Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-09-30
ECLI:NL:RBNHO:2024:9883
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,129 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/998
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Centraal Administratie Kantoor, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar.
1.1.
Verweerder heeft in december 2021 de bestuursrechtelijke premie met ingang van 1 januari 2022 vastgesteld op € 152,20.
1.2.
Bij het bestreden besluit van 3 januari 2022 heeft verweerder het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld.
1.4.
Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op zitting van 17 september 2024 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser en de gemachtigde van verweerder.
De ontvankelijkheid van het beroep
2. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, in dit geval op 14 februari 2022. Het beroepschrift is op 15 februari 2022 aan de balie van de rechtbank afgegeven en derhalve buiten de termijn van zes weken.
Eiser heeft aangevoerd dat het beroepschrift op 14 februari 2022 is ondertekend en op die dag zou worden afgegeven bij de rechtbank. Hij werd echter in de ochtend aangehouden door de politie en heeft tot 22 uur vastgezeten op het politiebureau in Hoorn.
De rechtbank is van oordeel dat op basis hiervan redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat eiser in verzuim is geweest. Dit heeft tot gevolg dat het beroep ontvankelijk is.
Beoordeling
3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld tegen een besluit met betrekking tot de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan.
4. Eiser heeft ter zitting verwezen naar zijn beroepsschrift stellende dat hij geen wilsverklaring heeft afgegeven aan het CAK waarin het CAK keuzes voor hem mag maken. Hij wijst alle wetgeving af waarin wordt bepaald dat hij geld moet betalen aan het CAK. Hij heeft geen contract met de overheid en wil vrij zijn. Dit is voor eiser een principieel punt.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Voor ligt de vraag of eiser bezwaar kan maken tegen de brief van december 2021 die uitsluitend betrekking heeft op de hoogte van de premie. Bezwaar en beroep tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie is echter op grond van artikel 8:5, eerste lid, in verbinding met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bijlage 2, Hoofdstuk 1 bij de Awb) uitgesloten.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2024.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.