Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-07-03
ECLI:NL:RBNHO:2025:10922
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
13,114 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/1301
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.T. Poort),
en
de Minister van Financiën, verweerder.
Procesverloop
Sociale Banken Nederland (SBN) heeft namens verweerder aan eiseres een definitieve beschikking voor het afbetalen van private schulden opgelegd.
Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar met dagtekening 29 februari 2024 het bezwaar van eiseres tegen deze beschikking niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft daartegen op 19 maart 2023 beroep bij de rechtbank ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van delen van de overgelegde stukken een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Eiseres heeft de rechtbank geen toestemming gegeven kennis te nemen van de ongeschoonde stukken.
Op 28 augustus 2024 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank beslist dat het verzoek van verweerder om beperkte kennisneming van de gedingstukken gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft in de onderhavige zaak geen kennisgenomen van de niet-geanonimiseerde stukken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2025.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] .
Feiten
1. Eiseres is gedupeerde van de Toeslagenaffaire.
2. Eiseres is in 2019 een onderneming gestart onder de naam [naam 2] . In het kader van haar onderneming heeft eiseres, handelend onder de [naam 2] , een krediet afgesloten bij Stichting [naam stichting] (hierna: ook wel de schuldeiser) voor een bedrag van € 6.750.
3. Eiseres heeft haar onderneming gestaakt en heeft deze omstreeks 1 november 2019 uitgeschreven uit het handelsregister.
4. Eiseres heeft zich door middel van een formulier en daarbij gevoegde schuldenlijst aangemeld om in aanmerking te komen voor de overname van haar private geldschulden door SBN. Eiseres heeft hierbij onder andere de schuld van € 4.759,20 aan Stichting [naam stichting] voor overname aangemeld (hierna ook: de schuld).
5. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eiseres informatie over de schuld bij de schuldeiser opgevraagd. De schuldeiser heeft niet op dit verzoek om informatie gereageerd.
6. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om overname van de schuld bij beschikking met dagtekening 13 juli 2023 afgewezen. Dit omdat de schuldeiser nog niet (volledig) had gereageerd.
7. De schuldeiser heeft per e-mailbericht van 20 juli 2023 alsnog gereageerd op het verzoek van verweerder om informatie.
8. In een e-mailbericht van 15 augustus 2023 heeft de schuldeiser op een vraag van verweerder over de datum van opeisbaarheid geantwoord dat de schuldeiser de vordering alleen opeist wanneer de looptijd is verstreken, als de onderneming is gestaakt of als de klant ter incasso wordt doorgezet.
9. In een e-mailbericht van 16 augustus 2023 heeft de schuldeiser in antwoord op vragen van SBN over de opeisbaarheidsdatum geantwoord:
“Mevrouw is gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft in de lening bij [naam stichting] veel moeite om te betalen. Op dit moment is er een kleine betaalafspraak.”
10. SBN heeft in een e-mailbericht van 21 augustus 2023 aan de schuldeiser het volgende medegedeeld:
“Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 16 augustus 2023, delen wij u hierbij mede dat wij, gezien uw antwoord op ons verzoek om de opeisbaarheidsdatum mede te delen, de vordering niet mee kunnen nemen, daar de vordering niet is opgeëist.”
11. Eiseres heeft op 11 december 2023 tegen de beschikking met dagtekening 13 juli 2023 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, onder vermelding dat dit te laat is ingediend. Verweerder heeft het bezwaar vervolgens behandeld als een verzoek om ambtshalve herziening van de beschikking en dit verzoek afgewezen, omdat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden voor overname en in het bijzonder niet aan de eis dat de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021.
12. Tot de stukken van het geding behoort een afschrift uit de systemen van verweerder waarin notities van telefoongesprekken zijn vastgelegd. Hierin staat onder eiseres haar naam onder meer het volgende opgenomen:
“28-11-2013 [zwart]: Advocaat van GD belde, GD heeft geen beschikking ontvangen, deze als nog per mail verstuurd.
8/09/2023 [zwart]: tel. [eiseres] , hoet zit met de vordering van [naam stichting] ? Deze is destijds beschikt met code 11. [naam stichting] heeft vervolgens contact met ons opgenomen. Zij hebben ons stukken toegestuurd, echter deelden zij ons mede dat de vordering niet is opgeëist. Wij kunnen de vordering niet meenemen. Dit hebben wij hen d.d. 21 augustus 2023 medegedeeld.”
13. Tot de stukken van het geding behoort voorts de kredietovereenkomst van 27 maart 2019 die eiseres, handelend onder de [naam 2] , heeft afgesloten met Stichting [naam stichting] . In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:
“Kredietovereenkomst
(....)
Wie sluiten deze overeenkomst af?
Wij zijn Stichting [naam stichting]
(...)
Jij bent [Eiseres]
(...)
Wat spreken we af over de Micro 1 lening (...)?
Soort lening Annuïtaire lening.
