Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-24
ECLI:NL:RBNHO:2024:7598
Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht
Bodemzaak
6,337 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/351561 / HA ZA 24-210
Vonnis in het incident van 24 juli 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R. de Lange,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. L.M. van Schuylenburch.
De zaak in het kort
[eiser] is landschapsontwerper en [gedaagde] is interieurarchitect. Zij zijn beiden betrokken geweest bij de totstandkoming van een luxe villa in Spanje die is voorzien van een buitenruimte. Beelden van de Spaanse villa zijn getoond in een design televisieprogramma dat door SBS6 is uitgezonden, welk programma wordt gepresenteerd door [gedaagde]. [eiser] stelt dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrechten, misleidende reclame heeft gemaakt en onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Volgens hem heeft [gedaagde] in het televisieprogramma namelijk op onrechtmatige wijze beelden van de buitenruimte getoond en de (misleidende) indruk gewekt dat [gedaagde] de ontwerper van de buitenruimte is, terwijl dit het werk van [eiser] is. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet en wijst zijn vorderingen in dit incident af.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens inhoudende een incidentele vordering ex artikel 223 Rv van [eiser] met producties 1 tot en met 4; - de conclusie van antwoord in incident van [gedaagde] met producties 1 tot en met 7;
- een bericht van [eiser] d.d. 8 mei 2024 aan de rechtbank voorzien van een USB stick met daarop het item uit het televisieprogramma “Design Secrets”; en - de akte ter rolle in het incident van [eiser] in reactie op de producties die door [gedaagde] in het geding zijn gebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Feiten
2.1.
[eiser] is tuin- en landschapsontwerper die werkzaam is in het hogere segment van de (internationale) markt. In zijn hoedanigheid van landschapsontwerper is [eiser] onder meer betrokken geweest bij de totstandkoming van een tuin- en landschapsontwerp van de buitenruimte rondom een villa in Altea, Spanje (hierna: de Spaanse villa).
2.2.
[gedaagde] is een bekende Nederlandse interieurontwerper, die zich met zijn designbureau eveneens richt op klanten in het hogere segment. [gedaagde] heeft het interieur en exterieur van de Spaanse villa ontworpen.
2.3.
Op 17 december 2023 is in een aflevering van het televisieprogramma ‘Design Secrets’ (hierna: het televisieprogramma), dat door SBS6 is uitgezonden, aandacht besteed aan de Spaanse villa. In het televisieprogramma wordt [gedaagde] geïntroduceerd als interieurdesigner en vertelt hij over de totstandkoming van de Spaanse villa, de opdracht zoals hij die kreeg van de eigenaren en de gemaakte architectuur- en interieurkeuzes. In het televisieprogramma zijn, naast beeldopnamen van [gedaagde], het interieur en het exterieur van de Spaanse villa, ook (drone)beelden verwerkt van de buitenruimte. In het televisieprogramma is de naam van [eiser] niet genoemd.
3De vordering in het incident
3.1.
In het incident vordert [eiser] op basis van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening die inhoudt dat [gedaagde] bevolen wordt om:
binnen acht dagen na betekening te bewerkstelligen dat de openbaarmaking van alle beelden en de beschrijving die suggereert dat [gedaagde] de ontwerper van de tuin en overige buitenruimte is van de villa in Altea (Spanje), zoals weergegeven in de aflevering van het televisieprogramma “Design Secrets” van 17 december 2023, wordt gestaakt en niet wordt hervat;
te bewerkstelligen dat elke openbaarmaking of vermenigvuldiging van een auteursrechtelijk beschermd werk van [gedaagde], op basis van beeldmateriaal dat door [gedaagde] aan de exploitant van de website hoog.design of andere derden is of nog wordt verstrekt, achterwege blijft; en
binnen acht dagen na betekening schriftelijke opgave te doen van alle (rechts)personen aan wie door [gedaagde] beeldmateriaal ter beschikking is gesteld waarop het tuin- en landschapsontwerp van de Spaanse villa in Altea wordt getoond, waarbij eventuele afspraken over publicatie worden vermeld;
waarbij [gedaagde] een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 1.000,- per dag dat hij niet aan deze bevelen voldoet met een maximum van € 50.000,-. Tot slot vordert [eiser] ook veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident, wat de auteursrechtelijke grondslag betreft op voet van artikel 1019h Rv en wat betreft de overige grondslagen op basis van het liquidatietarief.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[eiser] vordert in dit incident een voorlopige voorziening die er in de kern op neerkomt dat [gedaagde] bevolen wordt om (i) openbaarmaking van de beelden van de buitenruimte in het televisieprogramma te staken en gestaakt te houden, (ii) het vermenigvuldigen of openbaar maken van de buitenruimte aan hoog.design of derden achterwege te laten en (iii) opgave te doen van alle partijen aan wie beeldmateriaal van de buitenruimte is verstrekt. [eiser] legt aan deze vorderingen primair ten grondslag dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrechten door videobeelden van de buitenruimte te maken en deze openbaar te maken als onderdeel van het televisieprogramma. Subsidiair stelt [eiser] dat sprake is van misleidende reclame (artikel 6:194 BW) omdat [gedaagde] in het televisieprogramma de misleidende c.q. onrechtmatige indruk wekt dat niet [eiser], maar [gedaagde] de ontwerper van de buitenruimte is. Daarbij acht [eiser] het een onrechtmatige omissie dat hij niet als maker van de buitenruimte is aangeduid in het televisieprogramma. Volgens [eiser] pronkt [gedaagde] met zijn veren en lift hij onrechtmatig mee op het werk van [eiser], met het doel om klanten te werven op de markt van tuin- en landschapsontwerp. Dit gaat ten koste van de klandizie van [eiser]. Dit blijkt volgens [eiser] uit het feit dat [gedaagde] handelt onder de handelsnaam ‘Rockin’ Interior & Exterior’. Meer subsidiair beroept [eiser] zich op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), omdat het voorgaande meebrengt dat [gedaagde] in grote mate juridisch onbetamelijk jegens hem heeft gehandeld.
4.2.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van [eiser]. [gedaagde] voert allereerst aan dat geen sprake is van een auteursrechtinbreuk en dat [eiser] zijn pijlen op de verkeerde partij richt, omdat [gedaagde] niet de maker is van het televisieprogramma. Dat is namelijk SGCC EVENTS B.V. in samenwerking met Talpa Network B.V. [gedaagde] is slechts de gast-presentator en vertelt voor de camera over verschillende projecten, waaronder de Spaanse villa. Hij heeft de beelden echter niet zelf geschoten en is bovendien niet verantwoordelijk voor de eindproductie. Ook stelt [gedaagde] dat hij niet degene is die de beelden openbaar maakt, dat is televisieomroep SBS6. [eiser] heeft daarom de verkeerde partij gedagvaard omdat [gedaagde] de buitenruimte niet op de beeld heeft vastgelegd of openbaar gemaakt heeft. Een eventuele auteursrechtinbreuk is ook niet aan [gedaagde] toe te rekenen omdat door hem niet de indruk wordt gewekt dat hij de buitenruimte rondom de Spaanse villa heeft ontworpen. [gedaagde] voert in het incident verder als verweer aan dat het onvermijdelijk althans gebruikt is dat de buitenruimte in beeld wordt gebracht. [gedaagde] beroept zich in dit verband op artikel 18a Auteurswet (Aw). [gedaagde] stelt verder dat artikel 6:194 BW niet van toepassing is omdat de klanten van [eiser] consumenten zijn. Bovendien kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] onrechtmatige uitlatingen heeft gedaan, omdat [eiser] niet gespecificeerd heeft welke uitlatingen precies misleidend zouden zijn. Bovendien is [gedaagde] geen landschapsarchitect en stelt hij niet van plan te zijn om dit te worden, zodat hij niet uit is op de klanten van [eiser]. Ook vermeldt [gedaagde] in zijn eigen artikelen op zijn website en sociale media [gedaagde] consequent als ontwerper van de buitenruimte. Tot slot voert [gedaagde] aan dat [eiser] geen (spoedeisend) belang heeft bij zijn incidentele vorderingen en dat [eiser] de rechtbank in wezen vraagt vooruit te lopen op de beslissing in de hoofdzaak.
