Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-02-06
ECLI:NL:RBNHO:2025:1084
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
19,352 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/324830 / FA RK 22-503 en C/15/349483 / FA RK 24-882
Beschikking d.d. 6 februari 2025 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.B. Warmerdam-Wolfs, gevestigd te Alkmaar,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. H. Tülü, gevestigd te Haarlem.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure opgeroepen:
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 2 februari 2022;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 1 mei 2023;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens zelfstandig verzoek, van de vrouw, ingekomen op 25 januari 2024;
- het aanvullend verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 30 december 2024;
- het bericht, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 31 december 2024;
- de berichten van de advocaat van de man, met bijlagen, van 31 december 2024, 3 januari 2025 en 7 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door mr. E.B. Warmerdam-Wolfs;
de man, bijgestaan door [tolk] , tolk in de [taal] taal, en mr. H. Tülü;
[vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.
1.3.
De minderjarige [de minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft afzonderlijk met de kinderrechter gesproken.
Beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , [land] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3.
Bij beschikking van 15 december 2023 heeft deze rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening onder meer bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen dient te voldoen aan de vrouw van € 217,- per kind per maand, met ingang van 1 juni 2023.
2.4.
Scheiding
2.4.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.4.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.4.3.
Op grond van artikel 815, lid 2 Rv, voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
2.4.4.
Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat de man geen voorstel heeft gedaan en niet reageert op de door haar gedane voorstellen, waardoor partijen geen afspraken kunnen maken over de kinderen. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.
2.4.5.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.4.6.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.5.
Verblijfplaats
2.5.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij haar zal zijn. De man heeft zich hiertegen niet verweerd.
2.5.2.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
2.5.3.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vrouw bepalen. De rechtbank acht deze voorziening in het belang van de minderjarigen.
2.6.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
2.6.1.
De man heeft, na wijziging van zijn verzoek, verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, inhoudende dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] iedere week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de man zullen zijn. Ten aanzien van [de minderjarige 1] zal de zorgregeling moeten worden opgebouwd, waarbij [de minderjarige 1] en de man bijvoorbeeld eerst iedere zaterdag twee of drie uur met elkaar kunnen doorbrengen.
2.6.2.
De vrouw heeft zich hiertegen verweerd en heeft verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij alleen [de minderjarige 2] een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, alsmede de helft van de vakanties die langer dan één week duren, waarbij de man zorgdraagt voor het halen en brengen van [de minderjarige 2] .
2.6.3.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
2.6.4.
De rechtbank stelt voorop dat [de minderjarige 1] al drie jaar geen contact meer heeft gehad met de man. Zij heeft nog last van hetgeen tussen haar ouders is gebeurd voor de scheiding. [de minderjarige 1] wil graag een gesprek met haar vader, waarbij hij zijn fouten toegeeft en sorry zegt voor wat is gebeurd. Daarmee lijkt er een kleine opening bij [de minderjarige 1] te zijn om weer contact met haar vader te hebben, maar het is belangrijk dat de man hierin initiatief toont. Nu er voorlopig nog geen mogelijkheden zijn voor een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] , zal de rechtbank het verzoek van de man in zoverre afwijzen. Het is belangrijk dat [de minderjarige 1] geen druk voelt om het contact met de man aan te gaan.
2.6.5.
Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de vrouw hen zal aanmelden bij het Wijkteam van de gemeente [gemeente] , om partijen te helpen een gesprek tussen de man en [de minderjarige 1] te laten plaatsvinden en dit gesprek te begeleiden. Daarnaast acht de rechtbank het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat partijen hulpverlening krijgen om te werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie en dat de man leert zich te verplaatsen in de belevingswereld van beide kinderen en aan te sluiten bij wat de kinderen nodig hebben.
2.6.6.
Ter zitting hebben partijen een zorgregeling afgesproken voor [de minderjarige 2] , inhoudende dat [de minderjarige 2] om de week een weekend bij de man verblijft van vrijdagavond tot zondag 20.00 uur. De man haalt [de minderjarige 2] op vrijdag tussen 17.00 uur en 18.00 uur op bij de vrouw en brengt hem op zondag weer terug. Als de man op vrijdag moet werken en daardoor [de minderjarige 2] die dag niet kan ophalen, laat hij dat uiterlijk donderdagavond weten aan de vrouw. In dat geval haalt de man [de minderjarige 2] op zaterdag om 10.00 uur op bij de vrouw. De vrouw heeft toegezegd dat zij niet zal weigeren om [de minderjarige 2] aan de man mee te geven en de man heeft toegezegd dat hij zich aan de afgesproken haal- en brengtijden zal houden.
De rechtbank wijst de man er nog op dat [de minderjarige 2] graag meer tijd alleen met zijn vader wil doorbrengen, zonder de nieuwe partner en het nieuwe kind van de man. Voor [de minderjarige 2] is van belang dat de man de wensen van [de minderjarige 2] hoort en hier rekening mee houdt. Dit is normaal gedrag van een kind.
2.6.7.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de vakanties in onderling overleg zullen delen, nu geen van partijen een concrete verdeling van de vakanties heeft verzocht.
2.7.
Woning
2.7.1.
De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. De man heeft zich niet verweerd tegen dit verzoek.
2.7.2.
