Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-09-25
ECLI:NL:RBNHO:2025:10974
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,266 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:10974 text/xml public 2026-02-13T11:04:07 2025-09-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-09-25 C/15/343410 / FA RK 23-4136 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:10974 text/html public 2026-02-13T11:03:56 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:10974 Rechtbank Noord-Holland , 25-09-2025 / C/15/343410 / FA RK 23-4136 Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Eenhoofdig gezag afgewezen. Verdeling. Verzoek om woning onverdeeld te laten (art. 3:178 BW) afgewezen. Man onvoldoende aangevoerd tegenover belang van de vrouw om over haar aandeel in de overwaarde te kunnen beschikken. Wijze van verdeling vastgesteld. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie en Jeugd locatie Haarlem zaaknummer / rekestnummer: C/15/343410 / FA RK 23-4136 en C/15/366096 / FA RK 25-2852 Beschikking d.d. 25 september 2025 betreffende de echtscheiding in de zaak van: [de vrouw] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. A.C. Mens, gevestigd te Hoofddorp, tegen [de man] , wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] , hierna te noemen de man, advocaat mr. M.J. Meijer, gevestigd te Haarlem. In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen: de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem, hierna te noemen: de Raad. Als belanghebbende is aangemerkt: de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2023; - het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 20 oktober 2023; - het verweerschrift op zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 7 november 2023; - nadere stukken van de man, ingekomen op 21 juli 2025; - het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 7 augustus 2025; - het verweerschrift van de man, ingekomen op 12 augustus 2025; - nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 12 augustus 2025. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. A.C. Mens; de man, bijgestaan door mr. M.J. Meijer; [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad; [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI. 1.3. De minderjarige [de minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. 2 De beoordeling 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [geboortedatum] te [plaats] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.2. Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] . 2.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 november 2023 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening onder meer de minderjarige aan de vrouw toevertrouwd, bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, is een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vastgesteld en is de beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van een onderzoek en advies van de Raad. 2.4. De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 juni 2024 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uitgesproken voor de duur van een jaar. 2.5. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 18 juli 2024 de beslissing over de zorgregeling verder aangehouden tot een nader te bepalen zitting in april 2025. 2.6. De rechtbank heeft blijkens het proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 21 mei 2025 de ondertoezichtstelling verlengd tot 21 mei 2026 en in het kader van de zorgregeling bepaald dat de minderjarige [de minderjarige] iedere woensdagmiddag drie uur begeleide omgang met de vader heeft op een neutrale plek. 2.7. Scheiding 2.7.1. De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 2.7.2. De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist. 2.7.3. Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv). 2.7.4. Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. 2.7.5. Ter zitting heeft de man verzocht het verzoek tot echtscheiding aan te houden, (mede) zodat de getroffen voorlopige voorzieningen in stand blijven. De vrouw heeft hiermee niet ingestemd en volhardt in haar standpunt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele wens van de man dat de voorlopige voorzieningen langer doorlopen, geen reden om de beslissing over de echtscheiding aan te houden. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom toewijzen als op de wet gegrond. 2.7.6. Het verzoek van de vrouw om het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten, zal worden afgewezen, omdat er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is. 2.8. Gezag 2.8.1. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het gezag over de minderjarige na echtscheiding alleen aan haar toekomt. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat zij niet meer in staat is met de man te communiceren. De man komt afspraken niet na en houdt hulpverlening tegen. De vrouw wil snel kunnen handelen in het belang van [de minderjarige] . 2.8.2. De man heeft daartegen als verweer gevoerd dat partijen, met ondersteuning van de GI, in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen over [de minderjarige] . De man acht het in het belang van [de minderjarige] dat beide ouders een gelijkwaardige rol hebben in zijn opvoeding. 2.8.3. De Raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het nog te vroeg is om het gezamenlijk gezag te beëindigen, maar dat het belangrijk is dat de ouders aan de slag gaan met de hulpverlening, omdat [de minderjarige] last heeft van de strijd en de nog onverwerkte emoties van zijn ouders. 2.8.4. De rechtbank overweegt dat de hoofdregel is dat ouders na echtscheiding het ouderlijk gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende aangetoond dat [de minderjarige] klem en verloren raakt tussen zijn ouders indien het gezamenlijk gezag in stand blijft. De vrouw heeft ook niet concreet gesteld op welke wijze zij wordt belemmerd in de uitoefening van haar gezag. Hoewel de rechtbank constateert dat sprake is van ernstige communicatieproblemen tussen partijen, is hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling ingezet, welke hulpverlening mede is gericht op het verbeteren van de onderlinge communicatie. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank op dit moment onvoldoende grond om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Het verzoek van de vrouw daartoe zal daarom worden afgewezen. 2.9. Verblijfplaats 2.9.1. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn. 2.9.2. De man heeft zich daartegen niet verweerd. 2.9.3. De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet. 2.10. Zorgregeling en informatieregeling 2.10.1.