(Spoedeisend) belang
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] voldoende (spoedeisend) belang bij zijn incidentele vorderingen op grond van artikel 223 Rv, welk belang is gelegen in het beëindigen van een vermeende voortdurende onrechtmatige gedraging. Dat [eiser] vier maanden na uitzending van het televisieprogramma [gedaagde] heeft gedagvaard, doet aan daaraan niet af.
4.4.
Ook de omstandigheid dat [eiser] zijn incidentele vorderingen baseert op dezelfde rechtsgronden als zijn vorderingen in de hoofdzaak, maakt niet dat [eiser] onvoldoende belang zou hebben bij zijn incidentele vorderingen. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat de rechtbank in zijn oordeel in het incident in bepaalde mate vooruitloopt op zijn oordeel in de hoofdzaak.
Inhoudelijk
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [eiser] in dit incident afgewezen moeten worden, gelet op het volgende.
Auteursrechtelijke bescherming
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat de vragen of op gecreëerde buitenruimte van de Spaanse villa een auteursrecht van [eiser] rust en zo ja of [gedaagde] een beroep op artikel 18a Aw toekomt, onbesproken kunnen blijven. Ook als beide vragen bevestigend worden beantwoord zal [eiser] namelijk zijn auteursrecht alleen kunnen inroepen tegen een partij die zijn auteursrechtelijk beschermde werk heeft verveelvoudigd of openbaar heeft gemaakt (vgl. artikel 1 Aw). In dit incident is de rechtbank niet gebleken dat [gedaagde] enige betrokkenheid heeft gehad bij het op beeld vastleggen van de eventueel auteursrechtelijk beschermde buitenruimte waardoor hij het werk zou hebben verveelvoudigd (vgl. artikel 13 en 14 Aw) of deze beelden openbaar heeft gemaakt door het uitzenden daarvan (vgl. artikel 12 Aw). [eiser] heeft tegenover de betwisting onvoldoende onderbouwd dat [eiser] verantwoordelijkheid heeft gehad voor het vastleggen van de buitenruimte op beeld, het produceren van het televisieprogramma of het uitzenden hiervan. Het ligt voor de hand dat dit is gedaan door de producent (SGCC Events in samenwerking met Talpa) respectievelijk door de uitzendende omroep (SBS6). De rechtbank passeert daarom het beroep van [eiser] op zijn auteursrecht.
4.7.
Voor zover [eiser] met zijn stelling, dat tenminste zijn naam vermeld had moeten worden in het televisieprogramma een beroep heeft willen doen op zijn persoonlijkheidsrechten als maker (vgl. artikel 25 lid 1 sub a en b Aw), slaagt dit beroep niet. Ook deze persoonlijkheidsrechten kunnen namelijk alleen worden ingeroepen tegen de (rechts)persoon die het werk openbaar maakt, hetgeen volgt uit de bewoordingen van deze bepalingen. Zoals hiervoor is overwogen is niet gebleken dat dit [gedaagde] is geweest.
4.8.