Kredietbedrag € 6.750,00 (…)
Duur van de lening De looptijd is 66 maanden.
(…)
Algemene voorwaarden De Algemene voorwaarden [naam stichting] (...) zijn op de overeenkomst van toepassing en zijn als bijlage bij deze overeenkomst gevoegd.
(...)
Opeisbaarheid Wij kunnen het hele openstaande bedrag gedurende de looptijd van je opeisen zonder ingebrekestelling. In de Algemene voorwaarden [naam stichting] staat wanneer wij dit mogen doen. Zodra de looptijd voorbij is, mogen wij de lening op ieder moment opeisen.”
14. Tot de stukken behoren voorts de bij de kredietovereenkomst behorende algemene voorwaarden. Hierin is over de opeisbaarheid onder meer het volgende opgenomen.
“Algemene voorwaarden [naam stichting]
(...)
4. Dit gebeurt er als je niet op tijd betaalt
4.1
Als je een Overeenkomst met ons sluit, heb je betalingsverplichtingen. Kom je deze niet na, dan sturen we jou meerdere betalingsherinneringen. Je betaalt rente over het bedrag dat je ons te laat betaalt.
4.2
Betaal je te laat? Dan brengen we rente over de achterstand in rekening. Ook hebben wij het recht om jou een direct opeisbare boete van € 100,- in rekening te brengen per betalingsachterstand.
(…)
4.4
Betaal je ook na deze herinneringen niet, dan schakelen wij een deurwaarder in. Alle extra kosten zijn in dit geval voor jou. Als jij een rechtspersoon (zoals een B.V., N.V. of vereniging) bent kunnen wij de incassokosten van 15% van de verschuldigde hoofdsom in rekening brengen met een minimum van € 250,-.
(...)
9. Het recht om meteen terugbetaling te vorderen
9.1
In sommige gevallen hebben wij het recht om het Krediet op te eisen. Hierbij geldt dat de Overeenkomst blijft staan totdat aan alle verplichtingen is voldaan.
9.2
Als jij je niet meer aan de afspraken houdt uit de Overeenkomst, hebben wij het recht om het bedrag dat je ons nog verschuldigd bent, in één keer op te eisen en een boete in rekening te brengen voor de rente die wij mislopen, omdat de Overeenkomst eerder wordt beëindigd. De mogelijkheid om op te eisen en de boete in rekening te brengen geldt in de volgende situaties:
a. Je bent een van de verplichtingen uit de Overeenkomst of Algemene Voorwaarden niet nagekomen. Je wordt in dat geval in gebreke gesteld. Kom je de verplichting binnen 8 dagen nadat je in gebreke bent gesteld na, dan vervalt de opeisbaarheid. Kom je je verplichtingen niet binnen 8 dagen na, dan hebben wij dus het recht om het nog verschuldigde bedrag en de boete op te eisen.
(...)
j. Je stopt met je bedrijf en/of je bedrijf is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
(...)
9.3
Als we gebruik maken van ons recht het Krediet op te eisen, laten wij je dat schriftelijk weten. Hierbij wordt aangegeven binnen welke termijn het verschuldigde bedrag en de boete betaald moeten worden. Deze boeterente bestaat uit de contante waarde van het verschil van de overeengekomen rente, minus een vast percentage van 2,75% over de resterende looptijd van het af te lossen bedrag.”
Geschil
15. In geschil is of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of verweerder de schuld van eiseres, handelend onder de naam [naam 2] , aan [naam stichting] ten bedrage van € 4.759,20 terecht niet heeft overgenomen.
16. Eiseres is van mening dat verweerder haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dit verband voert zij aan dat zij de beschikking van 13 juli 2023 niet heeft ontvangen en dat zij pas op 28 november 2023 een afschrift van de beschikking heeft ontvangen. Eiseres is verder van mening dat de schuld voldoet aan de voorwaarde dat deze vóór 1 juni 2021 opeisbaar is. Zij voert hiertoe aan dat zij haar onderneming is gestaakt en op 1 november 2019 uit het handelsregister heeft geschreven en dat op grond van de kredietovereenkomst en de algemene voorwaarden de schuld daardoor direct opeisbaar is geworden, zonder dat een ingebrekestelling is vereist.
17. Verweerder is van mening dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Hiertoe voert hij kort gezegd aan dat de beschikking op 13 juli 2023 naar het adres van eiseres is verzonden. Ook als ervan uitgegaan wordt dat eiseres de beschikking niet ontvangen heeft, is volgens verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. In dit verband stelt verweerder dat eiseres uiterlijk op die datum bekend is geworden met de beschikking. Ook als van die datum uitgegaan wordt, is het bezwaar te laat ingediend, aldus verweerder. Indien de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, is hij van mening dat de schuld niet voldoet aan de eis dat deze vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Hiertoe voert verweerder aan dat de schuldeiser, eiseres niet in gebreke heeft gesteld, dat de schuldeiser de schuld niet heeft opgeëist en dat er een betaalafspraak is gemaakt, waardoor sprake is van een nieuwe schuld.
