Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-16
ECLI:NL:RBNHO:2024:7319
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,098 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.311493.21
Uitspraakdatum: 16 juli 2024
Tegenspraak
Dit verkort vonnis (art. 138b van het Wetboek van Strafvordering (Sv)) is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 juli 2024 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.P. Klaver, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
De verdachte wordt, na nadere omschrijving van de tenlastelegging op de zitting van 20 juni 2022, verweten dat hij zich in verschillende plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan kort samengevat de volgende feiten:
feit 1: medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, in elk geval aanwezig hebben, van heroïne, cocaïne en/of MDMA in de periode van 21 oktober 2021 tot en met 12 januari 2022;
feit 2: medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen om heroïne, cocaïne en/of MDMA binnen en/of buiten Nederland te brengen in de periode van 21 oktober 2021 tot en met 12 januari 2022.
De volledige tekst van deze tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
2Procesafspraken
Op 28 juni 2024 heeft de officier van justitie de rechtbank laten weten in gesprek te zijn met de verdediging om te onderzoeken of procesafspraken zouden kunnen worden gemaakt. De officier van justitie heeft de rechtbank daarna op 1 juli 2024 bericht dat hij en de verdediging tot procesafspraken waren gekomen en een afschrift verstrekt van de concept-raamovereenkomst met de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte. Op 2 juli 2024 heeft de rechtbank vervolgens de door de officier van justitie, de verdachte en de raadsman ondertekende raamovereenkomst ontvangen.
De procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging komen er in de kern op neer dat de officier van justitie zal rekwireren tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en tot een deels voorwaardelijke strafoplegging zoals hierna onder 8.1 weergegeven, dat de verdediging geen bewijsverweren zal voeren, en dat de partijen geen hoger beroep zullen instellen als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen hen gemaakte afspraken. Op de zitting van 2 juli 2024 is daaraan mondeling toegevoegd dat de officier van justitie zal vorderen het bevel tot voorlopige hechtenis bij vonnis op te heffen.
Op de zitting van 2 juli 2024 heeft de rechtbank de procesafspraken en het afdoeningsvoorstel, zoals deze zijn weergegeven in de raamovereenkomst, met de partijen besproken. Op enkele punten heeft de rechtbank een nadere toelichting gevraagd en gekregen. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van de verdachte aan de orde gesteld. De verdachte heeft te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Ook heeft hij kenbaar gemaakt volledig achter die afspraken te staan en de overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan. De rechtbank heeft begrepen dat de verdachte zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken met het Openbaar Ministerie te maken. Verder is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot procesafspraken te komen rechtskundige bijstand van zijn raadsman heeft gehad en dat deze afspraken, waar nodig, voor hem in de Turkse taal zijn vertaald.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in de raamovereenkomst is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in die overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt. In het licht van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij bij de beoordeling van de strafzaak tegen de verdachte acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
3Beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze strafzaak voorop, ook gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252), dat de rechtbank geen partij is bij de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken en daaraan dus ook niet is gebonden. De rechtbank heeft, los van wat tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging is overeengekomen, een eigen verantwoordelijkheid om te waarborgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling, in het bijzonder de artikelen 348 en 350 Sv, en de eisen van een eerlijk proces. Dat betekent dat de rechtbank de vragen zoals beschreven in de artikelen 348 en 350 Sv in dit vonnis zelfstandig zal beantwoorden.
4Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
5.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de gemaakte procesafspraken en het daarbij gevoegde bewijsmiddelenoverzicht, gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
5.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd en verzocht de zaak af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1 en 2 op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn weergegeven. Deze bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet een aanvulling van dit verkort vonnis vereist. De bewijsmiddelen zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
5.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft begaan, met dien verstande dat hij:
feit 1
in de periode van 21 oktober 2021 tot en met 12 januari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA;
feit 2
in de periode van 21 oktober 2021 tot en met 12 januari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen:
- telefonische contacten en/of ontmoetingen en/of besprekingen en/of afspraken gehad en/of gemaakt met transporteurs, financiers, afnemers, verkopers, tussenpersonen en/of verleners van hand- en spandiensten met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling, koop, verpakking, opslag en/of het vervoer van een hoeveelheid cocaïne en/of heroïne en/of MDMA naar Oostenrijk en/of Duitsland en/of Engeland en/of uit Turkije en/of
- een of meer van eerdergenoemde personen voorzien van informatie en/of opdrachten en/of geld en/of een (tijdelijke) opslag- en/of verblijfplaats ten behoeve van het vervoeren, opslaan, verbergen, verpakken, bewerken, verwerken, afleveren, verstrekken, kopen en/of financieren van een hoeveelheid cocaïne en/of heroïne en/of MDMA en/of
- geld ontvangen van een of meerdere personen ten behoeve van het vervoeren van een hoeveelheid cocaïne en/of heroïne en/of MDMA en/of
- tot vorenomschreven feiten opdracht gegeven en/of daartoe hand- en spandiensten verricht.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan de bewezen verklaarde feiten zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
7Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
8Strafmotivering
8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de gemaakte procesafspraken, gevorderd de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 141 dagen, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met twee jaren proeftijd, onder de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd een taakstraf van 240 uren op te leggen. De officier van justitie heeft tot slot gevorderd het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
8.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, onder verwijzing naar de procesafspraken, verzocht de zaak af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.
8.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de strafoplegging heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 30 mei 2024 en het strafblad van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte in het verleden eenmaal eerder is veroordeeld voor een soortgelijk Opiumfeit. Omdat deze veroordeling langere tijd geleden is geweest, zal de rechtbank dit niet ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging meewegen. Bij de beslissing over de strafoplegging heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander of anderen gedurende tweeënhalve maand schuldig gemaakt aan het verhandelen van harddrugs, namelijk cocaïne, heroïne en MDMA (xtc-pillen). Ook hebben zij zich beziggehouden met het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer en/of uitvoer van deze drugs. Harddrugs bevatten voor de gezondheid van de gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen. De verspreiding ervan en de handel in harddrugs zijn bezwarend en ontwrichtend voor de samenleving. De verspreiding van en de handel in harddrugs hebben bovendien veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan drugs.
Conclusie
Alles afwegende komt de rechtbank tot een strafoplegging die in overeenstemming is met de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken. De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 141 dagen, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, in combinatie met een taakstraf van 240 uren. Daarbij acht de rechtbank verplicht reclasseringscontact en oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Aan de voorwaardelijk op te leggen straf zal de rechtbank een proeftijd verbinden van twee jaren met de bedoeling de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een nieuw strafbaar feit en als stok achter de deur bij het naleven van de op te leggen bijzondere voorwaarden. Deze strafoplegging vindt de rechtbank passend en in redelijke verhouding staan tot de ernst van de strafzaak.
Gelet op deze strafoplegging zal de rechtbank, in lijn met de vordering van de officier van justitie, het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Van toepassing zijn de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft begaan zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 6. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 141 dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze straf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte ook tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
*meldplicht: zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op het adres [adres reclassering] , en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
*ambulante behandeling: zich laat behandelen door Familysupporters (of een soortgelijke zorgverlener), te bepalen door de reclassering en zolang als de reclassering nodig vindt. Daarbij zal de verdachte zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Daaronder kan, gelet op de problematiek, ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de daarvoor verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg. De verdachte zal zich tijdens de opname houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling, waaronder het innemen van medicijnen kan vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
*dagbesteding: zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur.
*meewerken aan middelencontrole: meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen, door urineonderzoek of ademonderzoek (blaastest), waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
*contactverbod: op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met de medeverdachte in deze zaak, [naam medeverdachte] , geboren op [geboortedatum medeverdachte] te [geboorteplaats medeverdachte] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
*voorwaarde betreffende financiën: openheid geeft ten aanzien van zijn financiën.
Geeft voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Daarbij zijn voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
*ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, ter inzage aanbiedt;
*medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, waaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering, zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte ook tot het verrichten van 240 uren taakstraf van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. N. Boots en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H.