Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-09-19
ECLI:NL:RBNHO:2024:9571
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,781 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/2338
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] uit [land] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen.
Inleiding
1. Bij e-mailbericht van 1 februari 2023 heeft verzoeker verweerder verzocht om schadevergoeding.
1.1.
Bij besluit van 6 maart 2023 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 6 maart 2023 beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Ontvankelijkheid
2. De rechtbank toetst ambtshalve de ontvankelijkheid. Tegen het schadebesluit staat geen beroep open. Omdat uit het beroepschrift onmiskenbaar blijkt dat daarmee wordt beoogd de rechtbank te verzoeken verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van (beweerdelijk) onrechtmatige besluiten, vat de rechtbank het beroepschrift op als een daartoe strekkend verzoek.
Het verzoek
3. Eiser heeft op 1 februari 2023 bij verweerder een verzoek gedaan om schadevergoeding. Verweerder heeft bij brief van 3 februari 2023 verzoeker verzocht om binnen twee weken na verzending van de brief nader te specificeren waar de door eiser geleden schade uit bestaat. Eiser heeft per brief van 14 februari 2023 gereageerd.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft gespecificeerd wat precies de schade is en waarom eiser vindt dat verweerder nalatig is geweest. Ook is de hoogte van de schade niet aangegeven.
5. Verweerder heeft besloten het verzoek om schadeloosstelling af te wijzen.
Beoordeling
6. Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een regeling voor een zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor schadeverzoeken wegens onrechtmatige besluiten en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. In artikel 8:88 van de Awb is (voor zover hier van belang) bepaald dat het moet gaan om schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandelingen daarvan.
7. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Indien een besluit niet is vernietigd, dient in beginsel van de rechtmatigheid daarvan te worden uitgegaan.
8. Ter beoordeling staat eerst of er een onrechtmatig besluit is aan te wijzen waaruit voor verzoeker schade is ontstaan. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder besluiten heeft genomen toen hij in het buitenland verbleef, waardoor het voor verzoeker niet mogelijk was (tijdig) in beroep te gaan.
9. De rechtbank begrijpt het verzoek zo dat hij stelt schade te hebben geleden door twee besluiten van verweerder, namelijk een besluit van 3 maart 2022 en een besluit van 3 februari 2023. Tegen beide beslissingen is beroep ingesteld. Het beroep tegen de beslissing van 3 maart 2022 is op 10 januari 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te laat is ingediend. Nadat verzoeker hiertegen in verzet is gegaan, is het verzet ongegrond verklaard. Het beroep gericht tegen de beslissing op bezwaar van 3 februari 2023 is op 29 augustus 2024 ongegrond verklaard. Daarmee moet in beginsel van de rechtmatigheid van de besluiten worden uitgegaan.
Dat leidt alleen dan uitzondering, wanneer verweerder de onrechtmatigheid van het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit zou hebben erkend dan wel wanneer sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, waarbij te denken valt aan de situatie dat het verzoeker niet kan worden tegengeworpen dat hij tegen dat besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Nu verweerder de onrechtmatigheid van voormelde besluiten niet heeft erkend, ligt uitsluitend ter beantwoording de vraag voor of sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
Conclusie
10. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat aan het verzoek om schadevergoeding geen onrechtmatig besluit ten grondslag ligt waarmee de volgens artikel 8:88 van de Awb vereiste schadeoorzaak ontbreekt. Het verzoek om schadevergoeding komt reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
11. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid van de Awb in samenhang met artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:310.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO6051 en rechtsoverweging (rov.) 6.5 van de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:437.
ECLI:NL:RBNHO:2023:52.
ECLI:NL:RBNHO:2023:7397.
HAA 23/2311.
Zie de uitspraak van de CRvB van 6 april 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8772 en van 28 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1229.