Volledig
De man heeft verzocht een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen hem en de minderjarige vast te stellen, waarbij [de minderjarige] om de week bij de man verblijft vanaf zaterdag 12.00 uur (na de scouting) tot de week erna zaterdag (begin van de scouting). 2.10.2. Daarnaast heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw hem tenminste eenmaal per maand op de hoogte houdt van belangrijke aangelegenheden betreffende [de minderjarige] , zoals school, huisartsbezoeken, hobby’s, sporten en zijn verblijfplaats, op straffe van een dwangsom van € 250,- per maand indien de vrouw deze regeling niet nakomt. 2.10.3. De vrouw heeft zich hiertegen verweerd. Zij heeft verzocht te bepalen dat de man en [de minderjarige] iedere woensdag gedurende drie uur begeleide omgang met elkaar hebben op een neutrale locatie, waarbij de GI de regie heeft om naar een zorgregeling toe te werken op een tempo dat bij [de minderjarige] past. 2.10.4. De rechtbank overweegt dat is gebleken dat de man en [de minderjarige] op dit moment gedurende drie uur per week begeleid contact met elkaar hebben. Dit contact verloopt goed. Volgens de vrouw geniet [de minderjarige] van de contactmomenten met zijn vader en beide ouders zien dat de angst die hij voor de man had, (steeds meer) verdwijnt. De vrouw heeft zorgen over het gedrag dat [de minderjarige] bij haar thuis laat zien als hij terugkomt van de contactmomenten, maar zij stimuleert het contact en zal uitbreiding hiervan niet in de weg staan, mits dit onder regie van de GI plaatsvindt en het tempo van [de minderjarige] wordt gevolgd. Ook de man heeft erkend dat het belangrijk is dat het tempo van [de minderjarige] wordt aangehouden bij de vormgeving van het contact tussen hen. 2.10.5. De GI heeft toegelicht dat [de minderjarige] traumabehandeling (EMDR) zal krijgen en dat het belangrijk is dat gedurende deze behandeling de contactregeling stabiel blijft. Dit betekent dat uitbreiding van het contact voorlopig niet aan de orde is. 2.10.6. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vaststellen, inhoudende dat de man en [de minderjarige] gedurende drie uur per week op woensdagsmiddag begeleid contact met elkaar hebben op een neutrale plek en dat deze regeling wordt uitgebreid onder regie van de GI. Hierbij geldt dat het belang van [de minderjarige] en zijn belastbaarheid leidend zijn. De beslissing over de definitieve zorgregeling zal worden aangehouden, in afwachting van het verloop van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en dan met name de traumabehandeling die wordt ingezet voor [de minderjarige] . 2.10.7. Over de informatieregeling hebben partijen ter zitting ingestemd met een regeling waarbij de vrouw de man eenmaal per maand per e-mail zal informeren over [de minderjarige] . Zij zal hem daarbij niet alleen informeren over belangrijke aangelegenheden, maar ook over de dagelijkse bezigheden en interesses van [de minderjarige] , zodat de man tijdens de contactmomenten kan aansluiten bij de belevingswereld van [de minderjarige] . De man zal niet rechtstreeks reageren op de informatie die hij van de vrouw krijgt. Als de man aanvullende vragen heeft, zal hij deze via de betrokken hulpverlening vanuit de GI of Family Supporters stellen. Nu partijen bovenstaande informatieregeling samen zijn overeengekomen en de vrouw zich bereid heeft verklaard om deze regeling na te komen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom, zodat het verzoek van de man daartoe zal worden afgewezen. 2.11. Onderhoudsbijdrage 2.11.1. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 50,- per maand. 