Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-01-29
ECLI:NL:RBNHO:2025:11201
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,004 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/360607 / JU RK 25-6
Datum uitspraak: 29 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. H.I. Park, kantoorhoudende in Heerhugowaard,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. Y. Bruin, kantoorhoudende in Heerhugowaard.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 3 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de advocaat van de moeder mr. H.I. Park;
[vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (verder: de GI);
de advocaat van [de minderjarige] , mr. Bouwman bleek niet op de hoogte te zijn van de zitting, maar is via een telefonische verbinding aangesloten.
1.3.
[de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting, met telefonische bijstand van zijn raadsman, apart met de kinderrechter gesproken.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder, maar verblijft op dit moment in jeugddetentie in [JJI] .
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 26 november 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot aan zijn meerderjarigheid op 6 oktober 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen tot aan het einde van de ondertoezichtstelling, te weten, 6 oktober 2025, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige] heeft sinds juni 2024 geen dagbesteding en er is geen zicht op wat hij overdag doet en met wie hij omgaat. Er zijn grote zorgen over zijn beïnvloedbaarheid in combinatie met zijn gebrek aan zelfreflectie. Daarnaast laat [de minderjarige] zelfbepalend gedrag zien. [de minderjarige] heeft de hele dag sturing nodig om dagelijkse dingen op te pakken, zoals zijn basale verzorging. Hoewel de moeder openstaat voor hulpverlening, lukt het de moeder onvoldoende om [de minderjarige] te begrenzen en de nodige sturing te bieden. [de minderjarige] verblijft sinds de start van de ondertoezichtstelling in jeugddetentie in de justitiële jeugdinrichting [JJI] (hierna: JJI). In de JJI wordt opgemerkt dat de spanningen bij [de minderjarige] oplopen op het moment dat hij onduidelijkheid ervaart of als er sprake is van overvraging. Daarbij is [de minderjarige] bij binnenkomst in de JJI positief getest op cannabis en THC. Omdat er geen zicht is op [de minderjarige] , is er ook geen zicht op het cannabisgebruik van [de minderjarige] buiten de JJI.
3.3.
Vanuit de raadkamer gevangenhouding wordt -als onderdeel van een schorsingsplan- verzocht om een vervolgplek voor [de minderjarige] . Als er een passende vervolgplek beschikbaar is, kan schorsing van zijn voorlopige hechtenis worden overwogen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft tijdens de eerdere zitting bij over de ondertoezichtstelling aangegeven dat [de minderjarige] na zijn verblijf in detentie niet terug naar huis kan. Op het moment dat [de minderjarige] terugkeert naar huis, is de kans groot dat hij vervalt in zijn oude gedrag. De jeugdbeschermer acht daarom een machtiging tot uithuisplaatsing voor een plaatsing bij een drie milieuvoorziening of 24-uursvoorziening noodzakelijk.
3.4.
Op de zitting heeft de GI aangegeven dat er volgende week woensdag een intakegesprek zal plaatsvinden bij Inspire om te onderzoeken of dit een geschikte verblijfsplek voor [de minderjarige] is. Er zijn al veel aanmeldingen gedaan, maar er zijn contra-indicaties vanwege de problematiek van [de minderjarige] en de daaruit voortvloeiende begeleiding die hij nodig heeft. Het is voor [de minderjarige] van belang dat hij ondersteuning krijgt op alle leefgebieden.
3.5.
De GI verklaart desgevraagd zich te kunnen vinden in toewijzing van het verzoek voor een aantal maanden en aanhouding van het overige deel van het verzoek, zodat tussentijds een toets moment wordt ingelast waarbij meer duidelijkheid kan worden gegeven over de vervolgplek voor [de minderjarige] , al dan niet bij Inspire.
4De standpunten
Het standpunt van [de minderjarige]
4.1.
heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het niet zo leuk is bij [JJI] . [de minderjarige] gaat naar school, maar leert daar niet veel. Zodra [de minderjarige] [JJI] verlaat, wil hij gaan werken en naar school.
Het standpunt van de moeder
4.2.
De moeder is het eens met het verzoek. De moeder vindt het belangrijk om te benadrukken dat zij liever ziet dat [de minderjarige] terugkeert naar huis, maar zij beseft ook dat zij [de minderjarige] op dit moment niet de handvatten kan bieden die hij nodig heeft om zich positief te ontwikkelen. Hoewel de moeder begrijpt dat het lastig is om een geschikte plek te vinden, hoopt de moeder dat er met spoed een plek komt in de vorm van begeleid wonen voor [de minderjarige] .
Het standpunt van de vader
4.3.
Door en namens de vader is -samengevat- het volgende naar voren gebracht. De vader kan zich vinden in het verzoek. [de minderjarige] heeft op korte termijn hulp nodig. Er moeten gesprekken plaatsvinden met een psycholoog, zodat kan worden onderzocht hoe [de minderjarige] gericht kan worden geholpen. Het baart de vader zorgen dat er nog geen geschikte vervolgplek voor [de minderjarige] gevonden is.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
[de minderjarige] verblijft op dit moment wegens verdenking van een strafbaar feit in voorlopige hechtenis in een JJI. Duidelijk is dat [de minderjarige] vanuit daar niet terug kan keren naar huis. Er bestaan al langere tijd zorgen over [de minderjarige] op meerdere leefgebieden. Er is bij [de minderjarige] sprake van sterk zelfbepalend gedrag en de moeder is onvoldoende in staat om hem hierin te begrenzen. Ook is er weinig zicht op [de minderjarige] en lijkt hij erg beïnvloedbaar. [de minderjarige] heeft daarom sturing en begeleiding nodig bij het maken van de juiste keuzes en om niet terug te vallen in zijn oude gedrag. Tijdens de (straf)raadkamerzitting aangaande de verlenging van de gevangenhouding van [de minderjarige] is besproken dat zijn voorlopige hechtenis geschorst zou kunnen worden als er een geschikte verblijfsplek voor [de minderjarige] is gevonden.
5.3.
Duidelijk is dat het vanwege de complexe problematiek ingewikkeld is om een woonplek te vinden waar [de minderjarige] de behandeling en begeleiding kan krijgen die hij nodig heeft. Komende week is er een intakegesprek bij Inspire. De hoop is dat dit een passende plek is voor [de minderjarige] . Nu [de minderjarige] in ieder geval niet terug kan naar huis acht de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder noodzakelijk.
5.4.
Plaatsing bij Inspire is nog niet zeker en er is op dit moment dus nog geen duidelijkheid of er een passende vervolgplek voor [de minderjarige] voorhanden is en zo ja, waar dit zal zijn. Hierin ziet de kinderrechter aanleiding de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlenen voor de duur van drie maanden, te weten tot 29 april 2025, en de beslissing op het verzoek voor het overige aanhouden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, tot 29 april 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
6.3.
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting;
6.4.
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank de GI, de moeder en de vader zal oproepen om op de zitting te verschijnen;
6.5.
verzoekt de GI de kinderrechter uiterlijk twee weken voorafgaand aan de zitting schriftelijk te informeren over de actuele stand van zaken en of het verzoek voor het resterende deel wordt gehandhaafd.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025 door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Bergmans als griffier, en op schrift gesteld op 14 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.