De rechtbank volgt [eiser] ook niet in zijn stelling dat een eventuele auteursrechtinbreuk door de producent(en) of de omroep toch aan [gedaagde] kan worden toegerekend. [eiser] stelt in dit verband dat [gedaagde] ‘zelfstandig en actief heeft gehandeld’ en ‘niet slechts als presentator een script heeft uitgevoerd’. Voor zover [eiser] hiermee bedoelt te stellen dat [gedaagde] zich inhoudelijk heeft bemoeid met het vastleggen of openbaar maken van de beelden van de buitenruimte, dan geldt dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. In het licht van de onderbouwde betwisting door [gedaagde], die erop neer komt dat zijn rol in de totstandkoming van het beelden en de openbaarmaking daarvan beperkt is geweest tot presentator en deze verantwoordelijkheden (zoals gebruikelijk) bij de producenten en de omroep liggen, had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn contraire betoog op enige wijze te onderbouwen. Nu [eiser] dit heeft nagelaten ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat [gedaagde] een eigen/zelfstandige onrechtmatige daad heeft gepleegd tegenover [eiser]. Overigens is ook niet gebleken dat [eiser] navraag heeft gedaan over de rol van [gedaagde] in de totstandkoming van de camerabeelden voor het televisieprogramma bij [gedaagde] zelf, bij de producent(en) van het programma of bij SBS6, op basis waarvan hij zijn stellingen zou hebben kunnen onderbouwen. Voor zover [eiser] zijn beroep op toerekening baseert op de stelling dat [gedaagde] op onrechtmatige c.q.
Conclusie
4.16.
Gelet op het voorgaande faalt het beroep op de drie rechtsgronden die [eiser] ten grondslag heeft gelegd aan zijn vorderingen. De vorderingen in het incident zullen als gevolg daarvan volledig worden afgewezen.
Proceskosten
4.17.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] maakt in deze procedure aanspraak op vergoeding van zijn proceskosten op basis van artikel 1019h Rv voor wat betreft de auteursrechtelijke grondslag en op basis van het liquidatietarief voor de overige grondslagen. [gedaagde] heeft niet gespecificeerd welk percentage van de kosten betrekking heeft op het gedeelte van de procedure dat onder de reikwijdte van artikelen 1019h Rv (auteursrecht) en welke gedeelte van de procedure daar niet onder valt (misleidende reclame c.q. onrechtmatige daad). De rechtbank zal hiervan, in lijn met de Indicatietarieven in IE-zaken, versie april 2017 (hierna: de Indicatietarieven), een schatting maken. Naar schatting heeft 50% van de procedure betrekking gehad op de grondslag onrechtmatige daad, aangezien ook deze schendingen grotendeels werden aangedragen ter onderbouwing van de schending van de auteursrechten van [eiser] en aan beide rechtsgronden door partijen ongeveer even veel aandacht is besteed.
4.18.
De rechtbank kwalificeert deze zaak als een ‘normaal incident’ in de zin van de Indicatietarieven (categorie II.b, onderdeel c). Als gevolg daarvan wordt een bedrag van € 1.250,- (50% van € 2.500,-) toegewezen op grond van artikel 1019h Rv. Daarnaast wordt een bedrag van € 307,- (50% van € 614,-) toegewezen op basis van het liquidatietarief.
4.19.
De proceskosten van [gedaagde] worden in dit incident begroot op:
- salaris advocaat
€
1.557,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.735,00
Dictum
De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van het incident van € 3.846,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 september 2024 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.J.G. Hulsbergen op 24 juli 2024.
Beoordeling
misleidende wijze de suggestie heeft gewekt dat hij zelf de auteursrechtelijke maker van de buitenruimte is, dan geldt hiervoor hetzelfde als wat de rechtbank hierna overweegt ten aanzien van het vermeend onrechtmatig handelen van [gedaagde].
Misleidende reclame en onrechtmatige daad
4.9.