Overwegingen
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
18. Niet gesteld of gebleken is dat de beschikking van 13 juli 2023 aangetekend is verzonden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is het, indien de geadresseerde, zoals in het onderhavige geval, stelt dat deze een niet aangetekend verzonden beschikking niet heeft ontvangen, in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de beschikking op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van de beschikking. op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan vooralsnog kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat de beschikking is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.
19. Op het de niet aangetekend verzonden beschikking van 13 juli 2023 is het juiste adres vermeld. Verweerder heeft evenwel geen stukken overgelegd waaruit volgt dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Ook heeft verweerder de verzending van de beschikking niet op andere wijze onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de beschikking van 13 juli 2023 aan eiseres is verzonden. Dit betekent dat de beschikking niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze en dat de termijn voor het instellen van bezwaar tegen de beschikking dan aanvangt op de dag van ontvangst door eiseres of haar vertegenwoordiger van de beschikking of een afschrift daarvan (vgl. HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7189).
20. Eiseres stelt het besluit alsnog op 28 november 2023 te hebben ontvangen. Dit komt overeen met de telefoonnotitie die in de systemen van verweerder op 28 november 2023 is gemaakt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verweerder de beschikking op 28 november 2023 heeft bekendgemaakt. De bezwaartermijn is daarom op 29 november 2023 begonnen en liep tot en met 9 januari 2024. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 11 december 2023 ontvangen. Dit is binnen de bezwaartermijn en daarom op tijd.
21. Het voorgaande betekent dat de rechtbank verweerder niet volgt in zijn stelling dat eiseres al op 8 september 2023 bekend is geworden met de beschikking. Eiseres heeft dit gemotiveerd bestreden en uit de door verweerder overgelegde telefoonnotitie is niet af te leiden dat verweerder op die datum ook een afschrift van de beschikking aan eiseres heeft verzonden.
22. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Omdat partijen hun zaak uitvoerig schriftelijk hebben toegelicht en de rechtbank hebben verzocht de zaak inhoudelijk te behandelen, zal de rechtbank de zaak niet terugwijzen naar verweerder, maar het beroep beoordelen aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden.
Is de beschikking bevoegd genomen?
23. De rechtbank ziet zich ambtshalve eerst voor de vraag gesteld of de beschikking bevoegd is genomen. De primaire beschikking is namens de Belastingdienst/Toeslagen genomen door [naam 3] , bestuurder van SBN. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wht de Minister van Financiën ten tijde van de primaire beschikking het bevoegde bestuursorgaan was. Daarbij is wel ondermandaat verleend aan de voorzitter van het bestuur van SBN (artikel 3, eerste lid, onder c, van het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor SBN en de kredietbanken van de directeur-generaal Ketenregie in het kader van private schulden en herstel toeslagen 2024, Stcrt. 2024, 14965).
24. Omdat de voorzitter van het bestuur van SBN, via ondermandaat, bevoegd was om namens de Minister van Financiën op het verzoek om overname van de schuld te beslissen, en eiseres door de onjuiste vermelding van de mandaatgever niet is benadeeld, zal de rechtbank aan de onjuiste vermelding van de mandaatgever in de beschikking geen gevolgen verbinden.
Opeisbaarheid van de schuld
25. Hoofdstuk 4 van de Wht regelt onder welke voorwaarden gedupeerden van de Toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Voor deze uitspraak is artikel 4.1 van de Wht van belang. Dit artikel bepaalt, kort gezegd en voor zover in deze zaak van belang, dat het moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. De schuld moet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, dus bij bijvoorbeeld een bank of andere kredietinstelling zijn aangegaan. Hoofdsommen van hypothecaire of andere leningen worden niet overgenomen, tenzij deze door betalingsachterstanden vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden.
26. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuld van eiseres is ontstaan na 31 december 2005 en niet was voldaan op het tijdstip van de aanvraag. In geschil is of is voldaan aan de voorwaarde dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was.
27. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan verweerder stelt, niet van belang is of de schuld vóór 1 juni 2021 daadwerkelijk is opgeëist, maar dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1 van de Wht enkel getoetst dient te worden of de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Dit komt ook overeen met het doel van de Wht. Gedupeerden kunnen immers vanaf het moment van het opeisbaar worden van de vordering geconfronteerd worden met incassomaatregelen.
28. Voor het antwoord op de vraag of de lening opeisbaar was, zijn de voorwaarden van het krediet dat eiseres heeft afgesloten bepalend. De rechtbank leidt uit de voorwaarden van de kredietovereenkomst in samenhang gelezen met daarbij behorende algemene voorwaarden af dat de schuld volledig opeisbaar is geworden op het moment dat eiseres haar onderneming staakte en uitschreef uit het handelsregister. Uit de overeenkomst volgt niet dat de schuldeiser een ingebrekestelling moest sturen voordat deze schuld opeisbaar werd en in artikel 9.3 is alleen geregeld dat als de schuldeiser daadwerkelijk wil overgaan tot het opeisen van de schuld, hij eiseres hier eerst van op de hoogte stelt. Dit is dus geen vereiste voor het opeisbaar worden van de schuld.
29. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres haar onderneming omstreeks 1 november 2019 heeft uitgeschreven uit het handelsregister. Dit betekent dat de schuld op de peildatum van 1 juni 2021 opeisbaar was.
30. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat door de betaalafspraken die eiseres en de schuldeiser hebben gemaakt een nieuwe schuld is ontstaan. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Naar eiseres ter zitting onweersproken heeft verklaard, heeft de schuldeiser het opeisen van de aflossingen op de lening tijdelijk gepauzeerd, omdat eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Van een nieuwe overeenkomst of nieuwe schuld is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Komt de schuld in aanmerking voor overname?
31. Artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht bepaalt dat de resterende hoofdsommen van leningen niet worden overgenomen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Uit de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden leidt de rechtbank af dat in het geval van betalingsachterstanden de lening alleen opeisbaar wordt nadat eiseres in gebreke is gesteld. Nu dit niet is gebeurd, is de rechtbank van oordeel dat de lening niet vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 29 februari 2024;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
herroept de beschikking en draagt verweerder op de schuld van eiseres bij [naam stichting] over te nemen voor een bedrag van € 4.759,20;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden; en
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.098.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Richters, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G.U. Wasch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/1301
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.T. Poort),
en
de Minister van Financiën, verweerder.
Procesverloop
Sociale Banken Nederland (SBN) heeft namens verweerder aan eiseres een definitieve beschikking voor het afbetalen van private schulden opgelegd.
Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar met dagtekening 29 februari 2024 het bezwaar van eiseres tegen deze beschikking niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft daartegen op 19 maart 2023 beroep bij de rechtbank ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van delen van de overgelegde stukken een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Eiseres heeft de rechtbank geen toestemming gegeven kennis te nemen van de ongeschoonde stukken.
Op 28 augustus 2024 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank beslist dat het verzoek van verweerder om beperkte kennisneming van de gedingstukken gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft in de onderhavige zaak geen kennisgenomen van de niet-geanonimiseerde stukken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2025.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] .
Feiten
1. Eiseres is gedupeerde van de Toeslagenaffaire.
2. Eiseres is in 2019 een onderneming gestart onder de naam [naam 2] . In het kader van haar onderneming heeft eiseres, handelend onder de [naam 2] , een krediet afgesloten bij Stichting [naam stichting] (hierna: ook wel de schuldeiser) voor een bedrag van € 6.750.
3. Eiseres heeft haar onderneming gestaakt en heeft deze omstreeks 1 november 2019 uitgeschreven uit het handelsregister.
4. Eiseres heeft zich door middel van een formulier en daarbij gevoegde schuldenlijst aangemeld om in aanmerking te komen voor de overname van haar private geldschulden door SBN. Eiseres heeft hierbij onder andere de schuld van € 4.759,20 aan Stichting [naam stichting] voor overname aangemeld (hierna ook: de schuld).
5. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eiseres informatie over de schuld bij de schuldeiser opgevraagd. De schuldeiser heeft niet op dit verzoek om informatie gereageerd.
6. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om overname van de schuld bij beschikking met dagtekening 13 juli 2023 afgewezen. Dit omdat de schuldeiser nog niet (volledig) had gereageerd.
7. De schuldeiser heeft per e-mailbericht van 20 juli 2023 alsnog gereageerd op het verzoek van verweerder om informatie.
8. In een e-mailbericht van 15 augustus 2023 heeft de schuldeiser op een vraag van verweerder over de datum van opeisbaarheid geantwoord dat de schuldeiser de vordering alleen opeist wanneer de looptijd is verstreken, als de onderneming is gestaakt of als de klant ter incasso wordt doorgezet.
9. In een e-mailbericht van 16 augustus 2023 heeft de schuldeiser in antwoord op vragen van SBN over de opeisbaarheidsdatum geantwoord:
“Mevrouw is gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft in de lening bij [naam stichting] veel moeite om te betalen. Op dit moment is er een kleine betaalafspraak.”
10. SBN heeft in een e-mailbericht van 21 augustus 2023 aan de schuldeiser het volgende medegedeeld:
“Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 16 augustus 2023, delen wij u hierbij mede dat wij, gezien uw antwoord op ons verzoek om de opeisbaarheidsdatum mede te delen, de vordering niet mee kunnen nemen, daar de vordering niet is opgeëist.”
11. Eiseres heeft op 11 december 2023 tegen de beschikking met dagtekening 13 juli 2023 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, onder vermelding dat dit te laat is ingediend. Verweerder heeft het bezwaar vervolgens behandeld als een verzoek om ambtshalve herziening van de beschikking en dit verzoek afgewezen, omdat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden voor overname en in het bijzonder niet aan de eis dat de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021.
