Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-17
ECLI:NL:RBNHO:2024:9948
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
2,300 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10615245 \ CV FORM 23-4515
Uitspraakdatum: 17 juli 2024
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1
[verzoeker 1]
2. [verzoeker 2] 3. [verzoeker 3] 4. [verzoeker 4] 5. [verzoeker 5]
6. [verzoeker 6]
allen wonende te [plaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)
tegen
Transportes Aereos Portugeses S.A.,
gevestigd te Lissabon, Portugal,
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. E.C.C.M. Bootsman en mr. F.B. Mahabali (Russell Advocaten)
1Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 17 juli 2023;
het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 21 september 2023.
Feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers op 7 oktober 2021 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Lissabon Airport, Portugal met vlucht TP671 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. De vervoerder heeft de passagiers een alternatieve vlucht aangeboden. Deze hebben de passagiers niet aanvaard. De passagiers hebben op eigen initiatief een alternatieve vlucht naar de eindbestemming geboekt.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie, terugbetaling en schadevergoeding van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft gedeeltelijk aan het verzoek voldaan.
Geschil
3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
€ 3.129,91, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 437,99 aan buitengerechtelijke incassokosten;
de proceskosten.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
3.3.
De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren (artikel 7 van de Verordening). De kantonrechter begrijpt dat zij een compensatie verzoeken van € 400,00 per passagier. Daarnaast stellen zij dat de vervoerder hen de kosten van de oorspronkelijke vliegtickets moet terugbetalen (artikel 8 van de Verordening). Zij stellen dat zij al een terugbetaling van € 314,00 hebben ontvangen, maar de vliegtickets € 497,30 hebben gekost. Daarom verzoeken zij een bedrag van € 183,30 aan terugbetaling.
3.4.
Daarnaast verzoeken de passagiers betaling van de meerkosten van de alternatieve vlucht naar de eindbestemming en van de kosten voor een taxi naar de luchthaven (gezamenlijk € 546,61). Ten slotte verzoeken de passagiers betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten door de vervoerder.
3.5.
De vervoerder betwist het verzochte. Op zijn betoog wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder stelt dat hij geen compensatie verschuldigd is omdat hij de annulering meer dan twee weken voor de geplande vertrektijd aan de passagiers heeft medegedeeld (artikel 5 lid 1 sub c van de Verordening). Ter onderbouwing verwijst hij naar een e-mail die hij op 13 september 2021 aan passagier sub 2 heeft verstuurd. In het verzoekformulier verwijzen de passagiers ook naar een e-mailbericht, waaruit volgens hen blijkt dat zij pas op 4 oktober 2021 door de vervoerder zijn geïnformeerd. De vervoerder betwist dit en voert daartoe aan dat dit e-mailbericht afkomstig is van Schipholtickets en dus niet van de vervoerder zelf. Daarom is dit niet het moment waarop de vervoerder de annulering aan de passagiers heeft medegedeeld, aldus de vervoerder.
4.3.
Het betoog van de vervoerder slaagt. Hij heeft met het door hem overgelegde e-mailbericht voldoende onderbouwd dat hij de annulering al op 13 september 2021 aan de passagiers heeft medegedeeld. Het verzoek tot compensatie zal daarom worden afgewezen.
4.4.
Daarnaast betwist de vervoerder dat de oorspronkelijke vliegtickets € 479,30 zouden hebben gekost. Hij voert daartoe aan dat de passagiers zes tickets van elk € 82,19 hebben geboekt (zie de overgelegde schermafbeeldingen uit zijn interne systeem). Daarnaast betwist hij dat hij slechts € 314,00 heeft terugbetaald. Hij voert aan dat hij op 6 oktober 2021 € 82,19 per passagier heeft terugbetaald op het creditcardnummer van één van de passagiers (zie de overgelegde rekeningafschriften).
4.5.
Ook dit betoog slaagt. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vervoerder, hebben de passagiers hun stellingen dat de totale prijs van de tickets € 479,30 bedroeg en dat de vervoerder daarvan maar € 314,00 heeft terugbetaald, onvoldoende onderbouwd. Het verzoek tot terugbetaling van de oorspronkelijke vliegtickets zal daarom worden afgewezen.
4.6.
De passagiers hebben vergoeding verzocht van de meerkosten van de door hen zelf geboekte alternatieve vliegtickets. De vervoerder heeft hiertegen aangevoerd dat hij geen terugbetaling van deze kosten verschuldigd is omdat hij de passagiers op het moment van annulering de keuze heeft gegeven tussen terugbetaling en een alternatieve vlucht (artikel 8 van de Verordening). De passagiers hebben de aangeboden alternatieve vlucht geweigerd en gekozen voor terugbetaling, aldus de vervoerder.
4.7.
Het betoog van de vervoerder slaagt. Gezien de gemotiveerde betwisting van de vervoerder, hebben de passagiers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vervoerder niet aan zijn verplichtingen uit artikel 8 van de Verordening heeft voldaan. Dit is wel vereist voor het slagen van een dergelijk verzoek. Het verzoek tot betaling van de meerkosten van de alternatieve vliegtickets wordt afgewezen.
4.8.
Ten slotte hebben de passagiers vergoeding verzocht van taxikosten. De vervoerder betwist dat er sprake zou zijn van een alternatieve vlucht die ten vroegste daags na de geplande vertrektijd van de geannuleerde vlucht zou vertrekken (artikel 9 van de Verordening). De passagiers hebben de alternatief aangeboden vlucht niet geaccepteerd. Daarom komen de kosten voor het vervoer naar de luchthaven niet voor vergoeding in aanmerking, aldus de vervoerder.
4.9.
Ook dit betoog van de vervoerder slaagt. Nu de passagiers de alternatieve vlucht niet hebben geaccepteerd, hebben zij onvoldoende onderbouwd dat er sprake was van een alternatieve vlucht die ten vroegste daags na de geplande vertrektijd van de geannuleerde vlucht zou vertrekken in de zin van artikel 9 van de Verordening. Het verzoek tot vergoeding van de taxikosten zal daarom worden afgewezen. De conclusie is dat de hoofdsom zal worden afgewezen.
4.10.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat deze in het ongelijk worden gesteld. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 15 dagen na betekening van deze beschikking.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzochte af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 135,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 15 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open