2.11.2. De man heeft zich daartegen verweerd, daartoe stellende dat de vrouw haar verzoek niet heeft onderbouwd met de benodigde financiële bescheiden om de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van partijen te kunnen vaststellen. Hij heeft onvoldoende draagkracht om de door de vrouw verzochte bijdrage te kunnen voldoen. De man is bereid een kinderbijdrage van € 25,- per maand te betalen. 2.11.3. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan de partij die een onderhoudsbijdrage verzoekt is om het verzoek te onderbouwen en de benodigde financiële bescheiden te overleggen. Hoewel de vrouw haar verzoek summier heeft onderbouwd, heeft zij ter zitting een en ander naar voren gebracht en zal de rechtbank gelet hierop en het feit dat het vaststellen van een kinderbijdrage een kwestie van openbare orde is, het verzoek inhoudelijk behandelen. 2.11.4. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt. Behoefte 2.11.5. De rechtbank zal voor de berekening van de behoefte van [de minderjarige] uitgaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen over 2023, zijnde het jaar waarin partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De vrouw heeft gesteld dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen € 2.700,- per maand bedroeg en dat de behoefte van [de minderjarige] circa € 350,- per maand bedraagt. De rechtbank gaat uit van het door de vrouw gestelde netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.700,- per maand, omdat dit bedrag niet, althans niet gemotiveerd, is weersproken door de man. De rechtbank berekent de behoefte van [de minderjarige] dan op € 342,- per maand in 2023, wat geïndexeerd naar 2025 neerkomt op € 387,- per maand. 2.11.6. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen op welke wijze deze kosten van het kind moeten worden verdeeld tussen de ouders. Draagkracht 2.11.7. De man ontvangt een WIA-uitkering. Volgens zijn uitkeringsspecificatie over de maand juli 2025 bedraagt zijn uitkering € 1.920,- bruto per maand, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld. Uitgaande van deze gegevens, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.586,- per maand. Nu dit netto besteedbaar inkomen lager is dan € 1.875,- per maand, gaat de rechtbank aan de zijde van de man uit van een minimale draagkracht van € 25,- per maand. 2.11.8. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting aan de zijde van de man, omdat het contact tussen de man en [de minderjarige] vooralsnog beperkt en onder begeleiding plaatsvindt en niet duidelijk is wanneer dit contact zodanig zal worden uitgebreid, dat een zorgkorting passend is. 2.11.9. De vrouw heeft ter zitting onbetwist gesteld dat zij een inkomen heeft van € 1.350,- per maand. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw lager is dan € 1.875,- per maand. Om die reden gaat de rechtbank ook aan de zijde van de vrouw uit van een minimale draagkracht van € 25,- per maand. 2.11.10. Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de draagkracht van [de minderjarige] , kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Partijen worden geacht hun volledige draagkracht te benutten om zoveel mogelijk in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. 2.11.11. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage zal bepalen van € 25,- per maand. 2.12. Woning 2.12.1. De man heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de man gesteld dat hij het wenselijk acht dat het contact tussen hem en [de minderjarige] zo lang mogelijk in de echtelijke woning kan plaatsvinden, omdat dit een voor [de minderjarige] vertrouwde omgeving is. Het belang van [de minderjarige] hierbij weegt zwaarder dan het belang van de vrouw om te kunnen beschikken over haar aandeel van de overwaarde van de woning. De man kan bovendien niet op korte termijn over andere woonruimte beschikken. Hij komt niet in aanmerking voor een sociale huurwoning en evenmin voor een urgentieverklaring. 2.12.2.