De woning is in Nederland gelegen.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , [land] op
[huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
3.3.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.6.4 tot en met 2.6.7 is overwogen:
[de minderjarige 2] verblijft eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond tot zondag 20.00 uur bij de man, waarbij de man [de minderjarige 2] op vrijdag tussen 17.00 uur en 18.00 uur ophaalt bij de vrouw en hem op zondag om 20.00 uur weer terugbrengt naar de vrouw;
de vakanties zullen in onderling overleg worden verdeeld tussen partijen;
3.4.
bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;
3.5.
bepaalt dat de man € 131,- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, met ingang van 1 januari 2025, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.6.
gelast de wijze van verdeling van de woning aan [adres] , overeenkomstig hetgeen in rechtsoverwegingen 2.9.15 tot en met 2.9.23 is overwogen;
3.7.
gelast de wijze van verdeling van het onroerend goed in [plaats] , [land] , overeenkomstig hetgeen in rechtsoverwegingen 2.9.27 tot en met 2.9.28 is overwogen;
3.8.
gelast de wijze van verdeling van de auto, type [merk] [type] , overeenkomstig hetgeen in rechtsoverweging 2.9.30 is overwogen;
3.9.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap verder als volgt vast: de contante gelden van partijen ter hoogte van € 30.350,-, zoals genoemd in rechtsoverweging 2.9.39, worden bij helfte verdeeld tussen partijen;
3.10.
veroordeelt de vrouw tot betaling van de kosten van het beslag van in totaal € 2.115,66;
3.11.
bepaalt dat elke partij voor het overige de eigen kosten van deze procedure draagt;
3.12.
verklaart de beslissing met betrekking tot de onderdelen 3.2 tot en met 3.10 uitvoerbaar bij voorraad;
3.13.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Gisolf, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 6 februari 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/324830 / FA RK 22-503 en C/15/349483 / FA RK 24-882
Beschikking d.d. 6 februari 2025 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.B. Warmerdam-Wolfs, gevestigd te Alkmaar,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. H. Tülü, gevestigd te Haarlem.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure opgeroepen:
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 2 februari 2022;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 1 mei 2023;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens zelfstandig verzoek, van de vrouw, ingekomen op 25 januari 2024;
- het aanvullend verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 30 december 2024;
- het bericht, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 31 december 2024;
- de berichten van de advocaat van de man, met bijlagen, van 31 december 2024, 3 januari 2025 en 7 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door mr. E.B. Warmerdam-Wolfs;
de man, bijgestaan door [tolk] , tolk in de [taal] taal, en mr. H. Tülü;
[vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.
1.3.
De minderjarige [de minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft afzonderlijk met de kinderrechter gesproken.
Beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , [land] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3.
Bij beschikking van 15 december 2023 heeft deze rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening onder meer bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen dient te voldoen aan de vrouw van € 217,- per kind per maand, met ingang van 1 juni 2023.
2.4.
Scheiding
2.4.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.4.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.4.3.
Op grond van artikel 815, lid 2 Rv, voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
2.4.4.
Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat de man geen voorstel heeft gedaan en niet reageert op de door haar gedane voorstellen, waardoor partijen geen afspraken kunnen maken over de kinderen. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.
2.4.5.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.4.6.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.5.
Verblijfplaats
2.5.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij haar zal zijn. De man heeft zich hiertegen niet verweerd.
2.5.2.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
2.5.3.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vrouw bepalen. De rechtbank acht deze voorziening in het belang van de minderjarigen.
2.6.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
2.6.1.
De man heeft, na wijziging van zijn verzoek, verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, inhoudende dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] iedere week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de man zullen zijn. Ten aanzien van [de minderjarige 1] zal de zorgregeling moeten worden opgebouwd, waarbij [de minderjarige 1] en de man bijvoorbeeld eerst iedere zaterdag twee of drie uur met elkaar kunnen doorbrengen.
2.6.2.
De vrouw heeft zich hiertegen verweerd en heeft verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij alleen [de minderjarige 2] een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, alsmede de helft van de vakanties die langer dan één week duren, waarbij de man zorgdraagt voor het halen en brengen van [de minderjarige 2] .
2.6.3.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
2.6.4.
De rechtbank stelt voorop dat [de minderjarige 1] al drie jaar geen contact meer heeft gehad met de man. Zij heeft nog last van hetgeen tussen haar ouders is gebeurd voor de scheiding. [de minderjarige 1] wil graag een gesprek met haar vader, waarbij hij zijn fouten toegeeft en sorry zegt voor wat is gebeurd. Daarmee lijkt er een kleine opening bij [de minderjarige 1] te zijn om weer contact met haar vader te hebben, maar het is belangrijk dat de man hierin initiatief toont. Nu er voorlopig nog geen mogelijkheden zijn voor een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] , zal de rechtbank het verzoek van de man in zoverre afwijzen. Het is belangrijk dat [de minderjarige 1] geen druk voelt om het contact met de man aan te gaan.
2.6.5.
Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de vrouw hen zal aanmelden bij het Wijkteam van de gemeente [gemeente] , om partijen te helpen een gesprek tussen de man en [de minderjarige 1] te laten plaatsvinden en dit gesprek te begeleiden. Daarnaast acht de rechtbank het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat partijen hulpverlening krijgen om te werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie en dat de man leert zich te verplaatsen in de belevingswereld van beide kinderen en aan te sluiten bij wat de kinderen nodig hebben.
2.6.6.
Ter zitting hebben partijen een zorgregeling afgesproken voor [de minderjarige 2] , inhoudende dat [de minderjarige 2] om de week een weekend bij de man verblijft van vrijdagavond tot zondag 20.00 uur. De man haalt [de minderjarige 2] op vrijdag tussen 17.00 uur en 18.00 uur op bij de vrouw en brengt hem op zondag weer terug. Als de man op vrijdag moet werken en daardoor [de minderjarige 2] die dag niet kan ophalen, laat hij dat uiterlijk donderdagavond weten aan de vrouw. In dat geval haalt de man [de minderjarige 2] op zaterdag om 10.00 uur op bij de vrouw. De vrouw heeft toegezegd dat zij niet zal weigeren om [de minderjarige 2] aan de man mee te geven en de man heeft toegezegd dat hij zich aan de afgesproken haal- en brengtijden zal houden.
De rechtbank wijst de man er nog op dat [de minderjarige 2] graag meer tijd alleen met zijn vader wil doorbrengen, zonder de nieuwe partner en het nieuwe kind van de man. Voor [de minderjarige 2] is van belang dat de man de wensen van [de minderjarige 2] hoort en hier rekening mee houdt. Dit is normaal gedrag van een kind.
