Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-25
ECLI:NL:RBNHO:2024:7944
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,582 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/1199
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.K. Setz),
en
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van 25 januari 2024.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling
2. Het Woo-verzoek van eiser is ontvangen op 25 januari 2024. Uit artikel 4.4 van de Woo volgt dat gewoonlijk binnen vier weken beslist moet worden. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met twee weken. Dit betekent dat de beslistermijn op 7 maart 2024 is verstreken. Eiser heeft verweerder op 11 maart 2024 in gebreke gesteld. Sindsdien zijn twee weken verstreken, zonder dat verweerder beslist heeft. Het beroep van eiser is daarom gegrond.
Artikel 8.4 van de Woo
3. In geval van een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, bepaalt de bestuursrechter de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt. In artikel 8.4 van de Woo is dwingendrechtelijk bepaald dat die termijn afwijkt van de termijn van twee weken uit artikel 8:55d (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:55d&g=2024-07-01&z=2024-07-01), eerste lid, van de Awb indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft. De rechtbank dient dus ambtshalve te onderzoeken of de inhoud van het verzoek aanleiding geeft voor een langere termijn dan twee weken.
4. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 8.4 van de Woo blijkt dat deze bepaling bedoeld is als ‘structurele uitzondering op de in het eerste lid van artikel 8:55d neergelegde hoofdregel dat binnen twee weken na de uitspraak moet worden beslist’.
5. De rechtbank verwijst naar de uitspraak in HAA 24/1197 van heden, en oordeelt op basis van de daarin gegeven redenering dat de wetgever heeft bedoeld een structurele uitzondering te maken op de wettelijke beslistermijnen voor ‘omvangrijke’ Woo-verzoeken, waaronder begrepen die verzoeken die zien op ‘alle documenten over’ een bepaald onderwerp, of op ‘verschillende onderwerpen’. Dit zijn onder meer verzoeken die niet binnen 10 werkdagen afgedaan kunnen worden.
6. De “verantwoorde keuze in het dilemma tussen snelheid en zorgvuldigheid” dient dus gerelateerd te worden aan de omvang van het verzoek, en niet aan de beslistermijnen uit artikel 4.4 van de Woo of 8:55d van de Awb. Die inhoud moet worden afgezet tegen wat in redelijkheid van het bestuursorgaan kan worden verwacht qua capaciteit. In dit opzicht wijkt de rechtbank bewust af van de vaste lijn in de jurisprudentie. Een groot deel van de verantwoordelijkheid voor de duur van de beslistermijn ligt bij aanvrager. Hoe omvangrijker het verzoek, hoe meer behandeltijd daarvoor redelijk is.
7. Bij het bepalen van een redelijke termijn op grond van artikel 8.4 van de Woo is dus de omvang van het verzoek bepalend. De rechtbank moet dus eerst ambtshalve een beoordeling maken van de omvang van het verzoek en daarna een inschatting maken van de termijn die voor beoordeling daarvan in redelijkheid nodig is.
