien [de minderjarige] sinds 26 juli 2024 weer bij de ouders terug is geplaatst.
2.4.
Bij beschikking van 12 november 2024 is op verzoek van de GI een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen met ingang van 12 november 2024, voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 25 november 2024 is een aansluitende machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij een ouder met gezag (de moeder), voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 15 januari 2025.
2.5.
[de minderjarige] verblijft met zijn moeder op een bij de rechtbank bekend adres.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen tot 26 juli 2025. Ook verzoekt de Raad (naar de rechtbank begrijpt) verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij een ouder met gezag (de moeder) op een door de GI voldoende veilig bevonden locatie, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad onderbouwt dit als volgt. De Raad blijft bij het standpunt dat een ondertoezichtstelling voor [de minderjarige] noodzakelijk is. De ouders tonen vanaf het moment dat de Raad onderzoek is gaan doen, in juli 2024, betrokkenheid en inzet om de omstandigheden voor [de minderjarige] te verbeteren, maar het lukt hen samen niet om tot een verandering te komen. In de afgelopen zes maanden is gezien dat de ouders ruzie blijven maken in het bijzijn van [de minderjarige] . De GI heeft aangegeven over een aantal zaken onvoldoende duidelijkheid te hebben gekregen. Zo is niet duidelijk hoe het alcoholgebruik van de vader eruitziet, te weten wanneer en hoeveel de vader drinkt en wat zijn triggers zijn om te drinken. Ook blijft onduidelijk in welke mate er geweld is gebruikt in de thuissituatie toen de ouders samen waren. De moeder zegt dat zij door de vader met de dood bedreigd is. De vader betwist dit. De (vermeende) doodsbedreiging heeft ertoe geleid dat [de minderjarige] opnieuw uit huis is geplaatst en samen met de moeder naar een geheim adres is gebracht. De Raad is van mening dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige] noodzakelijk is omdat de veiligheid in de thuissituatie bij beide ouders op dit moment nog onvoldoende is / kan worden geborgd. De Raad vindt het wenselijk dat [de minderjarige] de komende periode bij de moeder zal verblijven. Hierbij vindt de Raad het ook belangrijk dat [de minderjarige] met (behulp van) begeleiding door de hulpverlening onbezorgd en fijn contact kan hebben met de vader. [de minderjarige] heeft veel meegemaakt en heeft hierdoor op verschillende plekken gewoond. De Raad gunt het [de minderjarige] dat hij in een stabiele omgeving terecht komt waar hij zich kan bezighouden met activiteiten die bij zijn leeftijd horen. De Raad kan zich voorstellen dat er dan ook meer ruimte komt voor het inzetten en volhouden van hulpverlening. Door de wisselingen in zijn omgeving komt dit nog onvoldoende van de grond. De Raad denkt dat de verzochte termijn voor de uithuisplaatsing nodig zal zijn om rust te creëren voor [de minderjarige] en een zorgvuldig plan te maken voor de toekomst van [de minderjarige] en ook dat deze termijn aanvaardbaar is voor [de minderjarige] om onzekerheid over zijn toekomstperspectief te verdragen.
3.3.
De Raad heeft ter zitting verder nog het volgende opgemerkt. [de minderjarige] heeft de afgelopen tien jaar veel meegemaakt. Voorkomen moet worden dat hij terug naar huis gaat en dan vervolgens weer weg moet. Het is daarom van belang dat er nu even een pas op de plaats gemaakt wordt en dat er goede veiligheidsafspraken komen. Mogelijk werkt de betrokkenheid van de advocaten daarbij ook stabiliserend.
4De standpunten
4.1.
De moeder is het eens met dan wel verzet zich niet tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Wat de verlenging van de uithuisplaatsing betreft heeft de moeder ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft de afgelopen periode meerdere keren van verblijfplaats moeten wisselen. Waar de moeder en [de minderjarige] nu verblijven is er niets te doen voor [de minderjarige] . De moeder had in rapport van de Raad gelezen dat de vader bereid is uit de woning te gaan. Daarom heeft de moeder gezegd dat zij in het belang van [de minderjarige] terug wil naar de woning, zodat [de minderjarige] weer naar school en rugby kan gaan en het contact met zijn vriendjes kan oppakken. Er heeft hierover overleg plaatsgevonden tussen de advocaten van partijen. Afgesproken is dat de vader na de zitting zijn spullen zal pakken en de woning zal verlaten zodat de moeder en [de minderjarige] terug kunnen keren naar de woning.
4.2.
De vader is het eens met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling en de plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. De vader wil graag dat de moeder en [de minderjarige] terugkeren naar de woning zodat [de minderjarige] weer naar school en rugby kan gaan. De vader beaamt dat hij dan bij [de halfbroer] , zijn meerderjarige zoon, zal verblijven. Hij benadrukt daarbij dat hij dan niet in de buurt van de woning, de school en het rugbyveld zal komen en dat hij de moeder ook niet zal bellen of e-mailen.
4.3.