2.6.7.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de vakanties in onderling overleg zullen delen, nu geen van partijen een concrete verdeling van de vakanties heeft verzocht.
2.7.
Woning
2.7.1.
De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. De man heeft zich niet verweerd tegen dit verzoek.
2.7.2.
De woning is in Nederland gelegen.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , [land] op
[huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
3.3.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.6.4 tot en met 2.6.7 is overwogen:
[de minderjarige 2] verblijft eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond tot zondag 20.00 uur bij de man, waarbij de man [de minderjarige 2] op vrijdag tussen 17.00 uur en 18.00 uur ophaalt bij de vrouw en hem op zondag om 20.00 uur weer terugbrengt naar de vrouw;
de vakanties zullen in onderling overleg worden verdeeld tussen partijen;
3.4.
bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;
3.5.
bepaalt dat de man € 131,- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, met ingang van 1 januari 2025, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.6.
gelast de wijze van verdeling van de woning aan [adres] , overeenkomstig hetgeen in rechtsoverwegingen 2.9.15 tot en met 2.9.23 is overwogen;
3.7.
gelast de wijze van verdeling van het onroerend goed in [plaats] , [land] , overeenkomstig hetgeen in rechtsoverwegingen 2.9.27 tot en met 2.9.28 is overwogen;
3.8.
gelast de wijze van verdeling van de auto, type [merk] [type] , overeenkomstig hetgeen in rechtsoverweging 2.9.30 is overwogen;
3.9.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap verder als volgt vast: de contante gelden van partijen ter hoogte van € 30.350,-, zoals genoemd in rechtsoverweging 2.9.39, worden bij helfte verdeeld tussen partijen;
3.10.
veroordeelt de vrouw tot betaling van de kosten van het beslag van in totaal € 2.115,66;
3.11.
bepaalt dat elke partij voor het overige de eigen kosten van deze procedure draagt;
3.12.
verklaart de beslissing met betrekking tot de onderdelen 3.2 tot en met 3.10 uitvoerbaar bij voorraad;
3.13.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Gisolf, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 6 februari 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
Beoordeling
Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning.
2.7.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
2.7.4.
Nu de man niet zelf om het voortgezet gebruik van de woning heeft verzocht, hij reeds sinds 27 mei 2022 op een ander adres staat ingeschreven en partijen zijn overeengekomen dat de vrouw als eerste mag proberen de woning over te nemen, zal de rechtbank het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw toewijzen.
2.8.
Onderhoudsbijdragen
Kinderbijdrage
2.8.1.
De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 230,45 per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
2.8.2.
De man heeft daartegen verweer gevoerd.
2.8.3.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
2.8.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
2.8.5.
De rechtbank constateert dat beide partijen de behoefte van de kinderen hebben berekend op € 1.046,- per maand, zodat de rechtbank de behoefte van de kinderen op dit bedrag zal vaststellen.
2.8.6.
Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de man een kinderbijdrage van € 131,- per kind per maand zal betalen aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2025. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Partnerbijdrage
2.8.7.
De vrouw heeft haar verzoek tot het vaststellen van een partnerbijdrage ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
2.9.
Verdeling
2.9.1.
Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.9.2.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.9.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.9.4.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
2.9.5.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de Turkse nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.
2.9.6.
Partijen hebben na de huwelijksvoltrekking hun eerste gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd, nu de vrouw ten tijde van de huwelijksvoltrekking in Nederland woonde en de man eerst op 5 maart 2008 in Nederland is ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
2.9.7.
Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 3 van het Verdrag werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het Turkse recht, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.
2.9.8.
Gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, lid 2 van het Verdrag, waardoor na voornoemd recht het Nederlandse recht van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime. Op basis van de verklaringen van partijen, gaat de rechtbank ervan uit dat de man in juli 2015 de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen. Het Nederlandse recht is daarom vanaf die datum van toepassing.
Peildatum
2.9.9.
De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 2 februari 2022. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.
2.9.10.
Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.
Bestanddelen
2.9.11.
De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of één van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.
1. Echtelijke woning aan [adres] en de daarop rustende hypothecaire lening bij de ABN AMRO
2.9.12.
De man heeft ten aanzien van de woning verzocht te bepalen dat:
de woning aan de man wordt toebedeeld;
de woning in gezamenlijke opdracht van partijen dient te worden getaxeerd door een door de rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar;
de aangewezen makelaar de waarde van de woning bindend zal taxeren;
de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de juridische levering van haar aandeel in de woning aan de man tegen de door de aangewezen makelaar vastgestelde taxatiewaarde;
indien en voor zover de vrouw geen medewerking verleent aan het leveren van haar aandeel in de woning aan de man, deze beschikking ex artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden voor wat betreft de ontbrekende wilsverklaring van de vrouw ten behoeve van de overdracht van de woning aan de man.
2.9.13.
De vrouw heeft ten aanzien van de woning verzocht te bepalen dat de woning aan haar wordt toebedeeld.
2.9.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO met leningnummer [nummer] .
2.9.15.
De vrouw woont met de kinderen in de woning. De man heeft er ter zitting mee ingestemd dat de vrouw als eerste kan proberen de woning over te nemen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld tegen de waarde waarvoor deze overeenkomstig het hierna bepaalde wordt getaxeerd.
Beoordeling
Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning.
2.7.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
2.7.4.
Nu de man niet zelf om het voortgezet gebruik van de woning heeft verzocht, hij reeds sinds 27 mei 2022 op een ander adres staat ingeschreven en partijen zijn overeengekomen dat de vrouw als eerste mag proberen de woning over te nemen, zal de rechtbank het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw toewijzen.
2.8.
Onderhoudsbijdragen
Kinderbijdrage
2.8.1.