Het verzoek
8. Het onderhavige Woo-verzoek is als volgt omschreven:
“1.2. In het onderhavige Woo verzoek vraag ik namens cliënt openbaarmaking op grond van de Woo van de volgende informatie:
1. Alle contactmomenten en correspondentie waaronder in ieder geval begrepen maar niet beperkt tot: e-mail, sms, whatsapp, post — tussen enerzijds de (voormalig) minister(s) van/voor VWS en/of de bewindspersonen van WVS en anderzijds de (voormalig) leden van het OMT (Outbreak Management Team). Dit in de periode 1 januari 2022 tot en met heden. Ter vermijding van misverstanden:
a. Het gaat om alle contactmomenten en correspondentie. Dus niet enkel die tussen beide ministers en het OMT als geheel. Ook contactmomenten en correspondentie tussen 1 (of beide) minister(s) en 1 of meerdere of alle (voormalig) OMT lid/leden valt/vallen hieronder;
b. Voor wat betreft de contactmomenten dient dit te gaan om (een overzicht van) telefonische of fysieke contactmomenten. Hierbij kan worden gedacht aan de (digitale of fysieke) agenda van de minister of zijn assistent(en), telefoon logs of andere bronnen binnen het ministerie of de rijksoverheid;
c. Voor zover er geluidsopnames, transcripties, notulen of anderszins vastleggingen in de breedste zin des woords — zijn gemaakt van dergelijke contactmomenten ziet dit Woo verzoek ook daarop;
d. Ter zake de (voormalig) leden van het OMT strekt dit verzoek zich uit over permanente leden, tijdelijke leden, ad hoc leden, en alle overige deelnemers aan de beraadslagingen van het OMT (Dus ook (voormalig) bewindspersonen (van VWS of een ander ministerie) die bij de beraadslagingen van het OMT aanwezig zijn geweest);
e. Ter voorkoming van onduidelijkheid ontvangt [eiser] graag een overzicht van welke personen door u worden geïdentificeerd/gekwalificeerd als (voormalig) leden van het OMT in het licht van het voorgaande (sub d);
f. Ter voorkoming van onduidelijkheid ontvangt [eiser] graag een overzicht van welke personen door u worden geïdentificeerd/gekwalificeerd als (voormalig) ministers van/voor VWS.
(…)
2.2.
In het kader van het beoordelen van de afhandeling van het onderhavige Woo verzoek is het voor [eiser] relevant om inzage te hebben in het proces van het identificeren en inventariseren van de documenten en stukken. Anders is het voor hem immers niet mogelijk om de juistheid van de afhandeling te toetsen.
2.3.
In het kader van het bovenstaande verzoek ik u namens [eiser] om het proces van het
identificeren en inventariseren van de documenten en stukken inzichtelijk te maken. Dit betekent in ieder geval dat:
a. Er inzichtelijk gemaakt dient te worden waar is gezocht als ook hoe dit zich verhoudt tot waar niet is gezocht;
b. Er inzichtelijk gemaakt dient te worden hoe is gezocht;
c. Of er bepaalde filters en/of zoektermen zijn gebruikt en zo ja, welke.
2.4.
Ten overvloede merk ik nogmaals op dat het verzoek dient te worden opgevat in de ruimste zin des woords en dat er geenszins vernauwingen of zoekfilters toegepast dienen te worden op de inhoud van de informatie. Dit kan enkel op de personen en/of functionarissen en/of tijd/periode. Maar nadrukkelijk niet op de inhoud van de informatie. Het betreffende Woo verzoek kent immers qua inhoud geen beperking. Een beperking zit enkel in betrokkenen en in periode.”
Ambtshalve beoordeling van de omvang van het verzoek
9. De rechtbank stelt vast dat dit verzoek valt onder de beschrijving van een ‘omvangrijk’ verzoek als bedoeld door de wetgever. Voor beoordeling van dit verzoek zijn evident meer dan 10 werkdagen nodig. De rechtbank zal daarom een andere termijn vaststellen dan twee weken. Voor de duur van de termijn overweegt zij als volgt.
10. Voor het bepalen van een redelijke termijn is allereerst de te verwachten zoekslag van belang. De zoekslag wordt bij een Woo-verzoek ingegeven door het aantal bronnen dat doorzocht moet worden, en het aantal mensen dat ondervraagd moet worden. Eiser vraagt om openbaarmaking van documenten die naar schatting kunnen berusten bij honderden (mogelijk duizenden) verschillende personen. Immers is bekend dat het OMT in deze periode meer dan 150 adviezen heeft uitgebracht. Tijdens de COVID19-periode zijn ook wekelijks weekberichten afgegeven. Al deze berichten zijn opgesteld, ontvangen, rondgestuurd en beantwoord. Bij ruime lezing van het verzoek vallen al deze adviezen en berichten onder de zoekopdracht, omdat een bewindspersoon in de regel via zijn ambtenaren spreekt. Waarschijnlijker is dat het verzoek zo gelezen moet worden dat het enkel de correspondentie betreft tussen het OMT en de bewindspersonen zélf. Zelfs dan zou het verzoek tientallen verschillende personen omvatten, alleen al vanwege het aantal bewindspersonen, (vaste) OMT-leden en hun ondersteuning. Ook kunnen de documenten berusten bij tientallen verschillende bronnen, waaronder vele digitale gegevensdragers (zoals servers, harde schijven, telefoons, USB-sticks, etc.) en analoge gegevensdragers (dossiers, boekwerken, mappen, administratie, etc.).