12. Tot de stukken van het geding behoort een afschrift uit de systemen van verweerder waarin notities van telefoongesprekken zijn vastgelegd. Hierin staat onder eiseres haar naam onder meer het volgende opgenomen:
“28-11-2013 [zwart]: Advocaat van GD belde, GD heeft geen beschikking ontvangen, deze als nog per mail verstuurd.
8/09/2023 [zwart]: tel. [eiseres] , hoet zit met de vordering van [naam stichting] ? Deze is destijds beschikt met code 11. [naam stichting] heeft vervolgens contact met ons opgenomen. Zij hebben ons stukken toegestuurd, echter deelden zij ons mede dat de vordering niet is opgeëist. Wij kunnen de vordering niet meenemen. Dit hebben wij hen d.d. 21 augustus 2023 medegedeeld.”
13. Tot de stukken van het geding behoort voorts de kredietovereenkomst van 27 maart 2019 die eiseres, handelend onder de [naam 2] , heeft afgesloten met Stichting [naam stichting] . In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:
“Kredietovereenkomst
(....)
Wie sluiten deze overeenkomst af?
Wij zijn Stichting [naam stichting]
(...)
Jij bent [Eiseres]
(...)
Wat spreken we af over de Micro 1 lening (...)?
Soort lening Annuïtaire lening.
Kredietbedrag € 6.750,00 (…)
Duur van de lening De looptijd is 66 maanden.
(…)
Algemene voorwaarden De Algemene voorwaarden [naam stichting] (...) zijn op de overeenkomst van toepassing en zijn als bijlage bij deze overeenkomst gevoegd.
(...)
Opeisbaarheid Wij kunnen het hele openstaande bedrag gedurende de looptijd van je opeisen zonder ingebrekestelling. In de Algemene voorwaarden [naam stichting] staat wanneer wij dit mogen doen. Zodra de looptijd voorbij is, mogen wij de lening op ieder moment opeisen.”
14. Tot de stukken behoren voorts de bij de kredietovereenkomst behorende algemene voorwaarden. Hierin is over de opeisbaarheid onder meer het volgende opgenomen.
“Algemene voorwaarden [naam stichting]
(...)
4. Dit gebeurt er als je niet op tijd betaalt
4.1
Als je een Overeenkomst met ons sluit, heb je betalingsverplichtingen. Kom je deze niet na, dan sturen we jou meerdere betalingsherinneringen. Je betaalt rente over het bedrag dat je ons te laat betaalt.
4.2
Betaal je te laat? Dan brengen we rente over de achterstand in rekening. Ook hebben wij het recht om jou een direct opeisbare boete van € 100,- in rekening te brengen per betalingsachterstand.
(…)
4.4
Betaal je ook na deze herinneringen niet, dan schakelen wij een deurwaarder in. Alle extra kosten zijn in dit geval voor jou. Als jij een rechtspersoon (zoals een B.V., N.V. of vereniging) bent kunnen wij de incassokosten van 15% van de verschuldigde hoofdsom in rekening brengen met een minimum van € 250,-.
(...)
9. Het recht om meteen terugbetaling te vorderen
9.1
In sommige gevallen hebben wij het recht om het Krediet op te eisen. Hierbij geldt dat de Overeenkomst blijft staan totdat aan alle verplichtingen is voldaan.
9.2
Als jij je niet meer aan de afspraken houdt uit de Overeenkomst, hebben wij het recht om het bedrag dat je ons nog verschuldigd bent, in één keer op te eisen en een boete in rekening te brengen voor de rente die wij mislopen, omdat de Overeenkomst eerder wordt beëindigd. De mogelijkheid om op te eisen en de boete in rekening te brengen geldt in de volgende situaties:
a. Je bent een van de verplichtingen uit de Overeenkomst of Algemene Voorwaarden niet nagekomen. Je wordt in dat geval in gebreke gesteld. Kom je de verplichting binnen 8 dagen nadat je in gebreke bent gesteld na, dan vervalt de opeisbaarheid. Kom je je verplichtingen niet binnen 8 dagen na, dan hebben wij dus het recht om het nog verschuldigde bedrag en de boete op te eisen.
(...)
j. Je stopt met je bedrijf en/of je bedrijf is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
(...)
9.3
Als we gebruik maken van ons recht het Krediet op te eisen, laten wij je dat schriftelijk weten. Hierbij wordt aangegeven binnen welke termijn het verschuldigde bedrag en de boete betaald moeten worden. Deze boeterente bestaat uit de contante waarde van het verschil van de overeengekomen rente, minus een vast percentage van 2,75% over de resterende looptijd van het af te lossen bedrag.”
Geschil
15. In geschil is of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of verweerder de schuld van eiseres, handelend onder de naam [naam 2] , aan [naam stichting] ten bedrage van € 4.759,20 terecht niet heeft overgenomen.