De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 230,45 per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
2.8.2.
De man heeft daartegen verweer gevoerd.
2.8.3.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
2.8.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
2.8.5.
De rechtbank constateert dat beide partijen de behoefte van de kinderen hebben berekend op € 1.046,- per maand, zodat de rechtbank de behoefte van de kinderen op dit bedrag zal vaststellen.
2.8.6.
Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de man een kinderbijdrage van € 131,- per kind per maand zal betalen aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2025. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Partnerbijdrage
2.8.7.
De vrouw heeft haar verzoek tot het vaststellen van een partnerbijdrage ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
2.9.
Verdeling
2.9.1.
Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.9.2.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.9.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.9.4.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
2.9.5.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de Turkse nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.
2.9.6.
Partijen hebben na de huwelijksvoltrekking hun eerste gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd, nu de vrouw ten tijde van de huwelijksvoltrekking in Nederland woonde en de man eerst op 5 maart 2008 in Nederland is ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
2.9.7.
Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 3 van het Verdrag werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het Turkse recht, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.
2.9.8.
Gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, lid 2 van het Verdrag, waardoor na voornoemd recht het Nederlandse recht van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime. Op basis van de verklaringen van partijen, gaat de rechtbank ervan uit dat de man in juli 2015 de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen. Het Nederlandse recht is daarom vanaf die datum van toepassing.
Peildatum
2.9.9.
De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 2 februari 2022. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.
2.9.10.
Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.
Bestanddelen
2.9.11.
De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of één van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.
1. Echtelijke woning aan [adres] en de daarop rustende hypothecaire lening bij de ABN AMRO
2.9.12.
De man heeft ten aanzien van de woning verzocht te bepalen dat:
de woning aan de man wordt toebedeeld;
de woning in gezamenlijke opdracht van partijen dient te worden getaxeerd door een door de rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar;
de aangewezen makelaar de waarde van de woning bindend zal taxeren;
de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de juridische levering van haar aandeel in de woning aan de man tegen de door de aangewezen makelaar vastgestelde taxatiewaarde;
indien en voor zover de vrouw geen medewerking verleent aan het leveren van haar aandeel in de woning aan de man, deze beschikking ex artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden voor wat betreft de ontbrekende wilsverklaring van de vrouw ten behoeve van de overdracht van de woning aan de man.
2.9.13.
De vrouw heeft ten aanzien van de woning verzocht te bepalen dat de woning aan haar wordt toebedeeld.
2.9.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO met leningnummer [nummer] .
2.9.15.
De vrouw woont met de kinderen in de woning. De man heeft er ter zitting mee ingestemd dat de vrouw als eerste kan proberen de woning over te nemen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld tegen de waarde waarvoor deze overeenkomstig het hierna bepaalde wordt getaxeerd.
Beoordeling
Dit onder de voorwaarde dat zij uiterlijk drie maanden nadat het perceel van [land] is getaxeerd, ervoor dient zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening. De rechtbank rekent de termijn van drie maanden vanaf de datum van taxatie van het perceel in [land] , omdat de vrouw heeft verklaard dat zij haar aandeel van de waarde hiervan nodig heeft om de echtelijke woning te kunnen financieren.
2.9.16.
Vast staat dat de vrouw sinds het feitelijk uiteengaan van partijen de volledige lasten van de woning voor haar rekening heeft genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de waardevermeerdering, gelijk aan de aflossingen op de hypothecaire lening, aan de vrouw toekomt. Op de overwaarde van de woning wordt daarom de hoogte van de hypothecaire lening per peildatum in mindering gebracht, alsmede de kosten voor levering van de woning. Van de resterende overwaarde wordt vervolgens de helft aan de man uitgekeerd, dan wel dienen partijen de onderwaarde van de woning ieder voor de helft te dragen.
2.9.17.
De vrouw heeft een bericht overgelegd van [makelaarskantoor] van 23 december 2023, waarin een verkoopprijs van de woning is geadviseerd van € 425.000,- of € 430.000,-. De vrouw heeft daarom verzocht om voor de waarde van de woning uit te gaan van € 430.000,-, waarmee de man niet heeft ingestemd. De vrouw heeft erkend dat dit meebrengt dat de woning moet worden getaxeerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen gezamenlijk een makelaar taxateur van onroerend goed opdracht dienen te geven de woning te taxeren uitgaande van de vrije verkoopwaarde. De getaxeerde waarde is bindend voor partijen. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De vrouw dient binnen twee weken na de datum van deze beschikking drie makelaar taxateurs voor te stellen aan de man, waarna de man één van deze makelaar taxateurs kiest om de woning te laten taxeren.
2.9.18.
Indien de vrouw niet aan de hiervoor onder 2.9.15 genoemde voorwaarde voldoet, wordt de man in de gelegenheid de woning over te nemen. De woning wordt dan aan de man toebedeeld tegen de getaxeerde waarde van de woning, onder de voorwaarde dat de man uiterlijk drie maanden nadat de vrouw hem schriftelijk heeft bericht dat zij de woning niet kan overnemen, ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening en met de bepaling dat de helft van de overwaarde van de woning, na aftrek van de kosten voor levering van de woning en de hypothecaire lening, aan de vrouw wordt uitgekeerd, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen. Het aandeel van de vrouw in de overwaarde wordt vermeerderd met de hoogte van de door haar gedane aflossingen op de hypothecaire lening sinds het feitelijk uiteengaan van partijen.
2.9.19.
Indien de man niet aan de hiervoor onder 2.9.18 genoemde voorwaarden voldoet, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde.
2.9.20.
In geval van verkoop van de woning, zal de vrouw drie makelaars in onroerend goed voorstellen aan de man, waarna hij één van deze makelaars kiest. Partijen dienen vervolgens gezamenlijk een opdracht tot verkoop te geven aan deze makelaar.
2.9.21.
