Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-24
ECLI:NL:RBNHO:2024:9953
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,471 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10414964 \ CV EXPL 23-1807
Uitspraakdatum: 24 juli 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1]
2. [eiser 2]
3. [eiser 3]
allen wonende te [plaats 1]
4. [eiser 4]
5. [eiser 5]
beiden wonende te [plaats 2]6. [eiser 6]7. [eiser 7]beiden wonende te [plaats 3]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: B.W. Floris (Yource B.V.)
tegen
de besloten vennootschap
Corendon Dutch Airlines B.V.
te Badhoevedorp
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde: M. Nijenhuis LLM
1Het procesverloop
1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 8 maart 2023 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagiers hebben hierna nog een akte genomen.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 11 juli 2022 moest vervoeren van Ibiza, Spanje, naar Amsterdam-Schiphol Airport met vlucht CD122 (hierna: de vlucht)
2.2.
De vlucht is vertraagd uitgevoerd, waardoor de passagiers met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming zijn aangekomen.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
Geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening; - € 490,05, althans een in redelijke justitie door de rechtbank te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met€ 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij stelt dat de vertraging van de vlucht het gevolg is van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening). De passagiers betwisten dit.
Beoordeling
4.1.
Vast staat dat de vlucht met meer dan drie uur vertraging is uitgevoerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.2.
Volgens de vervoerder maakte de vlucht in kwestie onderdeel uit van de rotatievlucht Amsterdam – Ibiza – Amsterdam (vluchten CD121 en CD122). Deze vluchten zouden worden uitgevoerd met hetzelfde toestel. Vlucht CD121 kreeg beperkingen opgelegd door de verkeersleiding, waardoor deze met 2 uur en 38 minuten vertraging is uitgevoerd. Door de vertraging van vlucht CD121 was er in Ibiza onvoldoende personeel om de koffers voor de vlucht in kwestie in te laden. Dit heeft een vertraging van 1 uur en 11 minuten opgeleverd. Onderweg heeft de vlucht nog enkele minuten vertraging in kunnen halen. Daardoor is de vlucht in kwestie uiteindelijk met een vertraging van 3 uur en 37 minuten uitgevoerd, aldus de vervoerder (zie de overgelegde SLOT-berichten, rapporten van de bagageafhandelaar en vluchtrapport).
4.3.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat uit de door de vervoerder overgelegde SLOT-berichten van vlucht CD121 blijkt dat de vervoerder zelf een vertrektijd (EOBT) van 50 minuten later dan gepland heeft doorgegeven aan de luchtverkeersleiding. Daarom was de vertraging van vlucht CD121 niet het gevolg van buitengewone omstandigheden. Als vlucht CD121 op tijd in Ibiza was aangekomen, dan zou de vlucht in kwestie ook geen extra vertraging hebben opgelopen door het gebrek aan personeel, aldus de passagiers.
4.4.
Bij dupliek heeft de vervoerder het vluchtrapport en de Slot Allocation en Slot Revision Messages overgelegd. Deze vermelden de vertragingscodes 81 en 82, die volgens de vervoerder staan voor beperkingen die zijn opgelegd door de luchtverkeersleiding. Hieruit blijkt volgens de vervoerder dat de EOBT en de ‘gecalculeerde take-off tijd’ (CTOT) zijn gewijzigd naar latere tijdstippen als gevolg van beperkingen door de luchtverkeersleiding.
4.5.
De passagiers hebben hier tegenin gebracht dat uit de overgelegde documenten blijkt dat de vervoerder twee keer de EOBT van vlucht CD121 heeft aangepast. Volgens de passagiers past een vervoerder zelf de EOBT aan door middel van het indienen van een nieuw vluchtplan. Als een nieuw vluchtplan wordt ingediend, krijgt de vlucht ook altijd een aangepaste Slot Revision Message met een aangepaste CTOT. De daaraan gekoppelde vertragingscode is daarbij niet relevant. Daarom was in ieder geval 50 minuten van de vertraging aan de vervoerder zelf te wijten, aldus de passagiers.
4.6.
Het betoog van de passagiers slaagt niet. Ook als vast zou komen te staan dat 50 minuten van de vertraging van vlucht CD121 niet het gevolg was van buitengewone omstandigheden, dan resteert nog 1 uur en 48 minuten waarvan de passagiers onvoldoende hebben betwist dat deze het gevolg waren van beperkingen van de luchtverkeersleiding. Wanneer de luchtverkeersleiding een vlucht een latere vertrektijd oplegt, heeft deze niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. Een instructie van de luchtverkeersleiding moet namelijk altijd worden opgevolgd. Daarom is de resterende 1 uur en 48 minuten vertraging van vlucht CD121 in ieder geval het gevolg van een buitengewone omstandigheid.
4.7.
De vertraging van vlucht CD121 werkt daarom tenminste voor de duur van 1 uur en 48 minuten door op de vlucht in kwestie. De passagiers hebben onvoldoende gemotiveerd dat de personeelsproblemen op de luchthaven van Ibiza zich niet zouden hebben voorgedaan bij een vermindering van 50 minuten van de aankomstvertraging van vlucht CD121. Daarom moet geoordeeld worden dat ook de vertraging van 1 uur en 11 minuten als gevolg van het gebrek aan personeel op Ibiza, het gevolg is van een buitengewone omstandigheid. Onderweg is nog 11 minuten vertraging ingehaald. De slotsom is dat in ieder geval 2 uur en 48 minuten van de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid.
4.8.
Bij vertraging die niet alleen is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid maar ook door andere omstandigheden, moet de vertraging die toe te rekenen is aan de buitengewone omstandigheid afgetrokken worden van de totale vertragingsduur (zie het arrest van het Hof van 4 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:342). In dit geval moet de totale vertragingsduur dus worden verminderd met de tijd waarvan vaststaat dat die te wijten is aan de buitengewone omstandigheid (2 uur en 48 minuten). Na aftrek resteert een vertraging van minder dan drie uur. Daarom is de vertraging van de vlucht hoe dan ook het gevolg van buitengewone omstandigheden.
4.9.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om deze vertraging te voorkomen. De vervoerder stelt dat hij geen invloed kon uitoefenen op het personeelstekort op de luchthaven van Ibiza. Ook had hij geen andere toestellen staan om de vertraging mee op te vangen en heeft is de vlucht zo snel mogelijk uitgevoerd waarbij nog enkele minuten van de vertrekvertraging is ingelopen.
4.10.
De passagiers hebben deze stellingen van de vervoerder onvoldoende gemotiveerd weersproken. Met name is niet gebleken dat er sprake zou zijn geweest van een toestelwissel of dat de vervoerder alle vertraging had kunnen voorkomen door zelf een eerdere EOBT door te geven. De vordering van de passagiers zal daarom worden afgewezen.
4.11.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat zij in het ongelijk worden gesteld. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 476,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 119,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter