Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-09-10
ECLI:NL:RBNHO:2025:11167
Civiel recht
Tussenuitspraak
3,842 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/351646 / HA ZA 24-223
Vonnis van 10 september 2025
in de zaak van
[de VvE]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
advocaat: mr. K. Kroon,
tegen
TDM BEHEER B.V.,
te Alkmaar,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TDM,
advocaat: mr. W.J. Aardema.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 april 2025
- de akte uitlaten van TDM
- de nadere akte (uitlaten deskundige) van de VvE
- de antwoordakte van TDM
- de antwoordakte van de VvE met bijlagen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis van 23 april 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank onder meer overwogen dat zij het nodig vindt dat (een) deskundige(n) de rechtbank gaat/gaan voorlichten, om in kaart te brengen of (en in welke mate) de wegen op [het recreatiepark] in de huidige staat voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk die gelden voor wegen op een recreatiepark (waarbij verder geen normen zijn afgesproken), en welke (herstel)werkzaamheden aan de wegen verricht moeten worden om aan die eisen wél te voldoen.
2.2.
Partijen zijn in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over:
- de wenselijkheid van een deskundigenbericht
- het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n)
- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
2.3.
De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat zij voorlopig van oordeel is dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bouwkunde / infrastructuur en dat aan die deskundige de volgende vragen moeten worden gesteld:
Voldoen de wegen op recreatiepark [het recreatiepark] aan de daarvoor geldende eisen van goed en deugdelijk werk?
Welke eisen/normen gelden hiervoor in het specifieke geval van wegen op een recreatiepark als [het recreatiepark] ?
Als u vraag 1 met “Nee” beantwoordt, welke (herstel)werkzaamheden moeten worden uitgevoerd om de wegen hieraan wel te laten voldoen? Kunt u een raming geven van de kosten die daarmee gemoeid zullen zijn?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
2.4.
Het aangekondigde deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen.
Mede gelet op het debat tussen partijen over de persoon en het specialisme van de deskundige(n) en de aan de deskundige te stellen vragen, zal de rechtbank de onder de beslissing vermelde deskundige benoemen. Aan deze deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt.
Persoon en specialisme van de deskundige
2.5.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis voorlopig geoordeeld dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bouwkunde / infrastructuur.
2.6.
Beide partijen hebben de rechtbank meegedeeld dat zij vinden dat kan worden volstaan met onderzoek door één deskundige. TDM heeft daarbij naar voren gebracht dat deze deskundig moet zijn op het gebied van bouwkunde / infrastructuur, althans het aanleggen van wegen en bestratingen. De VvE acht het van belang dat de deskundige beschikt over expertise op het vakgebied van de civiele techniek, in het domein van wegverhardingen en rioleringen op het gebied van schadeonderzoek in de civiele techniek en over juridische kennis van relevante wet- en regelgeving binnen het vakgebied. De VvE heeft voorgesteld een van drie door haar genoemde deskundigen te benoemen. TDM heeft zich tegen het benoemen van een van de genoemde deskundigen verzet. Ook heeft zij aangegeven zich niet te kunnen vinden in de aanvullende specialismen die de VvE heeft genoemd. Zij zegt dat voor de beantwoording van de voorliggende vragen expertise op het gebied van bouwkunde / infrastructuur voldoende is.
2.7.
De rechtbank ziet aanleiding om een deskundige op het gebied van Civiele Techniek (wegenbouw) te benoemen. Expertise in het domein van riolering is niet nodig. De rechtbank heeft in het tussenvonnis al een oordeel gegeven over de riolering. Het debat daarover is daarom afgesloten. De riolering valt buiten de opdracht aan de deskundige. Verder wordt de te benoemen deskundige geacht op de hoogte te zijn van eventuele van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Voor zover de VvE heeft bedoeld te zeggen dat de te benoemen deskundige juridische expertise moet hebben, overweegt de rechtbank dat het aan haar en niet aan de deskundige is om juridische oordelen te geven.
2.8.
Omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de deskundige, heeft de rechtbank zelf een deskundige op het gebied van bouwkunde / infrastructuur benaderd en bereid gevonden om het onderzoek te verrichten. De rechtbank zal deze deskundige benoemen.
Vragen
2.9.
Beide partijen hebben aanpassingen en aanvullingen voorgesteld op de in het tussenvonnis genoemde vragen.
2.10.