Beide partijen zijn gehouden – indien en voor zover geen van partijen de woning binnen de daarvoor gestelde termijnen kan overnemen – aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken. Ieder der partijen is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.
2.9.22.
Na verkoop en overdracht van de woning zal de aan de woning verbonden hypothecaire lening worden afgelost, waarna de resterende overwaarde gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dienen te dragen en te voldoen.
2.9.23.
In alle bovenstaande gevallen wordt het aandeel van de man in de overwaarde van de woning verrekend met de door hem aan de vrouw verschuldigde en niet betaalde kinderbijdrage tot 1 januari 2025, overeenkomstig de afspraak van partijen.
2. Inboedel
2.9.24.
De man heeft verzocht te bepalen dat de inboedel aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening van waarde. De vrouw heeft zich niet verweerd tegen dit verzoek.
2.9.25.
De vrouw heeft gesteld dat de man reeds een deel van de inboedel heeft meegenomen bij zijn vertrek uit de echtelijke woning. De rechtbank stelt vast dat de inboedel daarmee feitelijk is verdeeld tussen partijen, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
3. Bankrekeningen
2.9.26.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij ieder de op eigen naam staande bankrekeningen zullen houden, zonder verrekening van de saldi. Het saldo per peildatum van de gezamenlijke bankrekening van partijen met rekeningnummer [nummer] , alsmede het saldo per peildatum van de gezamenlijke bankrekening van partijen in [land] , zullen bij helfte worden verdeeld. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt op dit punt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
4. Perceel in [land]
2.9.27.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een perceel in [plaats] , [land] . Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel aan de man zal worden toebedeeld, met de bepaling dat de man de helft van de waarde van het perceel – na aftrek van de kosten – aan de vrouw zal voldoen, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.
2.9.28.
De man heeft de waarde gesteld op 3.000.000,- Turkse lira en de vrouw heeft de waarde gesteld op € 130.000,-. Nu partijen van mening verschillen over de waarde van het perceel, dient het perceel te worden getaxeerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen gezamenlijk een makelaar taxateur van onroerend goed opdracht dienen te geven het perceel te taxeren uitgaande van de vrije verkoopwaarde. De getaxeerde waarde is bindend voor partijen. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De man dient binnen twee weken na de datum van deze beschikking drie makelaar taxateurs voor te stellen aan de vrouw, waarna de vrouw één van deze makelaar taxateurs kiest om het perceel te laten taxeren. De waarde van het perceel dient te worden vastgesteld in Turkse lira en vervolgens te worden omgerekend naar euro’s.
5. Voertuigen
2.9.29.
Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van een auto van het merk [merk] , type [type] met kenteken [kenteken] . De man heeft verzocht te bepalen dat de auto zal worden verkocht, waarna de verkoopopbrengst bij helfte zal worden gedeeld tussen partijen. De vrouw heeft verzocht de auto aan de man toe te delen tegen de waarde per peildatum van € 12.950,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan haar.
2.9.30.
Nu geen van partijen de auto toebedeeld wenst te krijgen, zal de rechtbank bepalen dat de auto dient te worden verkocht aan een derde, waarna de verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen zal worden gedeeld. De stelling van de vrouw dat zij niet weet wat de huidige staat van de auto is, is onvoldoende om af te wijken van het uitgangspunt dat van de waarde per datum feitelijke verdeling moet worden uitgegaan.
Beoordeling
Dit onder de voorwaarde dat zij uiterlijk drie maanden nadat het perceel van [land] is getaxeerd, ervoor dient zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening. De rechtbank rekent de termijn van drie maanden vanaf de datum van taxatie van het perceel in [land] , omdat de vrouw heeft verklaard dat zij haar aandeel van de waarde hiervan nodig heeft om de echtelijke woning te kunnen financieren.
2.9.16.
Vast staat dat de vrouw sinds het feitelijk uiteengaan van partijen de volledige lasten van de woning voor haar rekening heeft genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de waardevermeerdering, gelijk aan de aflossingen op de hypothecaire lening, aan de vrouw toekomt. Op de overwaarde van de woning wordt daarom de hoogte van de hypothecaire lening per peildatum in mindering gebracht, alsmede de kosten voor levering van de woning. Van de resterende overwaarde wordt vervolgens de helft aan de man uitgekeerd, dan wel dienen partijen de onderwaarde van de woning ieder voor de helft te dragen.
2.9.17.
De vrouw heeft een bericht overgelegd van [makelaarskantoor] van 23 december 2023, waarin een verkoopprijs van de woning is geadviseerd van € 425.000,- of € 430.000,-. De vrouw heeft daarom verzocht om voor de waarde van de woning uit te gaan van € 430.000,-, waarmee de man niet heeft ingestemd. De vrouw heeft erkend dat dit meebrengt dat de woning moet worden getaxeerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen gezamenlijk een makelaar taxateur van onroerend goed opdracht dienen te geven de woning te taxeren uitgaande van de vrije verkoopwaarde. De getaxeerde waarde is bindend voor partijen. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De vrouw dient binnen twee weken na de datum van deze beschikking drie makelaar taxateurs voor te stellen aan de man, waarna de man één van deze makelaar taxateurs kiest om de woning te laten taxeren.
2.9.18.
Indien de vrouw niet aan de hiervoor onder 2.9.15 genoemde voorwaarde voldoet, wordt de man in de gelegenheid de woning over te nemen. De woning wordt dan aan de man toebedeeld tegen de getaxeerde waarde van de woning, onder de voorwaarde dat de man uiterlijk drie maanden nadat de vrouw hem schriftelijk heeft bericht dat zij de woning niet kan overnemen, ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening en met de bepaling dat de helft van de overwaarde van de woning, na aftrek van de kosten voor levering van de woning en de hypothecaire lening, aan de vrouw wordt uitgekeerd, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen. Het aandeel van de vrouw in de overwaarde wordt vermeerderd met de hoogte van de door haar gedane aflossingen op de hypothecaire lening sinds het feitelijk uiteengaan van partijen.