Ook het beroep van [eiser] op misleidende reclame (artikel 6:194 BW) en onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Bij dat oordeel stelt de rechtbank voorop dat [gedaagde] in het televisieprogramma voornamelijk aan de binnenkant van het huis in beeld is gebracht en zijn commentaar hoofdzakelijk betrekking heeft op de woning zelf en de door hem gemaakte interieurkeuzes. Tegelijkertijd zijn er in het televisieprogramma ook (drone)beelden gemonteerd waarin de buitenruimte is afgebeeld. Met uitzondering van de hierna te bespreken uitingen, zijn deze beelden niet van commentaar van [gedaagde] voorzien en hebben zijn uitingen geen betrekking op de buitenruimte van de Spaanse villa. [gedaagde] heeft in het televisieprogramma de volgende uitspraken gedaan die betrekking (kunnen) hebben op de buitenruimte:
“Er moest een enorme villa op herrijzen, maar het moet wel natuurlijk” (vanaf 0:23);
“En het buitengevoel [is] heel erg naar binnen doorgevoerd” (vanaf 0:47);
“Het lijkt alsof deze villa er al 100 jaar staat (…) het omarmt je van binnen van buiten, sluit het aan met de omgeving. Dat is wat we wilden en dat is wat er nu staat (vanaf 4:55);
“Dat natuurlijke materiaal gebruik. En ook echt kijken, waar staat zo’n huis. Waar gaan we zo’n huis bouwen. In welke omgeving. Met hout uit de omgeving. Steen dat hier werkelijk uitgehakt is om de platforms te maken in de tuin. Het zit er allemaal in. Net zo belangrijk als dat ik dat van buiten vind, dat wij de architectuur mochten doen. Is dat binnen net zo goed de beleving. (…) Die oorspronkelijkheid wat je buiten voelt, geloof ik zeker dat dat binnen te voelen is.” (vanaf 5:20); en
“Misschien is dit wel het dankbaarste deel van soms wel jarenlang werken aan zo’n huis. In het begin helemaal lege grond en langzaam rijst er wat op. Zoveel hier geweest en zoveel gewerkt met je voeten in de modder, in de bouwstof. En dan nu zo’n eindresultaat zien en het zwembad mooi zien glinsteren.” (vanaf: 7:36)
waarbij dit laatste commentaar is gemonteerd onder beelden waarin [gedaagde] door de buitenruimte van de Spaanse villa loopt, opgevolgd door foto’s van een leeg bouwkavel en het bouwproces en door (drone)beelden van het zwembad en de buitenruimte.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat de camerabeelden van de buitenruimte in combinatie met het in overweging 4.9 genoemde commentaar van [gedaagde] bij de gemiddelde (oplettende) kijker niet de onjuiste indruk zullen wekken dat [gedaagde] de ontwerper is van de buitenruimte van de Spaanse villa. De rechtbank baseert dit oordeel op het totaalbeeld van het televisieprogramma van circa acht minuten, waarbij [gedaagde] in het begin wordt geïntroduceerd als interieurontwerper en hoofdzakelijk toelichting geeft op de door zijn bureau gemaakte interieur- en architectuurkeuzes met betrekking tot de Spaanse villa. Wanneer het commentaar van [gedaagde], zoals weergegeven in overweging 4.8, bezien wordt in de context van de gehele aflevering van een televisieprogramma dat zich toespitst op interieur design, dan is duidelijk dat zijn commentaar betrekking heeft op de gemaakte architectuur- en interieurkeuzes in samenhang met de buitenruimte van de Spaanse villa. Dit is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat [gedaagde] bij de gemiddelde kijker de indruk heeft gewekt dat hij zelf de ontwerper is van de buitenruimte. Ook uit de inhoud van de uitlatingen van [gedaagde] kan de rechtbank een dergelijke misleidende mededeling niet afleiden. Voor zover zijn commentaar betrekking heeft op de buitenruimte van de Spaanse villa, maakt [gedaagde] namelijk steeds de link met de architectuur- en interieurkeuzes die zijn bureau gemaakt heeft en kan daaruit niet afgeleid worden dat hij doet voorkomen alsof hij de buitenruimte zelf zou hebben ontworpen. Die beelden zijn bovendien functioneel omdat gerefereerd wordt aan de wens van [gedaagde]’s opdrachtgever dat de villa moet ogen alsof die er altijd heeft gestaan, hetgeen alleen in samenhang met de onmiddellijke omgeving van de villa - de tuin - in beeld kan worden gebracht. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat de wijze waarop het zwembad terloops is genoemd door [gedaagde] erop zou kunnen duiden dat het ontwerp voor de woning ook het ontwerp voor het zwembad heeft omvat. Dit is echter, als onderdeel van het geheel van de presentatie als hiervoor omschreven, onvoldoende voor het treffen van een voorziening.