De VvE heeft in haar nadere akte aanvullende vragen geformuleerd. Zij wil ook de volgende vragen aan de deskundige voorleggen:
In hoeverre leidt waterafvoer (riolering en molgoten) tot schade aan de wegen, althans wat is de invloed van de waterafvoer op de schadeontwikkeling?
Zijn er gebreken in de aanleg van de wegen, zoals onvoldoende verdichting, ontbreken van wegendoek of een onjuiste laagdikte?
Zijn voldoende kantopsluitingen aangebracht die de wegverharding ondersteunen? Een en ander ook met het oog op de sloot die naast de weg is gelegen?
Zijn er verborgen gebreken die mogelijk later tot verdere schade kunnen leiden?
2.11.
De rechtbank ziet geen aanleiding om deze vragen toe te voegen. Het betreft specifieke vragen die naar het oordeel van de rechtbank vallen onder de reikwijdte van vraag 1. De rechtbank wil de deskundige niet bij voorbaat richten of beperken in zijn oordeel over de algemene vraag 1. Daarbij komt dat de VvE in de door haar voorgestelde vraag A de riolering heeft betrokken, terwijl zoals hiervoor is overwogen, de riolering buiten de opdracht aan de deskundige valt.
2.12.
De VvE heeft in haar antwoordakte (voorwaardelijk) voorgesteld om vraag 2 aan te vullen met de vraag of de door Prostijl gehanteerde RAW-norm een geschikte norm is om te beoordelen of de wegen voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk. De rechtbank ziet geen reden om vraag 2 in die zin te wijzigen. Het rapport van Prostijl ligt niet ter beoordeling voor. Het is juist aan de deskundige om te beoordelen welke normen van toepassing zijn.
2.13.
TDM heeft in haar akte uitlaten een nieuwe vraag 3 voorgesteld, die luidt “Welke informatie hebt u nodig om te komen tot uw oordeel?”. De rechtbank zal deze vraag niet toevoegen, omdat de deskundige het procesdossier krijgt, bij partijen stukken zal opvragen en ook overigens informatie kan inwinnen als hij dit voor het deskundigenonderzoek nodig acht.
2.14.
TDM heeft verder voorgesteld de volgende vragen toe te voegen
5. Bent u van mening dat er met betrekking tot de beantwoording van vraag 1 rekening gehouden moet worden met het gebruik door de VvE van één of meerdere wegen sinds de oplevering daarvan door TDM en zo ja op welke wijze beïnvloed dit het antwoord op vraag 3?
6. TDM heeft aangeboden (herstel)werkzaamheden uit te voeren en waartoe offertes zijn verkregen.
Dictum
De rechtbank
3.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
Voldoen de wegen op recreatiepark [het recreatiepark] aan de daarvoor geldende eisen van goed en deugdelijk werk?
Welke eisen/normen gelden hiervoor in het specifieke geval van wegen op een recreatiepark als [het recreatiepark] ? Als er geen normen zijn die specifiek gelden voor een (dergelijk) recreatiepark, welke normen zouden dan redelijkerwijs het meest voor de hand liggen om toe te passen?
Als u vraag 1 met “Nee” beantwoordt, welke (herstel)werkzaamheden moeten worden uitgevoerd om de wegen hieraan wel te laten voldoen? Kunt u een raming geven van de kosten die daarmee gemoeid zullen zijn?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
3.2.
benoemt tot deskundige:
Ing. Bart van den Elshout,
ONE Expertise BV
Reine Claude 15
4007 ZK Tiel
+31 (0)344-764567
+31 (0)6-52714900,
3.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
3.4.
bepaalt dat, indien partijen niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan de rechtbank kenbaar maken dat zij het niet eens zijn met de hoogte van het voorschot, de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige zal worden vastgesteld op
€ 5.263,50 (inclusief btw),
3.5.
bepaalt dat de VvE het voorschot moet overmaken binnen twee weken na de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.6.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
3.7.
bepaalt dat de VvE het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
3.8.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.9.
wijst de deskundige erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid moet bieden dit onderzoek bij te wonen; als slechts één partij (althans niet alle partijen) bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
- als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,
3.10.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
3.11.
draagt de deskundige op om uiterlijk vier maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
3.12.
wijst de deskundige erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.13.
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.14.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van woensdag 1 april 2026,
3.15.
draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of
- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van de VvE op een termijn van vier weken,
3.16.
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
3.17.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken door
mr. J.H. Gisolf op 10 september 2025.
CHL/MH