2.9.19.
Indien de man niet aan de hiervoor onder 2.9.18 genoemde voorwaarden voldoet, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde.
2.9.20.
In geval van verkoop van de woning, zal de vrouw drie makelaars in onroerend goed voorstellen aan de man, waarna hij één van deze makelaars kiest. Partijen dienen vervolgens gezamenlijk een opdracht tot verkoop te geven aan deze makelaar.
2.9.21.
Beide partijen zijn gehouden – indien en voor zover geen van partijen de woning binnen de daarvoor gestelde termijnen kan overnemen – aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken. Ieder der partijen is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.
2.9.22.
Na verkoop en overdracht van de woning zal de aan de woning verbonden hypothecaire lening worden afgelost, waarna de resterende overwaarde gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dienen te dragen en te voldoen.
2.9.23.
In alle bovenstaande gevallen wordt het aandeel van de man in de overwaarde van de woning verrekend met de door hem aan de vrouw verschuldigde en niet betaalde kinderbijdrage tot 1 januari 2025, overeenkomstig de afspraak van partijen.
2. Inboedel
2.9.24.
De man heeft verzocht te bepalen dat de inboedel aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening van waarde. De vrouw heeft zich niet verweerd tegen dit verzoek.
2.9.25.
De vrouw heeft gesteld dat de man reeds een deel van de inboedel heeft meegenomen bij zijn vertrek uit de echtelijke woning. De rechtbank stelt vast dat de inboedel daarmee feitelijk is verdeeld tussen partijen, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
3. Bankrekeningen
2.9.26.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij ieder de op eigen naam staande bankrekeningen zullen houden, zonder verrekening van de saldi. Het saldo per peildatum van de gezamenlijke bankrekening van partijen met rekeningnummer [nummer] , alsmede het saldo per peildatum van de gezamenlijke bankrekening van partijen in [land] , zullen bij helfte worden verdeeld. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt op dit punt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
4. Perceel in [land]
2.9.27.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een perceel in [plaats] , [land] . Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel aan de man zal worden toebedeeld, met de bepaling dat de man de helft van de waarde van het perceel – na aftrek van de kosten – aan de vrouw zal voldoen, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.
2.9.28.
De man heeft de waarde gesteld op 3.000.000,- Turkse lira en de vrouw heeft de waarde gesteld op € 130.000,-. Nu partijen van mening verschillen over de waarde van het perceel, dient het perceel te worden getaxeerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen gezamenlijk een makelaar taxateur van onroerend goed opdracht dienen te geven het perceel te taxeren uitgaande van de vrije verkoopwaarde. De getaxeerde waarde is bindend voor partijen. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De man dient binnen twee weken na de datum van deze beschikking drie makelaar taxateurs voor te stellen aan de vrouw, waarna de vrouw één van deze makelaar taxateurs kiest om het perceel te laten taxeren. De waarde van het perceel dient te worden vastgesteld in Turkse lira en vervolgens te worden omgerekend naar euro’s.
5. Voertuigen
2.9.29.
Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van een auto van het merk [merk] , type [type] met kenteken [kenteken] . De man heeft verzocht te bepalen dat de auto zal worden verkocht, waarna de verkoopopbrengst bij helfte zal worden gedeeld tussen partijen. De vrouw heeft verzocht de auto aan de man toe te delen tegen de waarde per peildatum van € 12.950,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan haar.
2.9.30.
Nu geen van partijen de auto toebedeeld wenst te krijgen, zal de rechtbank bepalen dat de auto dient te worden verkocht aan een derde, waarna de verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen zal worden gedeeld. De stelling van de vrouw dat zij niet weet wat de huidige staat van de auto is, is onvoldoende om af te wijken van het uitgangspunt dat van de waarde per datum feitelijke verdeling moet worden uitgegaan.
Beoordeling
2.9.31.
Verder staat vast dat de vrouw een auto, type [type] met kenteken [kenteken] tot haar beschikking heeft. Volgens de vrouw staat deze auto op naam van haar neef en is deze na de peildatum aan haar ter beschikking gesteld. De man heeft niet weersproken dat de auto na de peildatum is aangeschaft, wat betekent dat de auto niet in de gemeenschap van partijen valt en niet voor verdeling in aanmerking komt. Voor zover de man heeft gesteld dat de auto is aangeschaft met gemeenschappelijk vermogen van partijen, heeft hij deze stelling niet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan zal voorbijgaan.
6. Sieraden
2.9.32.
Partijen hebben gouden sieraden, te weten 17 armbanden (24-karaats) à 21 gram, 10 stuks kwartgoud en 1 gouden set. Partijen zijn erover eens dat de sieraden onverdeeld zullen blijven en dat deze aan de kinderen van partijen zullen worden geschonken als [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] beiden de achttienjarige leeftijd hebben bereikt. Nu partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
7. Contante gelden
2.9.33.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de contante gelden van partijen ter hoogte van € 30.000,- bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld.
2.9.34.
De man heeft, na wijziging van zijn verzoek, verzocht te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de contante gelden van € 40.000,- heeft verbeurd en dat het bedrag van € 40.000,- volledig aan de man dient te worden vergoed, zonder verrekening met de vrouw.
2.9.35.
In artikel 3:194 lid 2 BW is bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten. Ingevolge artikel 3:189 BW geldt bovenstaande bepaling slechts voor een ontbonden huwelijksgemeenschap.
2.9.36.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3:194 lid 2 BW vereist dat de deelgenoot – in dit geval de vrouw – de tot de gemeenschap behorende goederen (de contante gelden) opzettelijk verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Het gaat hierbij om handelen of nalaten met het oogmerk de rechten der deelgenoten te verkorten. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat, vanwege de aan artikel 3:194 lid 2 BW verbonden sanctie, zware eisen aan het bewijs van opzet dienen te worden gesteld (Nota II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1307). De betreffende deelgenoot moet weten dat het goed deel uitmaakt van de gemeenschap. Bedoelde opzet kan niet reeds worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde (zie Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565). De stel- en bewijsplicht rust op degene die zich op artikel 3:194 lid 2 BW beroept.
