Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-02-02
ECLI:NL:RBNHO:2024:797
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,562 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/3260
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Hilversum, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder
(gemachtigden: dhr. mr. C. van Splunder en mw. R. van Vlaardingen).
Totstandkoming van het besluit
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om de eenmalige energietoeslag voor het jaar 2022.
1. Eiser heeft op 8 augustus 2022 de eenmalige energietoeslag aangevraagd.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 november 2022 afgewezen, omdat eiser op de peildatum jonger was dan 27 jaar en aanspraak maakte op studiefinanciering volgens de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
1.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 14 februari 2023 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
1.4.
Onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 24 maart 2023 heeft verweerder met het bestreden besluit van 28 maart 2023 de motivering van het besluit van 15 november 2022 aangevuld en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.5.
Eiser is in beroep gegaan.
1.6.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 24 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Standpunt eiser
2. Eiser voert aan dat hij op het moment van de aanvraag aan alle voorwaarden voor toekenning van de eenmalige energietoeslag voldeed. Verweerder heeft ten onrechte de aanvraag afgewezen omdat hij op dat moment jonger was dan 27 jaar, recht had op studiefinanciering en daarmee als student categoriaal werd uitgesloten van het recht op de eenmalige energietoeslag. Eiser is van mening dat vergelijkbare gevallen ongelijk worden behandeld zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor aanwezig is.
Beoordeling
3. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is het noodzakelijk dat sprake is van rechtens gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Nu de energietoeslag is vormgegeven als categoriale bijzondere bijstand, dient te worden beoordeeld of sprake is van gelijke categorieën personen die ongelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is van gelijke categorieën geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.
4. Van betekenis is dat de woonsituatie – en daarmee het energieverbruik – van de studenten in Amstelveen blijkens de door verweerder overgelegde informatie beduidend verschilt van de doelgroep lage inkomens in Amstelveen. Het overgrote deel van de uitwonende studenten van 21 jaar en ouder, waaronder eiser, woont op de studentencampus van [naam] . De verhuurder van de studenten op de campus [naam] ( [naam] ) huisvest (volgens eigen opgaaf) ongeveer 3.400 studenten op [naam] . Circa 11% van deze studenten is 20 jaar of jonger, wat neerkomt op ongeveer 350 studenten. In de leeftijdscategorie vanaf 21 jaar wonen er ongeveer 3050 studenten op [naam] . De studenten op [naam] maken gebruik van blokverwarming. Vast staat dat in 2022 géén stijging van de energiekosten heeft plaatsgevonden, omdat de studenten inclusief energiekosten huren en de verhuurder een langdurig energiecontract heeft. De verhuurder van de campus [naam] ( [naam] ) heeft dit in berichtgeving richting de studenten bevestigd en ook verweerder werd hier al vroegtijdig van op de hoogte gesteld in 2022. Dit betekent dat van de 3158 studenten vanaf 21 jaar met een BRP inschrijving er ongeveer 3050 géén verhoging van hun energiekosten hebben gehad in 2022. Dit komt neer op ongeveer 97% van het totaal aantal studenten vanaf 21 jaar met BRP inschrijving in Amstelveen (3158 studenten). Gelet hierop heeft verweerder voldoende aannemelijk dat de studenten in Amstelveen als groep, anders dan de doelgroep lage inkomens in Amstelveen, niet in overwegende mate zijn getroffen door de stijging van de energiekosten, zodat van gelijke gevallen geen sprake is. De categoriale uitsluiting van studenten van het recht op de energietoeslag is dan ook op zichzelf niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
5. Nu eiser niet heeft gesteld dat zijn situatie gelijk is aan die van de niet-studenten in Amstelveen, ziet de rechtbank geen aanleiding verder te beoordelen of de categoriale uitsluiting van studenten in Amstelveen, conform de heersende jurisprudentie, legitiem, doelmatig en proportioneel is.
6. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft daarom geen recht op teruggave van het griffierecht en vergoeding van de proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.