Conclusie
18. Bij de te stellen beslistermijn moet de rechtbank een afweging maken tussen snelheid en zorgvuldigheid. Daarvoor is de omvang van het Woo-verzoek bepalend. Die moet worden afgezet tegen wat in redelijkheid van het bestuursorgaan kan worden verwacht. De rechtbank gaat daarbij in beginsel uit van de termijn die verweerder heeft voorgesteld. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom verweerder in redelijkheid sneller zou kunnen beslissen dan in de door verweerder voorgestelde termijn. De rechtbank constateert daarbij dat de door verweerder voorgestelde termijn in dit geval niet is gehaald. Die is namelijk al verstreken. Uit niets blijkt echter dat verweerder verwijtbaar stilzit ten aanzien van de vele Woo-verzoeken, of anderszins een prikkel nodig heeft om sneller te beslissen. Bovendien blijkt uit de omvang van het verzoek dat eiser er rekening mee heeft gehouden dat het bijzonder lang zou duren voordat op zijn verzoek beslist zou zijn. De rechtbank stelt gelet hierop de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt op 1 september 2024.
19. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat deze termijn past bij de omvang van dit specifieke Woo-verzoek. Het recht van eiser om zo snel mogelijk documenten openbaar te krijgen wordt daardoor niet aangetast. Eiser kan een nieuw, specifieker, Woo-verzoek doen (of onderhavig Woo-verzoek nader specificeren) indien hij belang heeft bij grotere snelheid.
20. Op basis van artikel 8:55d van de Awb verbindt de rechtbank een dwangsom aan de beslistermijn. De rechtbank ziet aanleiding ook bij de hoogte van de dwangsom af te wijken van de vaste jurisprudentie. Voor toepassing van artikel 8.4 van de Woo moet de termijn van artikel 4.4 van de Woo verlopen zijn. Het verlopen van die termijn leidt echter (sinds 2016) niet tot een ‘eerste’ dwangsom uit artikel 4:17 van de Awb. Pas met toepassing van artikel 8.4 van de Woo wordt een termijn bepaald die passend is bij de omvang van het verzoek. De wetgever ging er van uit dat deze termijn in overleg met verzoeker gesteld zou worden. Als dat niet gebeurt, dan kan de rechter maatwerk toepassen. Die bepaalt dan in zekere zin de ‘eerste met dwangsom belaste beslistermijn’. De rechtbank acht het dan ook in lijn met de bedoeling van de Wet dwangsom en de Wet misbruik de termijn uit artikel 8.4 te behandelen als ‘eerste’ termijn bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. De rechtbank zal bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom daarom naar analogie aansluiten bij artikel 4:17, tweede lid, van de Awb. Hoewel dat artikel niet van toepassing is op de Woo, voorziet het namelijk wel in een dwangsom voor het verlopen van een ‘eerste’ termijn.
21. Het beroep is gegrond. Verweerder moet het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op uiterlijk 1 september 2024 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag en duurt ten hoogste 42 dagen;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiser;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Maarleveld, rechter, in aanwezigheid van C. Willemse, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tweede Kamer, Wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik, 34106, nummer 3, Memorie van Toelichting, pagina 17.
ECLI:NL:RVS:2024:2530
Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen (2004).
Wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik (2016).