2.9.37.
Naar het oordeel van de rechtbank moet daarnaast worden aangenomen dat indien de deelgenoot die zich op artikel 3:194 lid 2 BW beroept, weet dat het goed tot de gemeenschap behoort, niet alleen niet is voldaan aan de ratio van artikel 3:194 lid 2 BW, te weten het voorkomen van bedrog c.q. oneerlijk gedrag in een situatie van afhankelijkheid van verschafte informatie, maar evenmin sprake is van ‘verzwijgen’ in de zin van die bepaling (zie conclusie P-G bij de Hoge Raad van 24 mei 2024, ECLI:PHR:2024:569).
2.9.38.
Vast staat dat de man in zijn verweerschrift tevens zelfstandig verzoek de verdeling heeft verzocht van de contante gelden van partijen, daartoe stellende dat partijen een bedrag van € 40.000,- aan contant geld hebben, opgeborgen in een kluis van de zus en zwager van de vrouw. De vrouw heeft in haar processtukken nimmer ontkend dat sprake was van contante gelden van partijen en heeft evenals de man verdeling hiervan verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet voldaan aan de vereisten van artikel 3:194 lid 2 BW en is geen sprake van ‘verzwijgen’ of ‘verborgen houden’ door de vrouw. Daarbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat de man zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van contante gelden die tot de gemeenschap behoren, waaruit kan worden afgeleid dat hij bekend was met de aanwezigheid van deze gelden en ook op deze grond niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:194 lid 2 BW. De contante gelden zijn immers niet verborgen gebleven in het kader van de verdeling. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van de man op artikel 3:194 lid 2 BW niet slaagt en dat de contante gelden moeten worden verdeeld tussen partijen.
2.9.39.
In het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 april 2024 is overwogen dat, voor zover hier van belang, de inhoud van de witte envelop met daarop de tekst “ [tekst] ,-“ met daarin gereed geld met een totale waarde van € 5.000,- en de BUNDEL GEREED GELD 2 met een totale nominale waarde van € 25.350,-, eigendom zijn van partijen (rechtsoverweging 3.4). De rechtbank gaat daarom voor de hoogte van de contante gelden die in de verdeling moeten worden betrokken, uit van een bedrag van totaal € 30.350,-. De rechtbank zal bepalen dat de contante gelden van partijen ter hoogte van dit bedrag bij helfte dienen te worden verdeeld tussen partijen.
8. Aandelen
2.9.40.
Vast staat dat de man op de peildatum aandelen had bij zijn werkgever, [BV] en dat de man deze aandelen na de peildatum heeft verkocht voor een bedrag van € 4.500,-. Niet in geschil is dat de man de helft van dit bedrag, te weten € 2.250,-, aan de vrouw zal voldoen. Nu partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
2.10.
Proceskosten
2.10.1.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de door hem geleden financiële schade ter hoogte van € 10.063,66 aan de man dient te vergoeden. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de man gesteld dat hij genoodzaakt was maatregelen te treffen doordat de vrouw heeft verzwegen dat er contante gelden waren die deel uitmaakten van de gemeenschap van partijen. De man heeft kosten gemaakt voor het maritaal beslag en voor de procedures die naar aanleiding hiervan zijn gevoerd tegen de zus en zwager van de vrouw.
2.10.2.
De vrouw heeft zich verweerd tegen dit verzoek van de man. Zij heeft daartoe gesteld dat het verzoek geen nevenvoorziening betreft die in de onderhavige echtscheidingsprocedure kan worden gevraagd. Bovendien heeft de vrouw nooit aan de man te kennen gegeven dat er gelden uit de kluis zouden worden gehaald, zodat geen noodzaak bestond om maritaal beslag te leggen. De man had in ieder geval het beslag moeten opheffen nadat de deurwaarder een beschrijving had gemaakt van de inhoud van de kluis.
2.10.3.
Ingevolge artikel 706 Rv kunnen de kosten van het beslag, al of niet in de hoofdzaak, van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Het verzoek van de man kan daarom in deze procedure worden behandeld.
2.10.4.
De rechtbank overweegt dat uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat namens de advocaat van de vrouw op 11 juli 2023 een e-mailbericht is verstuurd aan de advocaat van de man, waarin zij heeft vermeld:
“Nog even voor de duidelijkheid: er is geen geld in een kluis. Partijen hadden jaren geleden contant geld (exacte hoogte onbekend) maar dat is opgegaan voor dagelijks gebruik.”
Vervolgens heeft de man maritaal beslag laten leggen op de inhoud van de kluis van de zus en zwager van de vrouw.
Beoordeling
2.9.31.
Verder staat vast dat de vrouw een auto, type [type] met kenteken [kenteken] tot haar beschikking heeft. Volgens de vrouw staat deze auto op naam van haar neef en is deze na de peildatum aan haar ter beschikking gesteld. De man heeft niet weersproken dat de auto na de peildatum is aangeschaft, wat betekent dat de auto niet in de gemeenschap van partijen valt en niet voor verdeling in aanmerking komt. Voor zover de man heeft gesteld dat de auto is aangeschaft met gemeenschappelijk vermogen van partijen, heeft hij deze stelling niet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan zal voorbijgaan.
6. Sieraden
2.9.32.
Partijen hebben gouden sieraden, te weten 17 armbanden (24-karaats) à 21 gram, 10 stuks kwartgoud en 1 gouden set. Partijen zijn erover eens dat de sieraden onverdeeld zullen blijven en dat deze aan de kinderen van partijen zullen worden geschonken als [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] beiden de achttienjarige leeftijd hebben bereikt. Nu partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
7. Contante gelden
2.9.33.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de contante gelden van partijen ter hoogte van € 30.000,- bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld.