4.11.
Nu niet is gebleken dat door [gedaagde] in het televisieprogramma de onjuiste indruk is gewekt dat hij de ontwerper is van de buitenruimte, kan geen sprake zijn van een ‘misleidende mededeling’ in de zin van artikel 6:194 lid 1 BW.
4.12.
De rechtbank volgt [eiser] ook niet in zijn stelling dat sprake is van een onrechtmatige omissie (vgl. artikel 6:194 lid 2/3 BW). Uit de dagvaarding blijkt dat de onrechtmatige (misleidende) omissie hem volgens [eiser] zit in het ontbreken van de vermelding van zijn naam als ontwerper van de buitenruimte. Dit belang wordt beschermd door het persoonlijkheidsrecht op naamsvermelding dat de maker heeft (artikel 25 Aw). Hierop kan [eiser] echter, onder de gegeven omstandigheden, geen beroep doen tegenover [eiser] gelet op hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen in overweging 4.7.
Daar komt bij dat de rechtbank op grond van het voorgaande van oordeel is dat [gedaagde] met zijn commentaar in het televisieprogramma geen bijzondere (aparte) aandacht heeft geschonken aan de totstandkoming van de buitenruimte van de Spaanse villa, zodat niet valt in te zien waarom de naam van [eiser] zou moeten gelden als ‘essentiële informatie die noodzakelijk is om een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het aangaan van een overeenkomst’ (vgl. 6:194 lid 2/3 BW).
4.13.
De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, ook niet in hoe het handelen van [gedaagde] van een ‘dusdanig grote mate van juridische onbetamelijkheid’ getuigt, zoals [eiser] stelt, dat [gedaagde] een zelfstandige onrechtmatige daad (vgl. artikel 6:162 BW) heeft begaan. [eiser] heeft zijn beroep op onrechtmatige daad ook niet (nader) onderbouwd en baseert dit op dezelfde feiten en omstandigheden die hij in het kader van zijn beroep op het auteursrecht en misleidende reclame heeft aangehaald. Voor zover [eiser] hiermee een beroep heeft willen doen op de rechtsfiguur van ongeoorloofde mededinging, zoals onrechtmatig parasiteren of aanhaken, dan heeft hij dit beroep onvoldoende (feitelijk) onderbouwd. Dit geldt niet in de laatste plaats nu [gedaagde] heeft aangegeven niet actief te (willen) zijn in de landschapsarchitectuur en door [eiser] niets naar voren is gebracht waaruit zou blijken dat dit wel het geval zou zijn. Zodoende kan dan ook geen sprake zijn van het onrechtmatig profiteren van het werk van [eiser] door klandizie van hem af te nemen.
Vorderingen met betrekking tot foto’s op website van derde(n)
4.14.
[eiser] stelt tot slot dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld door foto’s van de buitenruimte ter publicatie aan te bieden aan andere media, zoals de website hoog.design/nl. [gedaagde] heeft betwist dat hij dergelijke foto’s aan hoog.design zou hebben verstrekt en heeft ter onderbouwing daarvan een e-mail van hoog.design overgelegd waarin hoog.design verklaart dat geen buitenbeelden zijn gebruikt en dat [gedaagde] geen beelden aan hen heeft aangedragen.