De GI heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige] en de vader hebben nu wekelijks contact via beeldbellen. [de minderjarige] heeft bij de GI kenbaar gemaakt dit voor nu voldoende te vinden en nog geen behoefte te hebben aan fysiek contact. De GI is daags voor de zitting op de hoogte gesteld van de afspraken die de advocaten van de ouders hebben gemaakt over de terugkeer van de moeder en [de minderjarige] naar de woning. De GI staat hier niet achter. De vader heeft tijdens de eerdere uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij zijn halfbroer [de halfbroer] laten zien zich niet aan de veiligheidsafspraken te houden. Het gezin werkte toentertijd heel erg zicht belemmerend. De GI vreest dat dit nu weer gaat gebeuren. De GI staat nog steeds achter de plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder maar benadrukt daarbij dat de moeder zich wel aan de afspraken moet houden. De GI vindt de plek waar de moeder en [de minderjarige] nu verblijven veilig maar terugkeer naar de woning vooralsnog niet. De GI wil zo snel mogelijk met de ouders en de advocaten in gesprek gaan om veiligheidsafspraken te maken. De GI verwacht maximaal twee maanden nodig te hebben om uit te zoeken of het mogelijk is, en zo ja onder welke voorwaarden, om [de minderjarige] met de moeder terug te laten keren naar de woning.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige] tot 26 juli 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige bij een ouder met gezag (de moeder), op een door de GI voldoende veilig bevonden locatie, tot 26 juli 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.A Onderwater, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2025, in aanwezigheid van mr. F.M. van Koutrik als griffier, en op schrift gesteld op 24 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Feiten
De GI vindt het van belang dat [de minderjarige] traumatherapie krijgt omdat hij duidelijk laat merken dat hij met dingen zit. Daarvoor is het wel nodig dat er sprake is van een stabiele thuissituatie.
5De (verdere) beoordeling
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge het tweede lid van die bepaling kan de machtiging eveneens worden verleend op verzoek van de Raad.
In artikel 265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met een jaar kan verlengen en dat als de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, verlenging kan plaatsvinden op verzoek van de Raad.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat het [de minderjarige] al vanaf zijn geboorte ontbreekt aan een veilige en stabiele thuissituatie. [de minderjarige] is bij herhaling blootgesteld aan alcoholmisbruik en (daaruit voortvloeiend) verbaal en fysiek geweld tussen zijn ouders. [de minderjarige] heeft hier zelf over gezegd dat hij niet beter weet dan dat zijn ouders altijd ruzie maken en dat hij zich schaamt tegenover zijn vrienden die hier ook bij aanwezig zijn geweest. [de minderjarige] vindt het dan ook fijn dat er mensen betrokken zijn die zijn vader en moeder kunnen helpen om goede afspraken te maken om ruzies te voorkomen. Ter zitting is gebleken dat de ouders instemmen met dan wel zich niet verzetten tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling.
5.4.
Recent is de situatie tussen de ouders wederom dusdanig geëscaleerd dat een (spoed)uithuisplaatsing op een geheime locatie nodig is geweest om de veiligheid van [de minderjarige] en de moeder te waarborgen. De moeder en [de minderjarige] hebben de wens zo snel mogelijk terug te keren naar de woning zodat [de minderjarige] zijn leven weer op kan pakken. De vader onderschrijft deze wens en heeft zich bereid verklaard de woning (tijdelijk) te verlaten. Gebleken is dat de ouders hier met behulp van hun advocaten afspraken over hebben gemaakt maar dat zij de GI hier niet dan wel onvoldoende bij betrokken hebben. De kinderrechter is overeenkomstig de Raad en de GI van oordeel dat eerst nader onderzocht moet worden of het mogelijk is [de minderjarige] met de moeder terug te laten keren naar de woning en zo ja, welke veiligheidsafspraken daarvoor nodig zijn. Totdat daarover meer duidelijkheid is verkregen, acht de kinderrechter de bestaande verblijfssituatie van [de minderjarige] bij de moeder op de door de GI veilig bevonden (opvang)locatie de juiste. Voorkomen moet worden dat een overhaastte terugkeer tot nieuwe escalaties tussen de ouders leidt. De kinderrechter benadrukt daarbij dat het van belang is dat alle betrokkenen zo snel mogelijk met elkaar om tafel gaan. De huidige situatie waarin [de minderjarige] niet naar school en rugby kan en hij geen contact met zijn vrienden heeft, mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk is. Ook dient er aandacht te zijn voor de (on)mogelijkheden voor het contact tussen de vader en [de minderjarige] . Vooralsnog vindt dit alleen onder begeleiding van de GI via beeldbellen plaats.
5.5.
De kinderrechter benadrukt verder dat de situatie waarin [de minderjarige] tot op heden is opgegroeid uitermate schadelijk voor hem is geweest en dat hij hulpverlening nodig heeft om te verwerken wat hij heeft meegemaakt. Ook daarvoor is het noodzakelijk dat er zo snel mogelijk sprake is van een veilige en stabiele opvoedsituatie. De ouders dienen hun verantwoordelijkheid te nemen en hun eigen aandeel in de ontstane situatie onder ogen te zien om er voor te zorgen dat de hulpverlening die ook voor hen nodig is zo snel mogelijk wordt ingezet en ook kan worden benut.
5.6.
Op grond van al het hiervoor is overwogen, is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf bij de moeder op een door de GI veilig bevonden locatie nog aanwezig zijn. De kinderrechter zal de verzoeken van de Raad dan ook toewijzen.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.