2.9.34.
De man heeft, na wijziging van zijn verzoek, verzocht te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de contante gelden van € 40.000,- heeft verbeurd en dat het bedrag van € 40.000,- volledig aan de man dient te worden vergoed, zonder verrekening met de vrouw.
2.9.35.
In artikel 3:194 lid 2 BW is bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten. Ingevolge artikel 3:189 BW geldt bovenstaande bepaling slechts voor een ontbonden huwelijksgemeenschap.
2.9.36.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3:194 lid 2 BW vereist dat de deelgenoot – in dit geval de vrouw – de tot de gemeenschap behorende goederen (de contante gelden) opzettelijk verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. Het gaat hierbij om handelen of nalaten met het oogmerk de rechten der deelgenoten te verkorten. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat, vanwege de aan artikel 3:194 lid 2 BW verbonden sanctie, zware eisen aan het bewijs van opzet dienen te worden gesteld (Nota II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1307). De betreffende deelgenoot moet weten dat het goed deel uitmaakt van de gemeenschap. Bedoelde opzet kan niet reeds worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde (zie Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565). De stel- en bewijsplicht rust op degene die zich op artikel 3:194 lid 2 BW beroept.
2.9.37.
Naar het oordeel van de rechtbank moet daarnaast worden aangenomen dat indien de deelgenoot die zich op artikel 3:194 lid 2 BW beroept, weet dat het goed tot de gemeenschap behoort, niet alleen niet is voldaan aan de ratio van artikel 3:194 lid 2 BW, te weten het voorkomen van bedrog c.q. oneerlijk gedrag in een situatie van afhankelijkheid van verschafte informatie, maar evenmin sprake is van ‘verzwijgen’ in de zin van die bepaling (zie conclusie P-G bij de Hoge Raad van 24 mei 2024, ECLI:PHR:2024:569).
2.9.38.
Vast staat dat de man in zijn verweerschrift tevens zelfstandig verzoek de verdeling heeft verzocht van de contante gelden van partijen, daartoe stellende dat partijen een bedrag van € 40.000,- aan contant geld hebben, opgeborgen in een kluis van de zus en zwager van de vrouw. De vrouw heeft in haar processtukken nimmer ontkend dat sprake was van contante gelden van partijen en heeft evenals de man verdeling hiervan verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet voldaan aan de vereisten van artikel 3:194 lid 2 BW en is geen sprake van ‘verzwijgen’ of ‘verborgen houden’ door de vrouw. Daarbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat de man zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van contante gelden die tot de gemeenschap behoren, waaruit kan worden afgeleid dat hij bekend was met de aanwezigheid van deze gelden en ook op deze grond niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:194 lid 2 BW. De contante gelden zijn immers niet verborgen gebleven in het kader van de verdeling. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van de man op artikel 3:194 lid 2 BW niet slaagt en dat de contante gelden moeten worden verdeeld tussen partijen.
2.9.39.
In het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 april 2024 is overwogen dat, voor zover hier van belang, de inhoud van de witte envelop met daarop de tekst “ [tekst] ,-“ met daarin gereed geld met een totale waarde van € 5.000,- en de BUNDEL GEREED GELD 2 met een totale nominale waarde van € 25.350,-, eigendom zijn van partijen (rechtsoverweging 3.4). De rechtbank gaat daarom voor de hoogte van de contante gelden die in de verdeling moeten worden betrokken, uit van een bedrag van totaal € 30.350,-. De rechtbank zal bepalen dat de contante gelden van partijen ter hoogte van dit bedrag bij helfte dienen te worden verdeeld tussen partijen.
8. Aandelen
2.9.40.
Vast staat dat de man op de peildatum aandelen had bij zijn werkgever, [BV] en dat de man deze aandelen na de peildatum heeft verkocht voor een bedrag van € 4.500,-. Niet in geschil is dat de man de helft van dit bedrag, te weten € 2.250,-, aan de vrouw zal voldoen. Nu partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
2.10.
Proceskosten
2.10.1.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de door hem geleden financiële schade ter hoogte van € 10.063,66 aan de man dient te vergoeden. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de man gesteld dat hij genoodzaakt was maatregelen te treffen doordat de vrouw heeft verzwegen dat er contante gelden waren die deel uitmaakten van de gemeenschap van partijen. De man heeft kosten gemaakt voor het maritaal beslag en voor de procedures die naar aanleiding hiervan zijn gevoerd tegen de zus en zwager van de vrouw.
2.10.2.
De vrouw heeft zich verweerd tegen dit verzoek van de man. Zij heeft daartoe gesteld dat het verzoek geen nevenvoorziening betreft die in de onderhavige echtscheidingsprocedure kan worden gevraagd. Bovendien heeft de vrouw nooit aan de man te kennen gegeven dat er gelden uit de kluis zouden worden gehaald, zodat geen noodzaak bestond om maritaal beslag te leggen. De man had in ieder geval het beslag moeten opheffen nadat de deurwaarder een beschrijving had gemaakt van de inhoud van de kluis.
2.10.3.
Ingevolge artikel 706 Rv kunnen de kosten van het beslag, al of niet in de hoofdzaak, van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Het verzoek van de man kan daarom in deze procedure worden behandeld.
2.10.4.
De rechtbank overweegt dat uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat namens de advocaat van de vrouw op 11 juli 2023 een e-mailbericht is verstuurd aan de advocaat van de man, waarin zij heeft vermeld:
“Nog even voor de duidelijkheid: er is geen geld in een kluis. Partijen hadden jaren geleden contant geld (exacte hoogte onbekend) maar dat is opgegaan voor dagelijks gebruik.”
Vervolgens heeft de man maritaal beslag laten leggen op de inhoud van de kluis van de zus en zwager van de vrouw.