16. Eiseres is van mening dat verweerder haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dit verband voert zij aan dat zij de beschikking van 13 juli 2023 niet heeft ontvangen en dat zij pas op 28 november 2023 een afschrift van de beschikking heeft ontvangen. Eiseres is verder van mening dat de schuld voldoet aan de voorwaarde dat deze vóór 1 juni 2021 opeisbaar is. Zij voert hiertoe aan dat zij haar onderneming is gestaakt en op 1 november 2019 uit het handelsregister heeft geschreven en dat op grond van de kredietovereenkomst en de algemene voorwaarden de schuld daardoor direct opeisbaar is geworden, zonder dat een ingebrekestelling is vereist.
17. Verweerder is van mening dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Hiertoe voert hij kort gezegd aan dat de beschikking op 13 juli 2023 naar het adres van eiseres is verzonden. Ook als ervan uitgegaan wordt dat eiseres de beschikking niet ontvangen heeft, is volgens verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. In dit verband stelt verweerder dat eiseres uiterlijk op die datum bekend is geworden met de beschikking. Ook als van die datum uitgegaan wordt, is het bezwaar te laat ingediend, aldus verweerder. Indien de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, is hij van mening dat de schuld niet voldoet aan de eis dat deze vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Hiertoe voert verweerder aan dat de schuldeiser, eiseres niet in gebreke heeft gesteld, dat de schuldeiser de schuld niet heeft opgeëist en dat er een betaalafspraak is gemaakt, waardoor sprake is van een nieuwe schuld.
Overwegingen
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
18. Niet gesteld of gebleken is dat de beschikking van 13 juli 2023 aangetekend is verzonden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is het, indien de geadresseerde, zoals in het onderhavige geval, stelt dat deze een niet aangetekend verzonden beschikking niet heeft ontvangen, in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de beschikking op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van de beschikking. op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan vooralsnog kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat de beschikking is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.
19. Op het de niet aangetekend verzonden beschikking van 13 juli 2023 is het juiste adres vermeld. Verweerder heeft evenwel geen stukken overgelegd waaruit volgt dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Ook heeft verweerder de verzending van de beschikking niet op andere wijze onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de beschikking van 13 juli 2023 aan eiseres is verzonden. Dit betekent dat de beschikking niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze en dat de termijn voor het instellen van bezwaar tegen de beschikking dan aanvangt op de dag van ontvangst door eiseres of haar vertegenwoordiger van de beschikking of een afschrift daarvan (vgl. HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7189).
20. Eiseres stelt het besluit alsnog op 28 november 2023 te hebben ontvangen. Dit komt overeen met de telefoonnotitie die in de systemen van verweerder op 28 november 2023 is gemaakt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verweerder de beschikking op 28 november 2023 heeft bekendgemaakt. De bezwaartermijn is daarom op 29 november 2023 begonnen en liep tot en met 9 januari 2024. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 11 december 2023 ontvangen. Dit is binnen de bezwaartermijn en daarom op tijd.
21. Het voorgaande betekent dat de rechtbank verweerder niet volgt in zijn stelling dat eiseres al op 8 september 2023 bekend is geworden met de beschikking. Eiseres heeft dit gemotiveerd bestreden en uit de door verweerder overgelegde telefoonnotitie is niet af te leiden dat verweerder op die datum ook een afschrift van de beschikking aan eiseres heeft verzonden.
22. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Omdat partijen hun zaak uitvoerig schriftelijk hebben toegelicht en de rechtbank hebben verzocht de zaak inhoudelijk te behandelen, zal de rechtbank de zaak niet terugwijzen naar verweerder, maar het beroep beoordelen aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden.
Is de beschikking bevoegd genomen?
23. De rechtbank ziet zich ambtshalve eerst voor de vraag gesteld of de beschikking bevoegd is genomen. De primaire beschikking is namens de Belastingdienst/Toeslagen genomen door [naam 3] , bestuurder van SBN. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wht de Minister van Financiën ten tijde van de primaire beschikking het bevoegde bestuursorgaan was. Daarbij is wel ondermandaat verleend aan de voorzitter van het bestuur van SBN (artikel 3, eerste lid, onder c, van het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging voor SBN en de kredietbanken van de directeur-generaal Ketenregie in het kader van private schulden en herstel toeslagen 2024, Stcrt. 2024, 14965).
24. Omdat de voorzitter van het bestuur van SBN, via ondermandaat, bevoegd was om namens de Minister van Financiën op het verzoek om overname van de schuld te beslissen, en eiseres door de onjuiste vermelding van de mandaatgever niet is benadeeld, zal de rechtbank aan de onjuiste vermelding van de mandaatgever in de beschikking geen gevolgen verbinden.
Opeisbaarheid van de schuld
25. Hoofdstuk 4 van de Wht regelt onder welke voorwaarden gedupeerden van de Toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Voor deze uitspraak is artikel 4.1 van de Wht van belang. Dit artikel bepaalt, kort gezegd en voor zover in deze zaak van belang, dat het moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. De schuld moet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, dus bij bijvoorbeeld een bank of andere kredietinstelling zijn aangegaan. Hoofdsommen van hypothecaire of andere leningen worden niet overgenomen, tenzij deze door betalingsachterstanden vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden.
26. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuld van eiseres is ontstaan na 31 december 2005 en niet was voldaan op het tijdstip van de aanvraag. In geschil is of is voldaan aan de voorwaarde dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was.
27. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan verweerder stelt, niet van belang is of de schuld vóór 1 juni 2021 daadwerkelijk is opgeëist, maar dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1 van de Wht enkel getoetst dient te worden of de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Dit komt ook overeen met het doel van de Wht. Gedupeerden kunnen immers vanaf het moment van het opeisbaar worden van de vordering geconfronteerd worden met incassomaatregelen.
28. Voor het antwoord op de vraag of de lening opeisbaar was, zijn de voorwaarden van het krediet dat eiseres heeft afgesloten bepalend. De rechtbank leidt uit de voorwaarden van de kredietovereenkomst in samenhang gelezen met daarbij behorende algemene voorwaarden af dat de schuld volledig opeisbaar is geworden op het moment dat eiseres haar onderneming staakte en uitschreef uit het handelsregister. Uit de overeenkomst volgt niet dat de schuldeiser een ingebrekestelling moest sturen voordat deze schuld opeisbaar werd en in artikel 9.3 is alleen geregeld dat als de schuldeiser daadwerkelijk wil overgaan tot het opeisen van de schuld, hij eiseres hier eerst van op de hoogte stelt. Dit is dus geen vereiste voor het opeisbaar worden van de schuld.
29. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres haar onderneming omstreeks 1 november 2019 heeft uitgeschreven uit het handelsregister. Dit betekent dat de schuld op de peildatum van 1 juni 2021 opeisbaar was.
30. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat door de betaalafspraken die eiseres en de schuldeiser hebben gemaakt een nieuwe schuld is ontstaan. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Naar eiseres ter zitting onweersproken heeft verklaard, heeft de schuldeiser het opeisen van de aflossingen op de lening tijdelijk gepauzeerd, omdat eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Van een nieuwe overeenkomst of nieuwe schuld is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Komt de schuld in aanmerking voor overname?
31. Artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht bepaalt dat de resterende hoofdsommen van leningen niet worden overgenomen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Uit de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden leidt de rechtbank af dat in het geval van betalingsachterstanden de lening alleen opeisbaar wordt nadat eiseres in gebreke is gesteld. Nu dit niet is gebeurd, is de rechtbank van oordeel dat de lening niet vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 29 februari 2024;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
herroept de beschikking en draagt verweerder op de schuld van eiseres bij [naam stichting] over te nemen voor een bedrag van € 4.759,20;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden; en
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.098.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Richters, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G.U. Wasch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Overwegingen
Dit brengt mee dat blijkens de tekst van artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht de schuld niet kan worden overgenomen.
Evenredigheidsbeginsel
32. Uit het betoog van eiseres begrijpt de rechtbank dat eiseres van mening is dat zij onevenredig hard wordt geraakt door het besluit van verweerder om de schuld niet over te nemen, omdat de schuld op 1 juni 2021 opeisbaar was (en nog steeds is), waardoor zij evengoed geconfronteerd kan worden met de gevolgen van de incassomaatregelen indien verweerder de schuld niet overneemt.
33. De toetsing van artikel 4.1 van de Wht aan het evenredigheidsbeginsel, stuit in beginsel af op het in artikel 120 van de Grondwet neergelegde toetsingsverbod. De Afdeling heeft in haar uitspraak van de grote kamer van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, namelijk overwogen dat het toetsingsverbod er bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan in de weg staat dat een (bepaling uit een) wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht.
34. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, kan echter aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van een wettelijke bepaling leidt indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (vergelijk: de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4215).
35. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een bijzondere omstandigheid die niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
35. In de wetgeschiedenis is over de eis dat hoofdsommen vanwege betalingsachterstanden opeisbaar moeten zijn geworden het volgende opgenomen:
“Overname schuld
(...) Ook de resterende hoofdsommen van andere leningen worden niet overgenomen of betaald, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Het gaat dan bijvoorbeeld om hoofdsommen van consumptieve kredieten, zoals persoonlijke leningen, doorlopende kredieten, negatieve saldi op betaalrekeningen, aankopen op afbetaling, private leases en huurkoop. Als ook de hoofdsom voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, door bijvoorbeeld (onderstreping door rechtbank) betalingsachterstanden, wordt deze wel in zijn geheel betaald. Dit om te voorkomen dat de schuldeiser voor die opeisbare hoofdsom alsnog incassomaatregelen neemt en de gedupeerde ouder daardoor in de problemen komt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 45”
37. Uit de wetsgeschiedenis, en in het bijzonder de opmerking dat het moet gaan om hoofdsommen die bijvoorbeeld opeisbaar zijn geworden door betalingsachterstanden, leidt de rechtbank af dat de wetgever kennelijk een ruimer doel voor ogen heeft gehad voor deze bepaling dan de letterlijke tekst voorschrijft. Voorts leidt de rechtbank hieruit af dat de wetgever tijdens de parlementaire behandeling niet, althans onvoldoende, onder ogen heeft gezien dat resterende hoofdsommen die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren vanwege andere redenen dan betalingsachterstanden, niet voor overname in aanmerking komen, terwijl gedupeerde ouders in dat geval evenzeer in de problemen kunnen komen door de gevolgen van (dreigende) incassomaatregelen van schuldeisers.
