Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-09-16
ECLI:NL:RBNHO:2024:9743
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
2,558 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/5714
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoeker
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem
(gemachtigde: mr. B.E. Robbe, en mr. S. Eljarroudi en mr. M.J. Ferwerda).
Inleiding
1. Verweerder heeft in het besluit van 13 augustus 2024 vermeld dat verzoeker op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Ook is vermeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor noodopvang op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2024 (Verordening).
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, [naam] als ondersteuner van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Verzoeker heeft eerder in IJmuiden gewoond, nadat hij in 2009 als minderjarige vluchteling naar Nederland was gekomen, en is in het bezit van een Nederlands geldig paspoort. Verzoeker heeft, voor zover thans duidelijk is, vanaf 2022 niet in Nederland verbleven en is – na onder meer een verblijf in Somalië – op 31 juli 2024 in Nederland teruggekeerd. Vervolgens heeft verzoeker zich op 5 augustus 2024 gemeld bij de Brede Centrale Toegang met een vraag voor opvang. Naar aanleiding van zijn vraag heeft een gesprek plaatsgevonden aan de balie met de zorgcoördinator Brede Centrale Toegang.
3. Verweerder heeft besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor de noodopvang op grond van artikel 3.6, vierde lid, van de Verordening. Daarin staat dat noodopvang is bedoeld voor zelfredzame dakloze personen die voorafgaand aan hun dakloosheid minimaal twee jaar in Haarlem woonden en stonden ingeschreven. Verzoeker voldoet niet aan de criteria, omdat hij niet in Haarlem heeft gewoond.
4. Verweerder heeft besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo omdat verzoeker voldoende zelfredzaam wordt geacht. Verzoeker is volgens verweerder onvoorbereid naar Nederland gereisd. Hij heeft geen woonplek of werk geregeld. Ook vermeldt verweerder dat niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in zijn onderdak te voorzien. Verweerder beroept zich op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 januari 2024, waarin is geoordeeld over de situatie dat personen onvoorbereid naar Nederland reizen.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Standpunten verzoeker
6. Verzoeker stelt dat hij niet zelfredzaam is. Ter onderbouwing heeft verzoeker een e-mailbericht van 15 augustus 2024 van Buurts (Stem in de stad) overgelegd, waarin staat vermeld dat verzoeker op straat slaapt en dat het steeds slechter met hem gaat. Verder voert verzoeker aan dat hij dusdanig hard is geslagen door een andere dakloze dat hij op 29 augustus 2024 naar het ziekenhuis moest. Verzoeker wijst erop dat hij geen inkomen, geen inschrijving in de Basis Registratie Persoonsgegevens, geen zorgverzekering en geen DigiD heeft. Daarom kan hij niet zonder meer als zelfredzaam worden beschouwd. Verzoeker stelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn zelfredzaamheid. Dat hij remigrant is, is voor die conclusie niet toereikend. Verzoeker stelt zich verder op het standpunt dat verweerder in strijd met het Europees Sociaal Handvest handelt.
Standpunten verweerder
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat als iemand zonder het regelen van onderdak naar Nederland vertrekt, dit niet betekent dat hij niet in staat moet worden geacht onderdak te kunnen vinden. Daarbij wordt door verzoeker niet vermeld waar het onderzoek van verweerder tekort is geschoten. Volgens verweerder treft het beroep op het Europees Sociaal Handvest geen doel. Het is onvoldoende aannemelijk dat het weigeren van de opvang tot gevolg heeft dat hij geen menswaardig bestaan kan leiden dan wel dat er een reëel risico bestaat op schending van grondrechten.
Verzoeker heeft zich eerder in Nederland kunnen handhaven, had werk als taxichauffeur en is in staat geweest naar Engeland af te reizen voor een opleiding. Volgens verweerder is niet aannemelijk gemaakt dat verzoeker zich niet op eigen kracht kan handhaven. Onder verwijzing naar een uitspraak van de CRvB van 10 januari 2024 stelt verweerder dat hij niet verplicht is verzoeker opvang te verstrekken Ten slotte stelt verweerder zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule.
Beoordeling
8. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder bevestigd dat de aanvraag ook is aangemerkt als melding in de zin van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo en dat het screeningsgesprek bij de BCT op 5 augustus 2024 ook het onderzoek in het kader van de melding is. Van dat gesprek is een onderzoeksverslag opgesteld, en daarin is ook vermeld (pagina 4) dat sprake is geweest van een korte uitvraag. Het verslag bestaat uit vooraf opgestelde vragen waar antwoorden over de persoonlijke situatie van de betreffende client kunnen worden ingevuld. Verweerder stelt dat het een uitgebreid gesprek is geweest, dat ongeveer 3 kwartier heeft geduurd, terwijl verzoeker stelt dat het 20 minuten heeft geduurd. Nog afgezien van de duur van het gesprek, is onweersproken gebleven dat het gesprek heeft plaatsgevonden aansluitend aan de melding van verzoeker bij de balie in de openbare ruimte van de BCT. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan deze (korte) screening op zichzelf niet gelden als het onderzoek zoals genoemd in artikel 2.3.2 van de Wmo. Daarmee is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderzoek gedaan op grond van de Wmo.
9. De conclusie die vervolgens uit deze korte uitvraag is getrokken, dat verzoeker voldoende zelfredzaam is en daarom niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan de voorzieningenrechter niet volgen. Zoals ook blijkt uit het onderzoeksverslag was er juist nog onduidelijkheid, bijvoorbeeld over zijn opleidingsachtergrond en de vraag of hij een netwerk heeft, waar verder onderzoek naar gedaan had kunnen worden. Het feit dat verzoeker in het verleden zelf voor onderdak heeft kunnen zorgen en inkomsten had, is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat hij ook op dit moment zelfredzaam is. Zeker nu ruim één maand na het screeningsgesprek op 5 augustus 2024 niet is gebleken dat de situatie van verzoeker is verbeterd en hij nog steeds op straat verblijft. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van wat verzoeker vertelt over zijn huidige persoonlijke omstandigheden. Daar komt bij dat voorstelbaar is dat die situatie met het verstrijken van de tijd verslechterd.
10. Het hiervoor vermelde leidt tot de conclusie dat verweerder niet kan worden gevolgd in het besluit van 13 augustus 2024 om verzoeker niet in aanmerking te laten komen voor opvang gebaseerd op het standpunt dat verzoeker zelfredzaam zou zijn. Daarvoor ontbreekt een deugdelijke onderbouwing van dat standpunt. Verweerder zal dus nader onderzoek moeten verrichten. Van verzoeker kan gelet op zijn huidige leefsituatie niet worden verwacht dat hij de behandeling van zijn bezwaar afwacht, zonder dat hem opvang wordt geboden.
Conclusie
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 13 augustus 2024 is geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en bepaalt dat verzoeker gedurende die periode wordt opgevangen.
12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot twee weken na de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verzoeker gedurende die periode wordt opgevangen;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:CRVB:2024:183.
ECLI:NL:CRVB:2024:56 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2024:56).