Volledig
De vrouw heeft daartegen als verweer aangevoerd dat zij er belang bij heeft dat de woning zo snel mogelijk wordt verkocht, zodat zij kan beschikken over haar aandeel in de overwaarde. Partijen kunnen de lasten van de echtelijke woning niet voldoen. De man heeft voldoende tijd gehad om andere woonruimte te zoeken, maar hij heeft niet aangetoond dat hij daar actief pogingen toe heeft gedaan. 2.12.3. Nu de vrouw niet zelf om het voortgezet gebruik van de woning heeft verzocht en zij voorts geen of onvoldoende zwaarwegende argumenten heeft aangevoerd die tot afwijzing van het verzoek van de man dienen te leiden, zal de rechtbank het voortgezet gebruik van de woning aan de man toewijzen. De enkele wens van de vrouw dat de woning zo snel mogelijk wordt verkocht, zodat partijen over hun aandeel in de overwaarde kunnen beschikken, is onvoldoende om het verzoek van de man af te wijzen. Toewijzing van het voortgezet gebruik van de woning aan de man, staat er overigens ook niet aan in de weg dat partijen alvast de nodige handelingen verrichten om tot verkoop van de woning over te gaan, met dien verstande dat de levering van de woning niet eerder zal kunnen plaatsvinden dan na ommekomst van de termijn van zes maanden (te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking). 2.13. Verdeling 2.13.1. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen, bestaande uit de echtelijke woning aan [adres] (en de daarop rustende hypothecaire lening) wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze. Peildatum 2.13.2. De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 21 augustus 2023. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling. 2.13.3. Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft de schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen. Bestanddelen Echtelijke woning aan [adres] (en de daarop rustende hypothecaire lening) 2.13.4. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Partijen hebben gesteld dat op de woning een hypothecaire geldlening rust. 2.13.5. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de echtelijke woning van partijen zal worden verkocht, waarbij de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt verdeeld. Zij heeft verzocht haar te machtigen om: opdracht te geven voor een bindende taxatie van de woning en de makelaar [makelaarskantoor] te [plaats] opdracht te geven voor verkoop; alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor de verkoop van de echtelijke woning, met de bepaling dat deze beschikking in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van de man. Daarnaast heeft de vrouw verzocht te bepalen dat: deze beschikking in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de onroerende zaak noodzakelijke toestemming en/of handelingen van de man; de hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning; de makelaarskosten en eventuele andere kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning worden betaald uit de verkoopopbrengst van de woning, en indien die onvoldoende blijkt, deze kosten bij helfte worden verdeeld; de man binnen vier dagen na een verzoek van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging, door de makelaar en de potentiële kopers toegang tot de woning te verlenen, op straffe van (naar de rechtbank begrijpt: een dwangsom van) € 200,- per dag dat de bezichtiging later is dan vier dagen; de man niet aanwezig mag zijn bij de bezichtigingen van de woning op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer; de man ervoor zorgdraagt dat de woning net en bezemschoon wordt opgeleverd. 2.13.6. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij heeft verzocht te bepalen dat de woning vooralsnog onverdeeld blijft, waarbij hij bereid is een gebruiksvergoeding van € 200,- per maand te voldoen aan de vrouw. 2.13.7. De rechtbank zal eerst het verzoek van de man beoordelen om te bepalen dat de woning onverdeeld blijft. Ingevolge artikel 3:178 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling uitsluiten, indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. 2.13.8. Het uitgangspunt van de wetgever is dat niemand kan worden gehouden om in een onverdeeldheid te blijven. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de wettekst van artikel 3:178 lid 3 BW worden afgeleid dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden van dit uitgangspunt kan worden afgeweken en kan worden bepaald dat de verdeling wordt uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden en overweegt daartoe als volgt. 2.13.9. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man aangevoerd dat hij in de echtelijke woning wil kunnen blijven, zodat de zorgregeling met [de minderjarige] in de voor het kind vertrouwde omgeving kan plaatsvinden. De man en [de minderjarige] hebben op dit moment echter begeleid contact gedurende drie uur per week op een neutrale plek en vaststaat dat dit contact voorlopig – in afwachting van de traumabehandeling van [de minderjarige] – niet zal worden uitgebreid, waardoor niet is te verwachten dat het contact tussen de man en [de minderjarige] binnen afzienbare tijd in de echtelijke woning zal plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit daarom geen reden vormen om de woning thans onverdeeld te laten. Verder heeft de man gesteld dat hij geen andere woonruimte kan vinden. De rechtbank stelt vast dat partijen sinds 2023 feitelijk uit elkaar zijn, wat betekent dat de man ruimschoots de tijd heeft gehad om op zoek te gaan naar andere woonruimte. Hij heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aangetoond welke pogingen hij daartoe reeds heeft ondernomen en dat deze pogingen op niets zijn uitgelopen. Bovendien kunnen beide partijen, in geval van verkoop van de woning, over hun aandeel in de overwaarde van de woning beschikken, welk aandeel de man vervolgens kan aanwenden om nieuwe woonruimte te financieren. Ook dit vormt dus geen reden om de woning onverdeeld te laten. Tegenover de door de man gestelde belangen, staat het belang van de vrouw om over haar aandeel in de overwaarde te kunnen beschikken, zodat zij haar leven opnieuw kan inrichten. De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft aangevoerd om de verdeling uit te sluiten, zodat zijn verzoek daartoe zal worden afgewezen. Het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding vast te stellen, kan gelet hierop buiten beschouwing blijven. 2.13.10. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om de verdeling uit te sluiten, zal de rechtbank op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW de wijze van verdeling gelasten zoals hierna vermeld, mede nu de man geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw terzake. 2.13.11. De rechtbank zal bepalen dat de partijen binnen veertien dagen na afgifte van deze beschikking hun medewerking dienen te verlenen aan taxatie van de woning door een makelaar van [makelaarskantoor] te [plaats] en het geven van een opdracht tot verkoop van de woning aan deze makelaar. De getaxeerde waarde is bindend voor partijen. 2.13.12. Indien de man zijn medewerking niet binnen de hierboven genoemde termijn heeft verleend, machtigt de rechtbank de vrouw om de opdracht tot taxatie en verkoop mede namens de man aan de makelaar te verstrekken.
Volledig
Daarnaast machtigt de rechtbank de vrouw om alle overige handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop van de woning te verrichten indien de man daaraan zijn medewerking niet verleent. 2.13.13. De rechtbank zal, overeenkomstig het verzoek van de vrouw, bepalen dat de man binnen vier dagen na een verzoek van de makelaar zijn medewerking dient te verlenen aan een bezichtiging door de makelaar en potentiële kopers toegang tot de woning te verlenen, op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag dat de bezichtiging later is dan vier dagen. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat de man niet aanwezig mag zijn bij de bezichtigingen van de woning, op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer dat hij zich hier niet aan houdt, alsmede dat de man de woning net en bezemschoon moet opleveren. 2.13.14. Ieder van partijen is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen. Na verkoop en overdracht van de woning wordt de verkoopopbrengst, na voldoening van de notariskosten en overige kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning en na aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire lening, gelijkelijk verdeeld tussen partijen, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dragen en voldoen. 2.13.15. Overeenkomstig het verzoek van de vrouw zal de rechtbank bepalen dat deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats treedt van de rechtshandelingen van de man die nodig zijn voor de verkoop, eigendomsoverdracht en levering van de woning. 2.14. Proceskosten 2.14.1. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ; 3.2. bepaalt dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw; 3.3. stelt de tijdelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast: de minderjarige [de minderjarige] heeft gedurende drie uur per week op woensdagmiddag begeleide omgang met de man op een neutrale plek, met de bepaling dat het contact onder regie van de GI zal worden uitgebreid; 3.4. stelt een informatieregeling vast, inhoudende dat de vrouw de man eenmaal per maand per e-mail informeert over de minderjarige [de minderjarige] , een en ander met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.10.7 is overwogen; 3.5. bepaalt dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] , gemeente [gemeente] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als hij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont; 3.6. bepaalt dat de man € 25,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarige, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; 3.7. gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap overeenkomstig hetgeen in de rechtsoverwegingen 2.13.11 tot en met 2.13.15 is overwogen; 3.8. verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de zorg- en informatieregeling, het voortgezet gebruik van de woning, de kinderbijdrage en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad; 3.9. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt; 3.10. wijst het meer of anders verzochte tot zover af; 3.11. houdt de beslissing over de definitieve zorgregeling pro forma aan tot 7 april 2026 , waarbij partijen de rechtbank schriftelijk dienen te informeren over het verloop van de hulpverlening, de stand van zaken en de door hen gewenste voortgang van de procedure. Deze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 25 september 2025. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.