38. Nu in het onderhavige geval de schuld voldeed aan de eis dat deze opeisbaar was vóór 1 juni 2021 en eiseres reeds is geconfronteerd met (de gevolgen van de) incassomaatregelen waardoor zij in de problemen kan komen indien verweerder de schulden niet overneemt, is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van het bestreden besluit voor eiseres onevenredig zijn met het door de bepaling nagestreefde doel. De rechtbank is daarom van oordeel dat toepassing van de bepaling dat het moet gaan om leningen die door betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden in het onderhavige geval achterwege moet blijven.
39. Gelet hierop zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat verweerder de schuld ten bedrage van € 4.759,20 moet overnemen.
Proceskosten
40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.098 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 902 en een wegingsfactor 1).
Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Overwegingen
Dit brengt mee dat blijkens de tekst van artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht de schuld niet kan worden overgenomen.
Evenredigheidsbeginsel
32. Uit het betoog van eiseres begrijpt de rechtbank dat eiseres van mening is dat zij onevenredig hard wordt geraakt door het besluit van verweerder om de schuld niet over te nemen, omdat de schuld op 1 juni 2021 opeisbaar was (en nog steeds is), waardoor zij evengoed geconfronteerd kan worden met de gevolgen van de incassomaatregelen indien verweerder de schuld niet overneemt.
33. De toetsing van artikel 4.1 van de Wht aan het evenredigheidsbeginsel, stuit in beginsel af op het in artikel 120 van de Grondwet neergelegde toetsingsverbod. De Afdeling heeft in haar uitspraak van de grote kamer van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, namelijk overwogen dat het toetsingsverbod er bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan in de weg staat dat een (bepaling uit een) wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht.
34. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, kan echter aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van een wettelijke bepaling leidt indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (vergelijk: de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4215).
35. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een bijzondere omstandigheid die niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
35. In de wetgeschiedenis is over de eis dat hoofdsommen vanwege betalingsachterstanden opeisbaar moeten zijn geworden het volgende opgenomen:
“Overname schuld
(...) Ook de resterende hoofdsommen van andere leningen worden niet overgenomen of betaald, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Het gaat dan bijvoorbeeld om hoofdsommen van consumptieve kredieten, zoals persoonlijke leningen, doorlopende kredieten, negatieve saldi op betaalrekeningen, aankopen op afbetaling, private leases en huurkoop. Als ook de hoofdsom voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, door bijvoorbeeld (onderstreping door rechtbank) betalingsachterstanden, wordt deze wel in zijn geheel betaald. Dit om te voorkomen dat de schuldeiser voor die opeisbare hoofdsom alsnog incassomaatregelen neemt en de gedupeerde ouder daardoor in de problemen komt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 45”
37. Uit de wetsgeschiedenis, en in het bijzonder de opmerking dat het moet gaan om hoofdsommen die bijvoorbeeld opeisbaar zijn geworden door betalingsachterstanden, leidt de rechtbank af dat de wetgever kennelijk een ruimer doel voor ogen heeft gehad voor deze bepaling dan de letterlijke tekst voorschrijft. Voorts leidt de rechtbank hieruit af dat de wetgever tijdens de parlementaire behandeling niet, althans onvoldoende, onder ogen heeft gezien dat resterende hoofdsommen die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren vanwege andere redenen dan betalingsachterstanden, niet voor overname in aanmerking komen, terwijl gedupeerde ouders in dat geval evenzeer in de problemen kunnen komen door de gevolgen van (dreigende) incassomaatregelen van schuldeisers.
38. Nu in het onderhavige geval de schuld voldeed aan de eis dat deze opeisbaar was vóór 1 juni 2021 en eiseres reeds is geconfronteerd met (de gevolgen van de) incassomaatregelen waardoor zij in de problemen kan komen indien verweerder de schulden niet overneemt, is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van het bestreden besluit voor eiseres onevenredig zijn met het door de bepaling nagestreefde doel. De rechtbank is daarom van oordeel dat toepassing van de bepaling dat het moet gaan om leningen die door betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden in het onderhavige geval achterwege moet blijven.
39. Gelet hierop zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat verweerder de schuld ten bedrage van € 4.759,20 moet overnemen.
Proceskosten
40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.098 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 902 en een wegingsfactor 1).
Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.